Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10350

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
19-01-2018
Zaaknummer
10/811027-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW 1994; aanrijding personenauto met voetganger. Dodelijke afloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/811027-16

Datum uitspraak: 20 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. C.Y. Kekik, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd:

  • -

    de verdachte niet te veroordelen voor het onder feit 2 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.1. Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde gevorderd de verdachte niet voor dit feit te veroordelen, nu de verdachte binnen de in artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) gestelde termijn van 12 uur zich vrijwillig heeft gemeld bij de politie.

4.1.2. Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde vrijspraak, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich vrijwillig binnen de in artikel 184 WVW gestelde termijn heeft gemeld.

4.1.3. Beoordeling

Op grond van artikel 7, lid 1 aanhef en onder a, van de WVW is het degene die bij een ongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht.

Op basis van het bepaalde in artikel 184 van de WVW is strafvervolging tegen de in artikel 7 bedoelde overtreder uitgesloten indien deze binnen twaalf uren na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van dat ongeval kennis geeft aan een van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij zijn identiteit en dat van zijn motorrijtuig bekend maakt.

Met de officier van justitie gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachte in een paniek- en shocktoestand de plaats van het ongeval heeft verlaten en daarbij het slachtoffer aan zijn lot heeft overgelaten. Dit is zeker omdat de verdachte moet hebben beseft hoe slecht het slachtoffer er aan toe was, afkeurenswaardig en begrijpelijkerwijs moeilijk te verteren voor de nabestaanden. De vraag is echter of dit gedrag volgens de wet strafbaar is. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de verdachte zich vrijwillig binnen de in artikel 184 van de WVW gestelde termijn heeft gemeld bij de politie, zodat strafvervolging voor dit feit is uitgesloten. Het Openbaar Ministerie wordt derhalve niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging voor het onder feit 2 ten laste gelegde.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

Inleiding

Op 9 januari 2016 heeft op de [plaats delict] te Rotterdam (ter hoogte van de tramhalte [naam tramhalte] ) een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een voetganger en een personenauto waren betrokken. Hierbij is de voetganger, de 19-jarige [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) om het leven gekomen. De verdachte was op het moment van de aanrijding de bestuurder van de auto. Behalve de verdachte zaten ook twee andere personen in de auto. De verdachte en deze twee personen zijn na het ongeval weggerend en hebben de komst van de politie niet afgewacht. Ongeveer anderhalf uur na het ongeval hebben de verdachte en de twee inzittenden van de auto zich gemeld bij het politiebureau aan het Marconiplein.

5.1.1.

Standpunt officier van justitie

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat het gedrag van de verdachte te kwalificeren is als aanmerkelijk verwijtbaar onvoorzichtig.

5.1.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu het dossier onvoldoende betrouwbaar bewijs biedt voor de stelling dat de gedragingen van de verdachte als zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam of gevaarzettend gekwalificeerd kunnen worden.

5.1.3.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de WVW is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van de genoemde bepaling. Bovendien kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld. Concreet betekent dit, dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn, daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Om een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat de verdachte in een zwarte Seat Leon op de noordelijke rijbaan van de [plaats delict] heeft gereden, komende vanuit de richting van het Marconiplein en gaande in de richting van de Rotterdamsedijk. Op de [plaats delict] bevindt zich in de middenberm een tramhalte. Ter hoogte van deze tramhalte is een voetgangersoversteekplaats die door bebording kenbaar wordt gemaakt aan de weggebruikers. De tramhalte belemmert voor de weggebruikers van de noordelijke rijbaan (deels) het zicht op de voetgangers die de rijbaan willen oversteken. De toegestane maximumsnelheid op de [plaats delict] bedraagt 50 kilometer per uur (hierna: km/u). Op grond van onderzoek door de politie is vastgesteld dat de Seat Leon met de voorwielen ongeveer 50,50 meter na de voetgangersoversteekplaats stilstond. Voorts is vastgesteld dat het slachtoffer ongeveer 6,60 meter schuin voor de Seat Leon en 57,80 meter voorbij de voetgangersoversteekplaats op de grond lag.

Plaats van aanrijding

Door de verdachte is bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer pas heeft geraakt toen de auto het zebrapad gepasseerd was. De raadsman heeft in dat verband aangevoerd dat het door de politie verrichte onderzoek ondeugdelijk is met betrekking tot de plek waar de auto het slachtoffer heeft geraakt.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Aan de hand van de aangetroffen sporen en de aangetroffen eindpositie van de personenauto en het slachtoffer is door de politie in het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse vastgesteld dat de aanrijding heeft plaatsgevonden op en/of nabij de voetgangersoversteekplaats van de noordelijke rijbaan. De onderzoekers komen tot de conclusie dat de voetganger de noordelijke rijbaan van de [plaats delict] via de voetgangersoversteekplaats vanuit zuidelijke naar noordelijke richting overstak. Deze conclusie vindt steun in de (gedetailleerde) verklaringen die door de getuige [naam getuige] zijn afgelegd. Samengevat heeft hij verklaard dat hij zich op het moment van de aanrijding op korte afstand van het slachtoffer bevond, dat hij zag dat het slachtoffer het zebrapad overstak en dat het slachtoffer op het zebrapad werd geschept door de auto. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in het door de verdediging gestelde geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het door de politie verrichte onderzoek naar de plaats van de aanrijding.

Snelheid

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij 55 km/u reed ten tijde van het ongeval. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij 50 km/u, of misschien 52/53 km/u reed. Door de raadsman is aangevoerd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (aanzienlijk) te hard heeft gereden ten tijde van het ongeval. De raadsman heeft in dat verband onder meer de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [naam getuige] en de door de politie berekende snelheid van de auto in twijfel getrokken en een voorwaardelijk verzoek tot het gelasten van nieuw onderzoek gedaan.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse blijkt dat er aan de hand van het weefselspoor is berekend dat het slachtoffer op het moment dat hij op het wegdek viel, een voorwaartse snelheid had tussen de 80 en 93 km/h. Bij de berekening van de voorwaartse (aanvang)snelheid van het slachtoffer is gebruik gemaakt van een natuurkundige formule (de remwegformule). Omdat de berekende voorwaartse snelheid een maat is voor de botssnelheid tussen de personenauto en het slachtoffer kan volgens de onderzoekers gesteld worden dat de auto ten tijde van het ongeval minimaal 80 km/u en maximaal 93 km/u heeft gereden.
De getuige [naam getuige] heeft in zijn beide verklaringen verklaard dat de auto met ongeveer 100 km/u in de richting van het zebrapad is gereden. Daarnaast heeft een van de inzittenden van de auto, [naam passagier] , bij zijn aanhouding verklaard dat er een aanrijding was geweest met een persoon en dat de verdachte achter het stuur zat en een beetje hard reed, of woorden van gelijke strekking.
Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de conclusies van de verkeersongevallenanalyse over de snelheid waarmee de verdachte heeft gereden ten tijde van het ongeval. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te gelasten, zodat het voorwaardelijk verzoek tot het laten verrichten van nieuw onderzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte met een snelheid tussen de 80 en 93 km/u heeft gereden; een snelheid die veel hoger is dan de 50 km/u die ter plaatse is toegestaan.

De mate van schuld

Op 9 januari 2016 omstreeks 20:35 uur heeft het ongeval op de noordelijke rijbaan van de [plaats delict] plaatsgevonden. Op dat moment was het al donker. Vaststaat dat de weggebruikers op de noordelijke rijbaan van de [plaats delict] door de in de middenberm gevestigde tramhalte slecht zicht hebben op overstekende voetgangers. De verdachte was hier naar eigen zeggen mee bekend. Ondanks dat de verdachte bekend was met de situatie ter plaatse, heeft hij niet afgeremd voor de naderende voetgangersoversteekplaats, maar heeft hij daarentegen aanzienlijk harder gereden dan ter plaatse is toegestaan. Dit gedrag, het (aanzienlijk) te hard rijden op een plaats waar ook zwakkere verkeersdeelnemers kunnen worden verwacht, is onder de genoemde omstandigheden aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, hetgeen schuld oplevert in de zin van artikel 6 van de WVW.

5.1.4.

Conclusie

Bewezen is het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Primair

hij op 09 januari 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk

onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-in die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die [plaats delict] een

voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een tramhalte was gelegen, welke

oversteekplaats door bebording naast en boven de weg kenbaar werd gemaakt aan

weggebruikers, en

-door die tramhalte het zicht op voetgangers, die de rijbaan via die

voetgangersoversteekplaats wilden oversteken, deels werd belemmerd, en

-er sprake was van duisternis,

ondanks bovengenoemde omstandigheden

-die voetgangersoversteekplaats met een veel hogere snelheid dan de ter

plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur is genaderd en is opgereden

en

-(aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger

(inmiddels) doende was die voetgangersoversteekplaats van links naar rechts

over te steken en

-die voetganger niet heeft laten voorgaan en

-(vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 80 en 93 km/u op of nabij die

voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetganger,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straffen

8.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feit waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden, te weten met een snelheid die aanzienlijk hoger was dan ter plaatse was toegestaan een voetganger aangereden die zich op een zebrapad bevond. De voetganger, de 18-jarige [naam slachtoffer] , is aan de gevolgen van dit ongeval overleden. De verdachte heeft schuld aan dit ongeval. Als de verdachte zich in het verkeer anders had gedragen, had het ongeval niet plaatsgevonden en was het jonge slachtoffer, die in de bloei van zijn leven was, niet overleden. Door het gedrag van de verdachte is diep en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, zoals daarvan uit de aangrijpende slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer is gebleken. De rechtbank rekent dit leed en verdriet de verdachte aan. De rechtbank realiseert zich evenwel dat geen enkele straf recht kan doen aan het gemis dat de nabestaanden hun leven lang nog zullen ervaren.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 november 2017.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank in het nadeel van de verdachte meegewogen dat hij na het ongeval is weggevlucht en dat hij zich niet om het dodelijk gewonde slachtoffer heeft bekommerd. Hoewel hulp van de kant van de verdachte het slachtoffer gelet op de ernst van zijn verwondingen niet meer had kunnen baten, is het voor de nabestaanden extra schrijnend dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid op dat moment niet heeft genomen.

In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij ter terechtzitting aan de nabestaanden openlijk zijn spijt en medeleven heeft betuigd. Ook de verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn handelen een jong persoon is overleden, wat hem zwaar valt. De verdachte heeft dit niet zo gewild. Voorts is rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.

Bij het bepalen van de straf is aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten voor strafoplegging. Deze oriëntatiepunten nemen in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg door een aanmerkelijke verkeersfout tot uitgangspunt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gedurende een jaar.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het betreft het onder feit 2 ten laste gelegde;

verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 238 (tweehonderdachtendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 119 (honderdnegentien) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.W.M. Laurijssens, voorzitter,

en mrs. A.A. Kalk en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Witteman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , welk genoemd rijgedrag

hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-in die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die [plaats delict] een

voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een tramhalte was gelegen, welke

oversteekplaats door bebording naast en boven de weg kenbaar werd gemaakt aan

weggebruikers, en/of

-door die tramhalte het zicht op voetgangers, die de rijbaan via die

voetgangersoversteekplaats wilden oversteken, deels werd belemmerd, en/of

-er sprake was van duisternis,

ondanks bovengenoemde omstandigheden

-die voetgangersoversteekplaats met een veel hogere snelheid dan de ter

plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur is genaderd en/of is opgereden

en/of

-in ieder geval met een gelet op bovengenoemde omstandigheden veel te hoge

snelheid heeft gereden en/of

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig

tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien

en waarover deze vrij was en/of

-(aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger

(inmiddels) doende was die voetgangersoversteekplaats van links naar rechts

over te steken, althans aanstalten maakte om via die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of

-die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 80 en 93 km/u op of nabij die

voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetganger,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , werd gedood

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op

die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op

die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-in die door hem, verdachte, bereden rijbaan van die [plaats delict] een

voetgangersoversteekplaats ter hoogte van een tramhalte was gelegen, welke

oversteekplaats door bebording naast en boven de weg kenbaar werd gemaakt aan

weggebruikers, en/of

-door die tramhalte het zicht op voetgangers, die de rijbaan via die

voetgangersoversteekplaats wilden oversteken, deels werd belemmerd, en/of

-er sprake was van duisternis,

ondanks bovengenoemde omstandigheden

-die voetgangersoversteekplaats met een veel hogere snelheid dan de ter

plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur is genaderd en/of is opgereden

en/of

-in ieder geval met een gelet op bovengenoemde omstandigheden veel te hoge

snelheid heeft gereden en/of

-zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-(aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voetganger (inmiddels) doende was die voetgangersoversteekplaats van links naar rechts over te steken, althans aanstalten maakte om via die voetgangersoversteekplaats over te steken en/of

-die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 80 en 93 km/u op of nabij die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die

voetganger;

2.

hij op of omstreeks 09 januari 2016 te Rotterdam, als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval en/of door

wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de [plaats delict] , de

plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist

of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [naam slachtoffer] )

letsel en/of schade was toegebracht;