Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10337

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
10/691146-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is aangetroffen in een woning met ruim 23 kg cocaïne, 3 kg heroïne en een vuurwapen. Hij heeft onomwonden afstand gedaan van zijn recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. Anders dan de verdediging heeft betoogd, gaat het te ver om van de politie te verwachten dat zij de verdachte opnieuw op zijn rechten wijst op het moment dat de verdachte een voor hem belastende verklaring aflegt. Verweer met betrekking tot niet representatieve bemonstering verworpen. Niet aannemelijk dat verdachte niet wist van de drugs en het wapen. 42 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/691146-17

Datum uitspraak: 22 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het huis van bewaring Ter Apel, te Ter Apel,

raadsman G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest.

4 W aardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, omdat de verdachte niet wist dat er verdovende middelen in de woning aanwezig waren. De verklaring van de verdachte in zijn eerste verhoor waaruit zou volgen dat hij wel wist van de cocaïne dient te worden uitgesloten van het bewijs. Dit verhoor heeft namelijk – in strijd met de zogenoemde ‘Salduz-jurisprudentie’ van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – plaatsgevonden buiten aanwezigheid van een advocaat, en tevens zonder adequate vertolking. De telefonisch bij dit verhoor betrokken tolk heeft de verdachte niet goed begrepen. Dit blijkt ook uit de uitlatingen van de tolk zelf, die verschillende malen te kennen heeft gegeven dat de verdachte niet te volgen was.

Verder is aangevoerd dat de verdovende middelen niet op een representatieve wijze zijn onderzocht, aangezien van de veertig in de sporttas in de slaapkamer aangetroffen pakketjes slechts één monster is genomen. Hierdoor is niet komen vast te staan dat de overige pakketjes in de sporttas eveneens cocaïne bevatten.

Verder is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat er in de woning een vuurwapen lag en dat ook overigens niet is gebleken van zijn betrokkenheid bij dit wapen. Nader (sporen)onderzoek ten aanzien van dit vuurwapen heeft niet plaatsgevonden.

Nu er geen ander wettig en overtuigend bewijs aanwezig is, moet de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

4.1.2.

Beoordeling

Feit 1

Eerste politieverhoor te gebruiken voor het bewijs?

Blijkens het proces-verbaal heeft de verdachte in zijn eerste verhoor nadrukkelijk afstand gedaan van zijn recht op verhoorbijstand door een advocaat, nadat hij uitvoerig op dit recht was gewezen. Daarom is voldaan aan de zogenoemde ‘Salduz-voorwaarden’. Ook is de verdachte erop gewezen dat hij op ieder moment tijdens het verhoor kon terugkomen op zijn keuze zich niet te laten bijstaan door zijn advocaat. Anders dan de verdediging heeft betoogd, gaat het te ver om van de politie te verwachten dat zij de verdachte opnieuw op zijn rechten wijst op het moment dat de verdachte een voor hem belastende verklaring aflegt.
Dat in de politieverklaring staat dat de tolk gedurende het verhoor verschillende malen heeft gezegd dat de verdachte niet te volgen was, vormt voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de verdachte. De gehele verklaring is immers na afloop zin voor zin voorgelezen en vertaald, waarop de verdachte heeft verklaard in die verklaring te volharden en deze heeft ondertekend. Deze politieverklaring van de verdachte kan derhalve worden gebruikt voor het bewijs. Het verweer wordt verworpen.

Wetenschap verdovende middelen?

De verdachte heeft verklaard dat hij reeds 9 onafgebroken maanden in een woning waarin een grote partij verdovende middelen is aangetroffen, verspreid over meerdere plekken. De verdachte is als enige persoon in die woning aangetroffen, naast een tafel met daarop schalen en messen met een wit residu en een grote gripzak met daarin een grote hoeveelheid wit poeder. Verder is op de kleding van de verdachte wit residu aangetroffen. Dit alles duidt er op dat het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat er in de woning verdovende middelen werden bewerkt en opgeslagen.
De verklaring van de verdachte dat hij onder dwang in de woning verbleef en schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten is ongeloofwaardig. Daarmee valt immers niet te rijmen dat hij alleen in de woning is aangetroffen met een grote partij drugs die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt en met een geladen vuurwapen dat voor het grijpen lag. Ook blijkt uit niets dat in de woning is schoon gemaakt.

Representatieve monsterneming?

In de woning is een sporttas aangetroffen met daarin veertig zakken met wit poeder. Op basis van een monster uit één van deze zakken is vastgesteld dat de zakken cocaïne bevatten. Het feit dat de inhoud van alle zakken uit wit poeder bestond en de omstandigheid dat alle zakken zich in één en dezelfde sporttas bevonden, maken het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onaannemelijk dat de inhoud van de bemonsterde zak afweek van de overige zakken. De rechtbank merkt daarbij op dat niet aannemelijk is gemaakt dat de inhoud van de overige zakken zou afwijken van de bemonsterde zak. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank merkt daarbij op dat niet alle monsters verdovende middelen zijn onderzocht door het NFI. De rechtbank zal voor de bewezenverklaring de niet-onderzochte monsters buiten beschouwing laten.

Feit 2

Bij doorzoeking van de woning zijn in een nachtkastje in de slaapkamer een vuurwapen en patronen aangetroffen met daarnaast het paspoort van de verdachte. De verklaringen die de verdachte hierover heeft afgelegd – “ik heb mijn paspoort bij het vuurwapen gelegd” en “ik heb de politie naar het wapen meegenomen” – kunnen niet tot een andere conclusie leiden dan dat de verdachte wist dat zich in de woning een vuurwapen bevond en dat hij daarover kon beschikken.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 ten laste is gelegd.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, op 16 september 2017 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22627 gram en 297,8 gram cocaïne en 305,5 en 2977,8 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 16 september 2017, te Rotterdam,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Zoraki M 906 (zijnde een omgebouwd gaspistool 9 mm pak naar 7.65 mm scherp) met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft in de woning waarin hij verbleef cocaïne en heroïne voorhanden gehad. (Hard)drugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande gepleegde criminaliteit. Het bezit van (hard)drugs, zeker van zo grote hoeveelheden verdovende middelen, dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Daarnaast had de verdachte een vuurwapen voorhanden met bijbehorende munitie. Het ongecontroleerd bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee, zeker in combinatie met harddrugs.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mrs. M. Smit en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij, op of omstreeks 16 september 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging

met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk aanwezig

heeft gehad ongeveer 22627 gram en/of 240,3 en/of 297,8 gram cocaïne en/of

305,5 en/of 77,3 en/of 59,5 en/of 2977,8 gram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne

en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

2.

hij op of omstreeks 16 september 2017, te Rotterdam,

althans in Nederland, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder

sub 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Zoraki M 906

(zijnde een omgebouwd gaspistool 9 mm pak naar 7.65 mm scherp) met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.