Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10333

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
10/710260-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte liet zijn huis en schuur gebruiken voor opslag van drugs. Zijn stelling dat hij er van uit ging dat het alleen om softdrugs ging, is niet aannemelijk. Handel in verdovende middelen niet bewezen. 13 maanden waarvan 3 voorwaardelijk voor 0,9 kilo MDMA, 12 kilo hasj, 18 kilo hennep, 2 kilo henneptoppen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/710260-17

Datum uitspraak: 22 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, Dordrecht,

raadsman: mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Harbers heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die zijn geadviseerd in het reclasseringsrapport van 31 oktober 2017.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 4 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Vrijspraak feit 2

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van handel in hennep, omdat de woning van de verdachte heeft gefungeerd als opslagplaats voor hennep en het opslaan van verdovende middelen een essentieel onderdeel is van de handel daarin. Daarnaast zijn er diverse materialen aangetroffen die in dat kader gebruikt kunnen worden, zoals een sealmachine en doorzichtige plastic zakjes, en waren er ruimtes in de woning speciaal ingericht voor de verwerking van de hennep.

4.2.2.

Beoordeling

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Hoewel de woning van de verdachte geruime tijd is geobserveerd en is waargenomen dat de woning in die periode frequent door diverse personen is bezocht, zijn er geen concrete transacties waargenomen. Evenmin bevat het dossier verklaringen van getuigen dat zij van de verdachte of in de woning van de verdachte zulke producten hebben gekocht of verkocht.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar betoog dat, omdat opslag een essentieel onderdeel van de handel in verdovende middelen is, de verdachte zich met het enkele opslaan van deze middelen reeds schuldig heeft gemaakt aan de handel daarin. De wetgever heeft immers expliciet een onderscheid gemaakt tussen de handel in verdovende middelen en het aanwezig hebben daarvan. Nu niet is gebleken dat er transacties hebben plaatsgevonden, kan daarom ook niet worden geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan handel in hennep of hennepproducten.

De aanwezigheid van materialen die gebruikt kunnen worden voor de verwerking van hennep maakt dit niet anders. Uit het dossier is namelijk niet gebleken dat deze materialen daadwerkelijk voor de verwerking van hennep zijn gebruikt. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de officier van justitie gestelde inrichting van sommige kamers voor de verwerking van hennep.

4.2.3.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering

4.3.1.

Standpunt verdediging feit 1

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA-pillen. De verdachte heeft weliswaar bekend dat hij een ruimte in zijn schuur ter beschikking had gesteld voor de opslag van verdovende middelen, maar hij dacht dat het daarbij slechts ging om softdrugs en zou nooit toestemming hebben verleend voor de opslag van harddrugs.

4.3.2.

Beoordeling feit 1

Vast staat dat de verdachte aan een onbekend gebleven persoon zijn schuur ter beschikking heeft gesteld voor de opslag van softdrugs. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat hij daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er ook harddrugs in zijn schuur zouden worden opgeslagen. Hij heeft immers zelf verklaard dat hij een sleutel van de schuur heeft afgegeven aan iemand die daarmee ‘kon doen wat hij wilde’. De verdachte heeft daarbij niet gesteld dat dit de enige sleutel van de schuur was, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hij in de mogelijkheid verkeerde om te controleren wat er werd opgeslagen in zijn schuur. Dit heeft hij, naar eigen zeggen, geheel nagelaten. Om die reden kent de rechtbank weinig waarde toe aan de stelling van de verdachte dat hij nooit toestemming zou hebben verleend voor de opslag van harddrugs.

4.3.3.

Standpunt verdediging feit 3

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3. Aangezien hij zelf geen beschikkingsmacht had over de in zijn schuur opgeslagen hasj en hennep en die opslag slechts heeft gefaciliteerd, kan hem in dit verband hooguit medeplichtigheid worden verweten. Dat is niet ten laste gelegd. De zakken met henneptoppen die zijn aangetroffen in de woonkamer van de verdachte zijn vermoedelijk kort vóór de politie-inval door de medeverdachte [naam medeverdachte] in een tas meegenomen. De verdachte was hiervan niet op de hoogte.

4.3.4.

Beoordeling feit 3

Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van de hasj, cannabis en henneptoppen is voldoende dat deze goederen zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden. Aangezien de hasj en de cannabis zijn aangetroffen in de schuur van de woning van de verdachte en gesteld noch gebleken is dat de sleutel van de schuur die de verdachte had afgegeven, de enige sleutel van die schuur was, staat daarmee vast dat deze goederen zich binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte heeft verklaard dat hij wist dat in de schuur drugs zouden worden opgeslagen.

Daarnaast acht de rechtbank de stelling dat de verdachte niets wist van de twee zakken met henneptoppen in zijn woonkamer, ongeloofwaardig. De rechtbank gaat er op grond van de bewijsmiddelen van uit dat deze zakken door de medeverdachte [naam medeverdachte] de woning van de verdachte zijn binnengebracht. Gelet op de wetenschap van de verdachte van de opslag van de softdrugs in zijn schuur en van de diverse hennepteeltgerelateerde goederen (o.a. sealmachine, koolstoffilter, “slakkenhuis”, afzuigslang, doorzichtige zakken) in zijn woning acht de rechtbank het hoogst onaannemelijk dat de verdachte niet wist wat [naam medeverdachte] kwam afleveren. De zakken bevonden zich daarnaast in het zicht, op de grond tegen een poot van de eettafel.

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat de verdachte heeft geweten dat [naam medeverdachte] hem de zakken met henneptoppen kwam brengen en tevens dat deze zakken zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden vanaf het moment dat zij de woning waren binnengebracht.

4.3.5.

Conclusie

De feiten 1 en 3 zijn wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze begaan dat:

1.

hij op 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,916 kilogram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

(in de schuur behorende bij de woning [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] )

- 11,820 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj/cannabis) en

- 17,70 kilogram hennep (cannabis), en

(in de woonkamer van de woning [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] )

- ongeveer 2,05 kilogram henneptoppen (cannabis), zijnde hennep (cannabis) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde wordt met deze opgave volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze begaan dat:

4.

hij op 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam

een wapen van categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie, te

weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos

kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een

stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

3.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet genoemde verbod

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Met instemming van de verdachte fungeerden zijn woning en de bijbehorende schuur als opslagplaats voor aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen. Zowel MDMA als hennep en hennepproducten bevatten voor de volksgezondheid schadelijke stoffen en zijn door de wetgever daarom op de bij de Opiumwet behorende lijsten van verboden middelen gezet. De aangetroffen hoeveelheden waren van dien aard, dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Handel in verdovende middelen veroorzaakt allerlei problemen in de samenleving, in het bijzonder door de criminaliteit die daarmee samenhangt. Daar komt nog bij dat de woning van de verdachte in een woonwijk staat en dat omwonenden diverse meldingen hebben gedaan over drugsoverlast. Door ervoor te kiezen zijn woning als opslagplaats voor verdovende middelen te laten fungeren, heeft de verdachte gevoelens van onveiligheid aangewakkerd.

De verdachte had bovendien een stroomstootwapen voorhanden. Ook dat is een ernstig strafbaar feit, omdat het ongecontroleerd bezit van een dergelijk wapen een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van anderen in het leven roept, zeker in combinatie met de opslag van drugs. De ervaring leert namelijk dat het bezit hiervan al te gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte onder meer eerder is veroordeeld in Frankrijk voor illegale handel in verdovende middelen.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 oktober 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

Voorafgaande aan het ten laste gelegde had de verdachte zijn leven op orde. Hij had een koopwoning, een inkomen en geen schulden. Het is hem dus gelukt om na zijn eerdere veroordeling zijn leven weer op de rails te krijgen, maar kennelijk is de verdachte toch zeer vatbaar voor de mogelijkheid om snel geld te verdienen. De verdachte had of heeft contacten met mensen uit het criminele circuit, hetgeen zijn weg naar crimineel gedrag lijkt te hebben vergemakkelijkt. Ter voorkoming van herhaling is het dan ook wenselijk dat de verdachte weerbaarder wordt tegen criminele voorstellen. Geadviseerd wordt daarom een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal melden bij de reclassering en zich zal gedragen naar haar aanwijzingen, deel zal nemen aan de Cova-training voor het versterken van cognitieve vaardigheden en het minimaliseren van delictgedrag en zich zal inspannen om een dagbesteding te vinden, zijn financiën te stabiliseren en, indien nodig, een geschikte woning te vinden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten is alleen een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan geëist, aangezien zij het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen acht.

Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat het zaak is dat de verdachte weerbaarder wordt tegen de verleidingen van het criminele circuit. Zij zal daarom een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 14a, 14b, 14c, c, 45, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, en hij dient zich daartoe te melden bij die reclasseringsinstelling, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVa-training van die reclasseringsinstelling of een soortgelijke instelling;

3. de veroordeelde zal meewerken aan het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding;

4. de veroordeelde zal meewerken aan het stabiliseren van zijn financiën;

5. de veroordeelde zal, indien nodig, meewerken aan het vinden van een geschikte woning;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M. Havik, voorzitter,

en mr. R.H. Kroon en mr. J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van A. van den Bosch, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

Opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,916 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 6 juni 2017 tot en met 23 augustus 2017 te

Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk,

(meermalen) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

één of een hoeveelheden hennep en/of henneptoppen en/of van een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj)

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd,

in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van (een)

materia(a)l(en) bevattende hennep (cannabis),

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

(in de schuur behorende bij de woning [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] )

- ( ongeveer) 11,820 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30

gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep (hasjiesj/cannabis) waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd

en/of

- ( ongeveer) 17,70 kilogram hennep (cannabis), in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram hennep,

en/of

(in de woonkamer van de woning [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] )

- ongeveer 2,05 kilogram henneptoppen (cannabis), in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram hennep (cannabis),

zijnde hasjiesj en/of hennep (cannabis) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 24 augustus 2017 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente

Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(een) wapen(s) van categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie, te

weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos

kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een

stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad.