Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10331

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
539795 / HA RK 17-1118
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Met de gewraakte opmerking van de rechter over de heer [X], inhoudende dat het hem vreemd voorkwam dat hij zowel een spermabank als een café had, heeft de rechter willen aangeven dat hij dit een bijzondere combinatie van werkzaamheden vond.

De observatie van de rechter dat de combinatie van caféhouder en bewaarder van lichaamsmateriaal opmerkelijk is, komt de wrakingskamer niet onbegrijpelijk voor.

De rechter heeft toegelicht dat hij met de gewraakte opmerking over ‘een vinger in de pap willen houden’ door de heer [Y] bedoelde dat hem uit het dossier is gebleken dat hij betrokken was geweest bij verschillende stichtingen die actief waren in hetzelfde vakgebied. De rechter heeft met deze opmerking niet beoogd een negatieve opmerking te maken over de persoon van de heer [Y]. Daar komt nog bij dat de uitspraak van de rechter over de rol van de heer [Y] is gedaan in de fase dat de uitwisseling van standpunten was afgerond en dat de rechter was overgegaan tot het globaal formuleren en motiveren van een oordeel over het voorliggende verzoek.

Ter zitting is als aanvullende grond voor het wrakingsverzoek aangevoerd dat in het proces-verbaal van de zitting en de conceptbeslissing van de rechter geen aandacht is besteed aan de uitleg van verzoekster over de reikwijdte van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Deze aanvullende grond mist feitelijke grondslag omdat in de conceptbeslissing hierop wel is ingegaan. Het oordeel over de vraag of de daarbij gegeven motivering toereikend is, komt niet aan de wrakingskamer toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 539795 / HA RK 17-1118

Beslissing van 14 december 2017

op het verzoek van

[naam verzoekster] ,

domicilie kiezende te Rotterdam ten kantore van haar raadsvrouw,

verzoekster,

advocaat mr. R.J.E. Merkus,

strekkende tot wraking van:

mr. W.A.F. Damen, rechter in de rechtbank Rotterdam, team Straf II (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 22 november 2017 is door de rechter behandeld het verzoekschrift van verzoekster, erfgename van [naam erflater] , op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv.

Die procedure draagt als parketnummer 10/226630-16 en als raadkamernummer 17/1922.

Na de zitting heeft de raadsvrouw van verzoekster op 22 november 2017 schriftelijk de wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het proces-verbaal van de zitting van 22 november 2017;

- het schriftelijke wrakingsverzoek van mr. R.J.E. Merkus;

- het dossier van de onderliggende raadkamerzaak, raadkamernummer 17/1922.

Verzoekster en de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 24 november 2017.

Ter zitting van 30 november 2017, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn de raadsvrouw van verzoekster, de rechter en officier van justitie mr. R.E.I. Steen verschenen. De raadsvrouw van verzoekster heeft aan de hand van een pleitnota haar standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek is namens verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Namens verzoekster is haar raadsvrouw verschenen op de zitting waar het verzoekschrift op de voet van artikel 591a Sv van verzoekster zou worden behandeld. Tijdens het uitwisselen van de standpunten van het openbaar ministerie en die van verzoekster, plaatste de rechter de opmerking dat het vreemd is dat de heer [naam] , de voormalig bestuurder van Stichting [naam stichting] , zowel een spermabank als een café had. Deze opmerking deed niet ter zake, maar gaf wel een indicatie dat de rechter de feitelijkheden in de strafzaak, die relevant zijn voor de beoordeling van het verzoekschrift, in een negatief daglicht beschouwt.

Na het uitwisselen van de standpunten door het openbaar ministerie en de raadsvrouw kondigde de rechter het einde van de behandeling aan en deelde de rechter mee dat hij voornemens was om de verzochte vergoeding af te wijzen. Tijdens zijn uitleg maakte de rechter de opmerking ‘Gelet op de persoon van de heer [naam erflater] meen ik dat de heer [naam erflater] altijd een grote vinger in de pap wil houden’. Deze opmerking levert op zichzelf een grond op om te vrezen dat de rechter niet onpartijdig was, zeker in combinatie met de eerdere opmerking over de heer [naam] . Ter zitting kondigde de rechter dus aan voornemens te zijn het verzoekschrift af te wijzen, terwijl dat voornemen blijkens de toelichting van de rechter gebaseerd was op een oordeel over de persoon van de heer [naam erflater] . Dit alles levert een zwaarwegende aanwijzing op van vooringenomenheid van de rechter.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. De rechter heeft daarvoor – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Verzoekster was tijdens de zitting van 22 november 2017 zelf niet aanwezig. De officier van justitie, de raadsvrouw en ik waren wel aanwezig. Dit maakte de bespreking ter zitting in beginsel een discussie tussen togadragers.

Meteen na de formaliteiten heb ik aangegeven waar, volgens mij, de centrale punten in de zaak lagen. In deze zaak was één van de wezenlijke punten de vraag naar de verjaring.

Ik heb tijdens de behandeling van de zaak genoemd dat het vreemd was dat de heer [naam] , de voormalig bestuurder van Stichting [naam stichting] , zowel een spermabank als een café had. Deze opmerking is door verzoekster zonder redelijke aanleiding in een negatief daglicht gesteld. Met het noemen van dit opmerkelijke detail heb ik willen aangeven dat ik de stukken grondig had bestudeerd. Ik heb ook andere details naar voren gebracht, aan welke details verzoekster zich kennelijk niet heeft gestoord. Ik merk nog op dat de raadsvrouw tijdens de behandeling ter zitting op geen enkel moment opmerkingen heeft geplaatst bij mijn uitlatingen, zodat ik niet in staat ben geweest om eventuele misverstanden te verduidelijken of weg te nemen.

Aan het eind van de behandeling heb ik mijn oordeel kenbaar gemaakt en medegedeeld dat de beslissing op schrift zou worden uitgewerkt en dat de datum van de beslissing formeel zou worden gesteld op de datum dat de schriftelijke uitspraak beschikbaar zou komen voor de officier van justitie en verzoekster en haar raadsvrouw.

2.3

Ter zitting heeft de raadsvrouw van verzoekster, in aanvulling op het bovenstaande aan

de hand van een pleitnota haar standpunt nader toegelicht en – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Door de gang van zaken is verzoekster er van overtuigd geraakt dat haar verzoek door een partijdige rechter is behandeld. De uitlatingen van de rechter ter zitting van 22 november 2017 leveren zwaarwegende aanwijzingen op dat hij vooringenomenheid koestert.

In het wrakingsverzoek zijn de gronden voor de wraking geformuleerd. Verzoekster voegt daar een grond aan toe, namelijk dat een belangrijk standpunt van verzoekster niet is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting en in de door de rechter opgestelde conceptbeslissing. Ik doel dan op het standpunt van verzoekster dat de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal in artikel 1 lid 1 een eigen definitie van ‘bewaren’ geeft.

De uitlatingen van de rechter die zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren zijn de opmerking dat het vreemd is dat de heer [naam] , de voormalig bestuurder van Stichting [naam stichting] , zowel een spermabank als een café had en de opmerking van de rechter “gelet op de persoon van de heer [naam erflater] meen ik dat de heer [naam erflater] altijd een grote vinger in de pap wil houden”. Met de tweede opmerking heeft de rechter een oordeel gegeven over de persoon van de heer [naam erflater] , dat niet gebaseerd kan zijn op de processtukken of op wat ter zitting ter sprake is gebracht. Het kan daarom niet anders zijn dan dat de rechter dat – negatieve – oordeel al voor de aanvang van de zitting had. Mogelijk heeft de beeldvorming in de media een rol gespeeld.

2.4

Ter zitting heeft de rechter, in aanvulling op het bovenstaande - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Ik heb de zaak niet anders behandeld dan andere zaken. Ik ken de heer [naam erflater] niet en ken geen andere zaken van hem. Berichten uit de media hebben geen invloed gehad op mijn beeld van de heer [naam erflater] .

Aan het eind van de behandeling ter zitting heb ik gezegd hoe ik over de zaak dacht en wat mijn beslissing zou worden.

Over de heer [naam] heb ik alleen gezegd dat ik het opvallend vond dat hij een spermabank had en een café. Meer heb ik niet gezegd over deze combinatie die ik nog steeds opvallend vind. Door vragen te stellen over details laat ik aan partijen zien dat ik het hele dossier heb doorgewerkt. Dat is mijn werkwijze. Mogelijk is dit verkeerd gevallen bij verzoekster.

Met mijn opmerking dat er alleen togadragers ter zitting aanwezig waren, heb ik bedoeld dat verzoekster niet aanwezig was. Het klopt dat er ook een stagiaire van mr. Merkus en nog iemand die aan de kant van verzoekster stond aanwezig waren. Als verzoekster wel ter zitting zou zijn verschenen, had ik mogelijk voor een andere woorden of een andere werkwijze gekozen. Ik heb mijn beslissing op heldere, en mogelijk confronterende, wijze naar voren gebracht.

In de stukken heb ik gelezen dat de heer [naam erflater] zich in verschillende rollen en bij diverse stichtingen en andere rechtspersonen actief heeft bezig gehouden op hetzelfde vakgebied van inseminatie en dergelijke. Dat heb ik willen benoemen met mijn opmerking dat de heer [naam erflater] ‘een vinger in de pap wilde houden’. Met die opmerking heb ik niets willen zeggen over de vraag of de heer [naam erflater] wel of niet zou deugen. Het is niet mijn bedoeling geweest om iets ten nadele van de heer [naam erflater] te zeggen. Het is ook geen dragend punt van mijn beslissing. In de conceptbeslissing die ik bij mijn schriftelijke reactie heb gevoegd, heb ik opgeschreven welke punten er toe doen voor mijn beslissing.

De uitdrukking ‘een vinger in de pap houden’ is spreektaal. Een beslissing uitspreken doe ik in spreektaal omdat ik vind dat het recht duidelijk moet zijn.

2.5

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De officier van justitie heeft – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

De zitting waaraan alleen togadragers deelnamen, had een aparte dynamiek. In die dynamiek worden standpunten uitgewisseld op een manier die niet altijd even zakelijk is. Ik plaats de uitlatingen van de rechter in dit perspectief.

De rechter heeft ter zitting ten aanzien van de heer [naam] genoemd dat de combinatie van eigenaar zijn van een spermabank en eigenaar zijn van een café een opmerkelijke combinatie is. Ik begrijp niet waarom verzoekster over deze opmerking valt. Immers, het is een feitelijke constatering dat je die combinatie niet vaak ziet. In deze opmerking van de rechter zie ik dan ook geen schijn van partijdigheid. De andere opmerking van de rechter waar verzoekster haar verzoek op baseert, te weten de opmerking dat de heer [naam erflater] een vinger in de pap wilde houden, heb ik opgevat in de rol die de heer [naam erflater] had in de wereld waarin hij werkte. Ook dit betrof een feitelijke constatering nu de heer [naam erflater] erg actief was in zijn werkveld. Ook deze opmerking heeft mijns inziens dus niet de negatieve connotatie die verzoekster er aan geeft.

Ik ben het niet eens met de aanvullende wrakingsgrond die de raadsvrouw vandaag ter zitting heeft aangevoerd.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat er geen sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en overweegt daartoe als volgt.

Met de gewraakte opmerking van de rechter over de heer [naam] , inhoudende dat het hem vreemd voorkwam dat hij zowel een spermabank als een café had, heeft de rechter willen aangeven dat hij dit een bijzondere combinatie van werkzaamheden vond.

De observatie van de rechter dat de combinatie van caféhouder en bewaarder van lichaamsmateriaal opmerkelijk is, komt de wrakingskamer niet onbegrijpelijk voor.

De rechter heeft toegelicht dat hij met de gewraakte opmerking over ‘een vinger in de pap willen houden’ door de heer [naam erflater] bedoelde dat hem uit het dossier is gebleken dat hij betrokken was geweest bij verschillende stichtingen die actief waren in hetzelfde vakgebied. De rechter heeft met deze opmerking niet beoogd een negatieve opmerking te maken over de persoon van de heer [naam erflater] . Aldus bezien is ook in die uitspraak geen grond voor wraking te vinden, omdat daarmee slechts tot uitdrukking werd gebracht dat de stelling dat de heer [naam erflater] al langer geen bewaarder van lichaamsmateriaal meer was geen stand houdt en dat hem dus geen beroep op verjaring zou zijn toegekomen. Daar komt nog bij dat de uitspraak van de rechter over de rol van de heer [naam erflater] is gedaan in de fase dat de uitwisseling van standpunten was afgerond en dat de rechter was overgegaan tot het globaal formuleren en motiveren van een oordeel over het voorliggende verzoek.

Ter zitting is door de raadsvrouw als aanvullende grond voor het wrakingsverzoek aangevoerd dat in het proces-verbaal van de zitting van 22 november 2017 en de conceptbeslissing van de rechter geen aandacht is besteed aan de uitleg van verzoekster over de reikwijdte van de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal. Deze aanvullende grond mist feitelijke grondslag omdat in de conceptbeslissing hierop wel is ingegaan. Het oordeel over de vraag of de daarbij gegeven motivering toereikend is, komt niet aan de wrakingskamer toe.

Van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid is op deze gronden dus geen sprake. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. W.A.F. Damen.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar en mr. I.K. Rapmund, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2017 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.

Verzonden op:

aan:

- [naam verzoekster] ;

- mr. R.J.E. Merkus;

- mr. W.A.F. Damen;

- mr. R.E.I. Steen.