Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10329

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
539256 / HA RK 17-1079
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. De beoordeling van de vraag of de verdediging een belang heeft bij bepaalde, (nog) niet verrichte onderzoekshandelingen is een waardering door de rechters die de zaak inhoudelijk behandelen, waar de wrakingskamer niet anders in heeft te treden dan langs de weg van de hiervoor omschreven toets. De verzoeken van de verdediging tot het horen van een twaalftal getuigen zijn gedaan in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de start van het onderzoek. Bij de beoordeling van de onderzoekswensen zijn, blijkens de bewoordingen van de beslissing, door de rechters de toepasselijke criteria gehanteerd, te weten dat voor toewijzing sprake moet zijn van een begin van aannemelijkheid van onrechtmatigheden; dat de gestelde en te onderzoeken feiten en omstandigheden relevant zijn voor de ten laste gelegde feiten en dat het (nader) horen van getuigen in dit stadium van het onderzoek noodzakelijk moet zijn. Geen onbegrijpelijke beslissing. Hierbij neemt de wrakingskamer nog in aanmerking dat de mogelijkheid tot het indienen van nadere onderzoekswensen nadrukkelijk is open gehouden door de zogeheten open verwijzing naar de rechter-commissaris, waarbij de rechtbank de rechter-commissaris heeft verzocht om -naast het horen van de toegewezen getuigen- datgene te doen wat hem in het belang van het onderzoek geraden voorkomt.

De stelling van verzoekers dat de rechters geen enkele overweging hebben gewijd aan het feit dat Openbaar Ministerie en politie de - reeds op 17 mei 2017 toegewezen – getuige (en medeverdachte) [naam] meermalen hebben gehoord terwijl de verdediging daar niet bij mocht zijn, mist feitelijke grondslag.

Aan de stelling van verzoekers dat de rechtbank de schijn wekt dat in deze zaak de voortvarendheid prevaleert boven de zorgvuldigheid, kan evenmin een deugdelijke wrakingsgrond worden ontleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummers / rekestnummers: 10/539256 / HA RK 17-1079 ( [naam verzoeker 1] ),

10/539233 / HA RK 17-1077 ([naam verzoeker 2] ) , 10/539205 / HA RK 17-1076 ([naam verzoeker 3] ),

10/ 539251 / HA RK 17-1078 ([naam verzoeker 4] )

Beslissing van 30 november 2017

op de verzoeken van

[naam verzoeker 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam] ,

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen,

[naam verzoeker 2] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht,

[naam verzoeker 3]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam] ,

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen,

[naam verzoeker 4] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen,

hierna te noemen de verzoekers

strekkende tot wraking van:

mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en S. Jordaan, rechters in de rechtbank Rotterdam, team straf 2 (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter pro forma zitting van 2 november 2017 zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, behandeld de nadere onderzoekswensen en de verzoeken ten aanzien van de voorlopige hechtenis in het kader van tegen de verzoekers aanhangig gemaakte strafzaken onder parketnummers

10/960060-17 ( [naam verzoeker 1] ), 10/960179-17 ( [naam verzoeker 2] ), 10/960116-17 ( [naam verzoeker 3] ) en 10/960089-17 ( [naam verzoeker 4] ).

Op 9 november 2017 is er door de rechters een 2de tussenbeslissing houdende meerdere beslissingen gewezen.

Bij faxbericht van 10 november 2017 heeft de mr. Schuurman, de raadsman van [naam verzoeker 1] , de wraking van de rechters verzocht. Het wrakingsverzoek is mede ingediend namens de raadsmannen in de zaken van medeverdachten [naam verzoeker 2] , [naam verzoeker 4] en [naam verzoeker 3] .

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het wrakingsverzoek van 10 november 2017 opgesteld door mr. Schuurman;

- de e-mail van mr. De Leon van 10 november 2017;

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- de 2de tussenbeslissing van de rechtbank van 9 november 2017;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;

- de processen-verbaal van de zittingen van respectievelijk 17 mei, 19 juli, 3 augustus, 23
augustus en 31 augustus 2017;

- reactie op wrakingsverzoek van het Openbaar Ministerie Landelijk Parket
d.d. 21 november 2017 van de officieren van justitie, C. Nij Bijvank en B.S. van Unnik

Verzoeker alsmede de rechters zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 17 november 2017.

Ter zitting van 23 november 2017 alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen:

-raadsman mr. S. Schuurman, namens verzoekers [naam verzoeker 1] (niet verschenen) en [naam verzoeker 3] (niet verschenen);

-verzoeker [naam verzoeker 4] bijgestaan door raadsman mr. S. Schuurman, die waarneemt voor mr.
mr. C.C. Polat;

-verzoeker [naam verzoeker 2] bijgestaan door zijn raadsman mr. L. de Leon;

-gewraakte rechters mr. drs. W.A.F. Damen en mr. E.A. Poppe-Gielesen.

Mr. Schuurman heeft ter zitting aan de hand van een pleitnota het standpunt van verzoekers nader toegelicht. Mr. De Leon heeft zich daarbij aangesloten.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De verdediging wil bij pleidooi betogen dat de start van het onderzoek niet juist is. De rechtbank heeft door de afwijzing van alle onderzoekswensen met betrekking tot de start van het onderzoek daar reeds nu echter al een beslissing op genomen, terwijl de verdediging nog verder handen en voeten aan het pleidooi wenst te geven door onder andere het horen van betrokken personen.

Verzoekers menen dat aan de hand van de feiten en omstandigheden blijkend uit de 2de tussenbeslissing van de rechtbank d.d. 9 november jl. op de onderzoekswensen van de verdediging de schijn van partijdigheid van de rechtbank is gewekt. Deze feiten en omstandigheden wijzen op vooringenomenheid bij de rechtbank.

De rechtbank heeft bij de afwijzing van de onderzoekswensen met betrekking tot het (mogelijke) optreden van [naam getuige] als criminele burgerinfiltrant overwogen “dat er voorshands niet is gebleken van feiten of omstandigheden die in redelijkheid de conclusie kunnen dragen dat er een begin van aannemelijk is die maakt dat de daadwerkelijke inzet/bemoeienis van de Nederlandse politie raakt aan de rechtmatigheid (van de start) van het onderzoek zoals uitgevoerd in Nederland door de Nederlandse politie.

Door de rechtbank wordt in de tussenbeslissing van 9 november jl. een onderscheid gemaakt

in het contact tussen [naam getuige] met de Nederlandse politie enerzijds en met de Belgische politie anderzijds. Als de rechtbank vervolgens bespreekt of [naam getuige] mogelijk als criminele burgerinfiltrant heeft opgetreden te België, concludeert de rechtbank: “Of dat zo is kan verder in het midden blijven, aangezien geen begin van aannemelijkheid bestaat dat daarbij sprake is geweest van directe of indirecte bemoeienis van de Nederlandse politie en/of het Nederlandse Openbaar ministerie”

Deze overweging, is dusdanig onbegrijpelijk, dat er sprake is van een objectieve schijn van vooringenomenheid. Het dossier levert namelijk meer dan genoeg bewijs op voor een begin van aannemelijkheid. Gelet op de zeer duidelijke aanwijzingen in het dossier, de gedetailleerde verklaring van [naam getuige] , de handelwijze van het Openbaar Ministerie, het bekennen van een aantal punten door het Openbaar Ministerie, het schrijven van mr. Lukowski, de door [naam getuige] genoemde namen, het gebrek aan onderzoek naar aanleiding van de verklaringen van [naam getuige] , de duidelijke angst voor vertraging bij de rechtbank en het horen van [naam getuige] buiten de aanwezigheid van de verdediging, is de beslissing van de rechtbank zo onbegrijpelijk dat er redelijkerwijze geen andere verklaring is dan dat de beslissing door vooringenomenheid ingegeven is.

Een ander punt betreft het horen van een toegewezen getuige, te weten [naam getuige] . Ter zitting van 17 mei 2017 heeft de rechtbank het verzoek tot het horen van deze getuige reeds toegewezen. Vervolgens heeft het openbaar ministerie en/of de politie ervoor gekozen om deze toegewezen getuige herhaaldelijk te horen, zonder dat de verdediging hierbij aanwezig mocht zijn. Dit is in strijd met de equality of arms. De verdediging heeft een en ander ook aangekaart op de zitting. De rechtbank heeft hier geen enkele overweging aan gewijd. Het feit dat de rechtbank daar zonder een enkele overweging overheen stapt toont dan ook de vooringenomenheid van de rechtbank.

Tot slot verdient het ook een korte opmerking dat de verdediging zich niet kan onttrekken aan in ieder geval de schijn dat de rechtbank in deze zaak de voortvarendheid laat prevaleren boven de zorgvuldigheid.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

In essentie ziet de wraking op onze inhoudelijke beslissingen op de verzoeken van de verdediging om getuigen te mogen horen. Die beslissingen zijn tot stand gekomen na de gebruikelijke toetsing aan de criteria die daarvoor door de Hoge Raad zijn ontwikkeld. Bij de vraag of getuigen (nader) moeten worden gehoord, behoort -gelet op die rechtspraak- een tweedeling te worden gemaakt tussen getuigen die, kort gezegd, iets over de inhoudelijke zaak (zouden) kunnen vertellen en getuigen die zien op de rechtmatigheid van (de start van) het onderzoek. De wraking lijkt nadrukkelijk te zien op getuigen uit de laatste categorie. Wij hebben in onze beslissing gemotiveerd uiteengezet dat (en waarom) wij van oordeel zijn dat, bij de huidige stand van het dossier, niet is voldaan aan de maatstaf die aanleiding behoort te zijn tot verder onderzoek in de door de verdediging gevraagde zin c.q. het horen van de gevraagde getuigen. De redenen hiervoor zijn uitgebreid verwoord in de tussenbeslissing van 9 november 2017. Dat deze beslissing de verdediging onwelgevallig is kan geen grond voor wraking opleveren. In dat kader merken wij nog op dat [naam getuige] is toegewezen als getuige, en daarbij door de rechtbank geen beperking is aangebracht ten aanzien van de onderwerpen waarover deze getuige kan worden bevraagd.

(…)

Hetgeen is opgemerkt onder punt 18 van het wrakingsverzoek is feitelijk onjuist. Onder punt 4 van de tussenbeslissing heeft de rechtbank uiteengezet waarom zij op dat punt nog geen inhoudelijk oordeel kan geven. Daarnaast merken wij, wellicht ten overvloede, op dat ter zitting van 31 augustus 2017, in aanwezigheid van de verdediging, de officier van justitie reeds heeft gemeld dat [naam getuige] , op diens eigen verzoek, als verdachte in zijn eigen zaak was gehoord en nog nader zou worden gehoord.

2.3

De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Het wrakingsverzoek kan niet anders worden gezien dan een verkapt appel en dient daarom bestempeld te worden als misbruik van het recht op wraking.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Vooropgesteld moet worden dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing. Het is niet aan de wrakingskamer om de beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

3.3

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.4

Dat kan voorts anders zijn indien de motivering van de aangevochten beslissing erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5

De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.6

De beoordeling van de vraag of de verdediging een belang heeft bij bepaalde, (nog) niet verrichte onderzoekshandelingen is een waardering door de rechters die de zaak inhoudelijk behandelen, waar de wrakingskamer niet anders in heeft te treden dan langs de weg van de hiervoor omschreven toets. De verzoeken van de verdediging tot het horen van een twaalftal getuigen zijn gedaan in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van de start van het onderzoek. Bij de beoordeling van de onderzoekswensen zijn, blijkens de bewoordingen van de beslissing, door de rechters de toepasselijke criteria gehanteerd, te weten dat voor toewijzing sprake moet zijn van een begin van aannemelijkheid van onrechtmatigheden; dat de gestelde en te onderzoeken feiten en omstandigheden relevant zijn voor de ten laste gelegde feiten en dat het (nader) horen van getuigen in dit stadium van het onderzoek noodzakelijk moet zijn.

3.7

Tegen die achtergrond is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van de rechters om de verzoeken af te wijzen, mede gelet op de bewoordingen waarin die beslissing is gemotiveerd, niet onbegrijpelijk is, laat staan dat die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissingen door vooringenomenheid zijn ingegeven. Hierbij neemt de wrakingskamer nog in aanmerking dat de mogelijkheid tot het indienen van nadere onderzoekswensen nadrukkelijk is open gehouden door de zogeheten open verwijzing naar de rechter-commissaris, waarbij de rechtbank de rechter-commissaris heeft verzocht om -naast het horen van de toegewezen getuigen- datgene te doen wat hem in het belang van het onderzoek geraden voorkomt.

3.8

De stelling van verzoekers dat de rechters geen enkele overweging hebben gewijd aan het feit dat Openbaar Ministerie en politie de - reeds op 17 mei 2017 toegewezen – getuige (en medeverdachte) [naam getuige] meermalen hebben gehoord terwijl de verdediging daar niet bij mocht zijn, mist feitelijke grondslag. De verdediging heeft haar bezwaren aangevoerd in het kader van de voorlopige hechtenis. Blijkens de tussenbeslissing van 9 november 2017 hebben de rechters onder punt 4 van die beslissing daaraan een overweging besteed.

3.9

Aan de stelling van verzoekers dat de rechtbank de schijn wekt dat in deze zaak de voortvarendheid prevaleert boven de zorgvuldigheid, kan evenmin een deugdelijke wrakingsgrond worden ontleend. Zo aan deze stelling al een zelfstandige betekenis kan worden toegekend, is zij onvoldoende concreet onderbouwd om daaraan de verzochte conclusie te kunnen verbinden.

3.10

De door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden leveren, zowel op zichzelf als in onderling verband beschouwd, niet een grond voor wraking op. Derhalve zal als volgt worden beslist. De verzoeken worden afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en S. Jordaan

Deze beslissing is gegeven door mr. R.R. Roukema, voorzitter en mrs. A. Buizer en H.J.M. van der Kaaij, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2017 in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-