Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10319

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
10/960275-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde: deelneming aan een terroristische organisatie (artikel 140a Sr) dan wel deelneming aan een criminele organisatie (art 140 Sr). Nu niet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de PKK kan evenmin worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van die organisatie, nadat deze verboden was; vrijspraak feit 2. Het enkele aanwezig zijn bij de bijeenkomst is onvoldoende om het (medeplegen van) “werven voor de gewapende strijd” dan wel anderen “trainen voor terrorisme” aan te nemen. Uit het dossier blijkt verder niet dat de verdachte iets heeft gedaan dat kan worden aangemerkt als “werven” in de zin van artikel 205 lid 3 Sr dan wel het trainen van anderen voor terrorisme in de zin van artikel 134a Sr, volgt vrijspraak van het onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960275-12

Datum uitspraak: 22 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] , geboorteland en -plaats onbekend,

zonder vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland,

gemachtigd raadsman mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 6, 7, 8, 9, 15 en 16 november en 22 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdachte wordt samengevat verweten dat hij zich - samen met één of meer anderen dan wel alleen - in de periode van 1 november 2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland en/of elders in Nederland en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk en/of Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/ of Turkije en/of elders in de wereld, kort gezegd heeft schuldig gemaakt aan:

  • -

    het deelnemen aan de organisatie Partiya Karkerên Kurdistan (hierna ook: PKK) die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (feit 1 primair);

  • -

    het deelnemen aan de criminele organisatie PKK (feit 1 subsidiair);

  • -

    het deelnemen aan de voortzetting van de werkzaamheid van de verboden organisatie PKK (feit 2);

  • -

    het werven voor de gewapende strijd van de PKK (feit 3 primair);

  • -

    het (trachten te) verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen en/of bijbrengen van kennis en/of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf (feit 3 subsidiair).

3 Eis officieren van justitie

De officieren van justitie mr. A.C. Kramer en mr. Th.W. d’Anjou hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Inleiding onderzoek Psylocke

Begin november 2012 ontvangt de Landelijk Officier van Justitie Terrorismebestrijding een aantal ambtsberichten van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Daarin wordt gemeld dat de PKK in Nederland actief is. De PKK zou in Nederland bijeenkomsten organiseren met als doel jongeren, ook minderjarigen, te werven voor activiteiten, hen op te leiden en aan de organisatie te binden. In de ambtsberichten wordt een aantal personen die actief zijn voor de PKK bij naam genoemd.

Op 21 november 2012 wordt naar aanleiding hiervan het opsporingsonderzoek “Psylocke” gestart.

Een paar dagen later blijkt dat op korte termijn in een groepsaccommodatie in het dorp [plaats delict] een bijeenkomst zal plaatsvinden met ongeveer 50 personen.

Vanaf 30 november 2012 wordt vertrouwelijke communicatie opgenomen in twee van de groepsruimten van de accommodatie. Die geluidsopnamen (hierna ook aangeduid als: OVC) worden direct uitgeluisterd. Naar aanleiding van de informatie uit die opnamen wordt besloten om in de vroege ochtend van maandag 3 december 2012 alle bij de bijeenkomst aanwezige personen aan te houden.

Die ochtend is de groepsaccommodatie doorzocht en zijn in totaal 55 personen aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij terroristische misdrijven. Onder hen zijn degenen die in de ambtsberichten zijn genoemd. De aangehouden personen zijn van Koerdische afkomst (veelal uit Turkije, Syrië en Iran) en komen uit België, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Zweden en Zwitserland. Alle verdachten worden gehoord.

Negen verdachten zijn op 4 december 2012 voorgeleid aan de rechter-commissaris en in voorlopige hechtenis gesteld. Uiteindelijk is besloten om tegen vier van hen - [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 3] en [naam verdachte] - (verdere) vervolging in te stellen. Ten aanzien van de andere vijf verdachten wordt in oktober 2013 besloten tot sepot.

Op 6 december 2012 zijn de overige 46 personen in vrijheid gesteld.

5 Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft de rechtbank verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, wegens schending van de verdedigingsrechten vanwege het tijdsverloop en wegens het ontbreken van rechtsmacht ten aanzien van feit 1.

5.1.

Gelijkheidsbeginsel


Standpunt verdediging

De beslissing om de zaak tegen de verdachte niet te seponeren, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel aangezien de verdachte zich niet onderscheidt van de personen van wie de zaken wel zijn geseponeerd. Dit onderscheid kan in ieder geval niet gevonden worden in AIVD- of IPOL-informatie, aangezien over andere personen die aanwezig waren bij de bijeenkomst te [plaats delict] en die niet (verder) zijn vervolgd ook AIVD-informatie dan wel IPOL-informatie was binnengekomen en bovendien bij drie van die andere personen ook vermeend belastende zaken zijn aangetroffen.

Beoordeling

De beslissing om al dan niet tot vervolging van een strafbaar feit over te gaan, is neergelegd bij het openbaar ministerie aan wie daarbij op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt. Het in bedoeld artikel verankerde opportuniteitsbeginsel impliceert een belangenafweging tussen enerzijds het algemeen belang dat met de vervolging kan zijn gediend en anderzijds het individuele belang van de verdachte om buiten het strafrechtelijke systeem te blijven. Het instellen of voortzetten van een vervolging in strijd met, onder andere, de beginselen van een goede procesorde - in dit geval het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur - kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het openbaar ministerie in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing in de zaak van verdachte heeft kunnen komen. De rechtbank beantwoordt die vraag in het onderhavige geval bevestigend. Dat het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld is niet aannemelijk geworden.

Het feit dat andere aangehouden verdachten in het onderzoek Psylocke niet (verder) zijn vervolgd, staat op zichzelf niet aan vervolging van de verdachte in de weg. Het openbaar ministerie heeft, op basis van de waardering van de op dat moment bekende informatie, de afweging gemaakt welke van de aangehouden verdachten (verder) vervolgd zouden worden. Deze informatie betrof ambtsberichten van de AIVD ten aanzien van de medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] en informatie van de Duitse opsporingsautoriteiten ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Daarnaast zijn bij de verdachte tijdens de doorzoeking mogelijk belastende goederen aangetroffen en had de verdachte volgens het openbaar ministerie een prominente rol bij de (organisatie van de) bijeenkomst. Het openbaar ministerie heeft in redelijkheid tot deze afweging kunnen komen. Gelet hierop is er geen sprake van rechtens en feitelijk gelijke gevallen waardoor ook in de zaak van de verdachte had moeten worden afgezien van (verdere) vervolging.

5.2.

Overschrijding redelijke termijn

Standpunt verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat sprake is van een uitzonderlijk forse overschrijding van de redelijke termijn die aan het openbaar ministerie en de rechter-commissaris is te wijten. Als gevolg daarvan heeft de verdediging een groot aantal toegewezen getuigen niet kunnen horen. Daardoor is de verdediging niet effectief in de gelegenheid geweest om de verklaringen van deze getuigen op hun betrouwbaarheid te toetsen door middel van het uitoefenen van het ondervragingsrecht. Dit levert een schending op van de beginselen van een goede procesorde zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Beoordeling

Het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. In het onderzoek Psylocke is onvoldoende van dergelijke bijzondere omstandigheden gebleken, zodat twee jaar een redelijke termijn voor de berechting is.

De redelijke termijn vangt aan op het moment dat de verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte op 3 december 2012 kan als een zodanig moment worden aangemerkt, zodat de redelijke termijn op deze datum is aangevangen.

Tussen 3 december 2012 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vijf jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is sprake van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM met een periode van drie jaar.

De Hoge Raad heeft in het richtinggevende arrest van 17 juni 20081, geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak, anders dan de verdediging heeft bepleit, geen aanleiding af te wijken van de lijn van de Hoge Raad. Hoewel de rechtbank de (organisatorische) oorzaken van de vertraging aan de zijde van het openbaar ministerie en de rechtbank betreurt, is een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte door het openbaar ministerie, die ertoe zou moeten leiden dat het openbaar ministerie zijn recht op vervolging heeft verspeeld, niet aannemelijk geworden. De overschrijding van de redelijke termijn kan eventueel in de strafmaat worden gecompenseerd.

De rechtbank volgt de verdediging voorts niet in haar stelling dat zij door de termijnoverschrijding een aantal getuigen niet meer heeft kunnen horen. Een aantal getuigen is onvindbaar gebleken, zodat een directe relatie met de termijnoverschrijding ontbreekt. De overschrijding van de redelijke termijn kan eventueel in de strafmaat worden gecompenseerd.

5.3.

Rechtsmacht

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat rechtsmacht ontbreekt ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De daarin genoemde organisatie richt zich immers niet op het in Nederland verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie, terwijl door de verdachte in Nederland geen misdrijven zijn gepleegd waarop het oogmerk van de organisatie ziet. Ook overigens is er te weinig relatie met de Nederlandse rechtssfeer, terwijl de tenlastegelegde feiten zijn strafbaar gesteld in de titel misdrijven tegen de openbare orde, waarmee primair de Nederlandse openbare orde wordt bedoeld. De verdediging wijst ter onderbouwing van haar standpunt op het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2001 (LJN AD4292) en het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:1082).

Beoordeling

Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Bij deelneming aan een misdrijf geldt daarbij als uitgangspunt dat elke deelnemingsvorm een strafbaar feit oplevert en derhalve een eigen pleegplaats heeft, onafhankelijk van de plaats waar het grondfeit wordt gepleegd. Bepalend voor die eigen pleegplaats is het antwoord op de vraag waar de medepleger zijn bijdrage heeft geleverd. Daarbij moet worden opgemerkt dat soms meerdere plaatsen kunnen worden aangewezen als plaats waar het strafbare feit is begaan. Zo kan bij medeplegen als plaats waar het strafbare feit is begaan niet enkel worden aangemerkt die waar de medepleger zijn bijdrage feitelijk heeft geleverd, maar tevens de plaats waar de pleger één of meer bestanddelen van het delict heeft vervuld.

Uit het door de verdediging genoemde arrest van de Hoge Raad van 18 december 2001 kan niet worden afgeleid dat het voor rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr onvoldoende is dat de feitelijke deelnemingshandelingen in Nederland hebben plaatsgevonden, maar dat ook het oogmerk van de organisatie waaraan zou zijn deelgenomen gericht moet zijn op het in Nederland plegen van strafbare feiten. In de door de Hoge Raad in dat arrest geschetste hypothetische situatie, waren er geen feitelijke handelingen in Nederland verricht. Evenmin kan het standpunt van de verdediging volgen uit het genoemde arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2015, waarin een strafrechtelijke bepaling (artikel 205 Sr) wordt uitgelegd. De vraag naar het bestaan van rechtsmacht is van geheel andere strekking. De rechtbank volgt de verdediging niet in haar stelling dat de tenlastegelegde feiten de Nederlandse rechtssfeer niet raken. De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in Nederland handelingen heeft verricht waardoor hij heeft deelgenomen aan een terroristische/criminele/verboden organisatie. Dat raakt de Nederlandse rechtssfeer en de Nederlandse openbare orde, ook als het oogmerk van de organisatie niet is gericht op het in Nederland plegen van strafbare feiten.

De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in Nederland aan een terroristische dan wel criminele organisatie heeft deelgenomen en een verboden organisatie heeft voortgezet, door in [plaats delict] een bijeenkomst te organiseren, althans daar een belangrijke rol te vervullen. De aan de verdachte verweten feitelijke gedragingen hebben plaatsgevonden in Nederland. Dat maakt dat de strafbare feiten waarvan de verdachte wordt verdacht in Nederland hebben plaatsgevonden. Er is dus rechtsmacht op grond van artikel 2 Sr.

5.4.

Slotsom

Het tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie strekkende verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.

6 Waardering van het bewijs

6.1.

Ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair)

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officieren van justitie hebben daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Van 30 november 2012 tot de inval op 3 december 2012 werd in groepsaccommodatie “ [naam] ” te [plaats delict] een bijeenkomst gehouden. De bijeenkomst betrof een Congres van de Komalen Ciwan Europa. De Komalen Ciwan Europa is de Europese tak van Komalen Ciwan, de jeugdorganisatie van de PKK (een verboden terroristische organisatie). Tijdens die bijeenkomst werd verantwoording afgelegd aan de leiding over activiteiten die de verschillende afdelingen van de jeugdorganisatie hebben ontplooid en er zouden jongeren zijn geworven voor de gewapende strijd van de PKK. De verdachte zou gezien de rol die hij heeft vervuld tijdens de bijeenkomst hebben deelgenomen aan een terroristische organisatie (artikel 140a Sr) dan wel aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Het openbaar ministerie acht daartoe het volgende redengevend.

De verdachte was op 3 december 2012 aanwezig in de groepsaccommodatie te [plaats delict] . De verdachte had een leidende rol tijdens de bijeenkomst in [plaats delict] , omdat hij “ [nickname verdachte] ” is die tijdens de bijeenkomst heeft gesproken. Hij heeft een openingsrede gehouden en heeft opgeroepen tot de gewapende strijd. Daarnaast werd in de kamer waar hij verbleef een tas met 26 mobiele telefoons aangetroffen. Op de OVC is te horen dat de deelnemers aan de bijeenkomst gevraagd wordt om telefoons, MP3 tot en met 10 en USB sticks in te leveren. Deze tas kan daarmee in verband worden gebracht.

Het bewijs dat de verdachte de hem verweten feiten heeft gepleegd, berust voor een groot deel op de overtuiging dat de verdachte als “ [nickname verdachte] ” heeft gesproken tijdens de bijeenkomst te [plaats delict] . Er is sprake van herkenning van de stem van de verdachte op de OVC door twee tolken die de OVC hebben uitgewerkt. Deze herkenning is voldoende betrouwbaar, omdat de tolken ruime ervaring hebben in het luisteren naar sprekende stemmen en zij urenlang naar de stemmen hebben geluisterd.

Beoordeling

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte (opzettelijk) heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie.

Uit bestendige jurisprudentie volgt dat er voor deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie twee vereisten gelden:

  1. een verdachte dient lid te zijn van of te behoren tot het gestructureerde samenwerkingsverband;

  2. een verdachte dient een aandeel te hebben in gedragingen, dan wel gedragingen te ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie2.

Een verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, voorwaardelijk opzet is hierbij niet voldoende. Niet is vereist dat een verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

Ook is niet nodig dat een verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.

Voor wat betreft het eerste vereiste oordeelt de rechtbank dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te concluderen dat de verdachte lid is geweest van of heeft behoord tot de PKK. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de stemherkenning

In het algemeen geldt dat het vergelijken van stemmen moeilijker is wanneer de bronnen van die stemmen verschillen, doordat andere opnameapparatuur is gebruikt of de situaties waaronder de opnames zijn gemaakt niet identiek zijn. Voorts dient van stemherkenning door tolken behoedzaam gebruik te worden gemaakt omdat tolken niet per definitie specifiek deskundig zijn in het herkennen van stemmen en de wijze waarop zij tot hun herkenning komen niet met waarborgen is omkleed.

Bij de bijeenkomst in [plaats delict] waren in ieder geval 55 personen aanwezig. Van de stemmen die op de OVC hoorbaar zijn, is geen spreker identificatie geweest door iemand die bij de bijeenkomst in [plaats delict] was. De tolken die de OVC hebben vertaald, hebben op basis van informatie uit de OVC namen gekoppeld aan specifieke stemmen.

Uit het proces-verbaal van stemherkenning blijkt dat de tolken een Turks gesproken fragment van de OVC dat wordt toegeschreven aan “ [nickname verdachte] ”, vergeleken hebben met een passage uit het opgenomen verhoor van de verdachte. Op basis van deze vergelijking zijn twee tolken Koerdisch/Turks tot de conclusie gekomen dat de stem die zij hebben toegeschreven aan “ [nickname verdachte] ” met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de stem is van de verdachte. Uit de processen-verbaal van stemherkenning blijkt niet waarop de tolken hun conclusie baseren.

Door het NFI is een vergelijkend spraakonderzoek gedaan. Daarbij zijn twee OVC fragmenten vergeleken, een Koerdisch gesproken fragment en een Turks gesproken fragment, die beide volgens het proces-verbaal van de politie zijn toe te rekenen aan de als [nickname verdachte] aangeduide spreker. Het Turks gesproken fragment is het fragment dat ook door de tolken is gebruikt bij de stemherkenning. De beide fragmenten zijn door het NFI vergeleken met het door de tolken beluisterde fragment uit het verhoor van de verdachte. Het NFI concludeert ten aanzien van het Koerdisch gesproken fragment dat de bevindingen iets waarschijnlijker zijn, wanneer dit fragment is geproduceerd door de spreker van het vergelijkingsmateriaal, dan wanneer het fragment is geproduceerd door een andere mannelijke spreker met een vergelijkbare taalachtergrond.

Hierbij merkt de rechtbank op dat op de door het NFI gehanteerde vijfpuntschaal3, “iets waarschijnlijker” de op één na zwakste kwalificatie is. Ten aanzien van het Turks gesproken fragment kon door het NFI geen oordeel worden gegeven over de waarschijnlijkheid van de bevindingen in het licht van de gebruikte twee hypothesen, dit vanwege de matige geluidskwaliteit, het verschil in taalgebruikssituatie en de opnameomstandigheden.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient behoedzaam met de stemherkenning door de tolken te worden omgegaan. De rechtbank plaatst daarbij nog de volgende kanttekeningen. De stemmen die door de tolken en door het NFI zijn vergeleken zijn niet met dezelfde apparatuur opgenomen. Ook de omstandigheden waaronder de stemmen zijn opgenomen zijn niet identiek. Uit het dossier blijkt niet of de tolken bij het uitluisteren van de OVC bij een vermeende herkenning het nieuwe fragment telkens hebben vergeleken met eerder aan dezelfde persoon toegeschreven passages uit de OVC. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat de verschillende fragmenten die aan één spreker zijn toegeschreven, door verschillende personen geproduceerd zijn. Ook blijkt uit het proces-verbaal niet of het fragment uit de OVC zijn vergeleken met de stemmen van de andere (mannelijke) personen die bij de bijeenkomst zijn aangehouden. Hierdoor blijft de mogelijkheid bestaan dat de stem van een andere aanwezige meer lijkt op de stem op de OVC die aan de verdachte is toegeschreven. Bovendien komt het NFI tot de conclusie dat ten aanzien van het Turkse OVC fragment geen uitspraken gedaan kunnen worden vanwege de matige geluidskwaliteit, het verschil in taalgebruikssituatie en de opnameomstandigheden. De stemherkenning door de tolken die niet door enig ander bewijs wordt ondersteund is onvoldoende om buiten redelijke twijfel aan te nemen dat de OVC-fragmenten die zijn toegeschreven aan “ [nickname verdachte] ” door de verdachte zijn geproduceerd.

Ten aanzien van de aangetroffen tas met 26 mobiele telefoons

In de ruimte waar de verdachte sliep is, onder een stapelbed, een tas met 26 mobiele telefoons aangetroffen. De verdachte deelde die slaapruimte met anderen.

De verdachte heeft ontkend dat die tas van hem is. Aan de tas is geen sporenonderzoek verricht en ook overigens is uit de inhoud van het dossier niet gebleken van feiten en of omstandigheden waaruit volgt dat verdachte iets met die tas te maken had.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte op 3 december 2012 aanwezig was bij de bijeenkomst te [plaats delict] . Uit het enkel bijwonen van deze bijeenkomst - ook al zou het een bijeenkomst van de PKK betreffen - kan niet worden afgeleid dat de verdachte lid was van de PKK. Ook is die aanwezigheid onvoldoende om te concluderen dat hij een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de PKK bestaande oogmerk. Niet kan worden vastgesteld dat hij aan die organisatie heeft “deelgenomen” in de hiervoor bedoelde betekenis.4 Dit maakt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde deelneming aan een terroristische organisatie (artikel 140a Sr) dan wel deelneming aan een criminele organisatie (art 140 Sr). De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde.

6.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Van voortzetting van de werkzaamheid van een verboden organisatie kan alleen sprake zijn wanneer is deelgenomen aan de verboden organisatie. Nu niet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan de PKK kan evenmin worden bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van die organisatie, nadat deze verboden was. De rechtbank zal de verdachte eveneens vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

6.3.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3 (primair en subsidiair)

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officieren van justitie hebben daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

De bijeenkomst in [plaats delict] had onder andere tot doel personen te werven voor de gewapende strijd van de PKK. De daar aanwezige deelnemers zijn opgeroepen om deel te nemen aan de gewapende strijd, er is informatie gedeeld over de diverse afdelingen en onderdelen van de PKK en er is gelegenheid geweest tot individueel (informeel) overleg. Verder heeft het werven feitelijk bestaan uit het luisteren naar en ten gehore brengen van liederen die de gewapende strijd als onderwerp hebben en is er propaganda/informatiemateriaal over de PKK verspreid dan wel voorhanden geweest.

Indien de rechtbank het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen acht, heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officieren van justitie hebben daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

De bijeenkomst in [plaats delict] had tot doel het “opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen” (trachten) te verschaffen, dan wel anderen kennis of vaardigheden bij te brengen ten aanzien van deelname aan de PKK. Als betrokkene bij de organisatie van de bijeenkomst heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan in ieder geval het de aanwezigen gelegenheid verschaffen om zich aan te sluiten bij de strijd, inlichtingen te geven over hoe zij zich daarbij aan kunnen sluiten en hen in kennis te stellen van de mogelijkheden daartoe.

Beoordeling

Uit hetgeen hiervoor onder 6.1. is overwogen, volgt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte een rol heeft gehad in de organisatie van de bijeenkomst te [plaats delict] . Het enkele aanwezig zijn bij de bijeenkomst is onvoldoende om het (medeplegen van) “werven voor de gewapende strijd” dan wel anderen “trainen voor terrorisme” aan te nemen. Uit het dossier blijkt verder niet dat de verdachte iets heeft gedaan dat kan worden aangemerkt als “werven” in de zin van artikel 205 lid 3 Sr dan wel het trainen van anderen voor terrorisme in de zin van artikel 134a Sr.

Conclusie

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde, zodat de verdachte daarvan eveneens zal worden vrijgesproken.

7 Subsidiaire verzoeken

Aangezien de rechtbank de verdachte integraal zal vrijspreken, behoeft de rechtbank niet te beslissen op de door de verdediging gedane subsidiaire verzoeken.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 (primair en subsidiair), 2 en 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. C. Laukens en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. J.A.N. Maat en S.J.M. Kokken, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland en/of

elders in Nederland, en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk en/of

Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/of Turkije en/of elders in de wereld

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie (De Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL), die tot oogmerk had het plegen van

terroristische misdrijven (zoals bedoeld in artikel 83 van het WvSr),

te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch

oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 juncto 176a van het Wetboek van

Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft,

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 168

juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel de samenspanning daartoe

en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk vernielen en/of beschadigen van enig gebouw en/of getimmerte

en/of voor het publiek toegankelijke plaats, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor goederen en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit

iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk

(zoals bedoeld in artikel 170 juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan

wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan

en/of de poging daartoe en/of

- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning

daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe

en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het WvSR), (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a WvSr), dan wel de

samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- zware mishandeling (de dood ten gevolge hebbende), (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 302 juncto 304a van het

Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding

en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- zware mishandeling met voorbedachte raad (de dood ten gevolge hebbende),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 303 juncto

304a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van

munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en

31 lid 1 van de Wet wapens en munitie), begaan met een terroristisch oogmerk

en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of

gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet wapens en

munitie), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding

en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland en/of

elders in Nederland, en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk en/of

Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/of Turkije en/of elders in de wereld

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

heeft deelgenomen aan een organisatie (De Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL), die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten;

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft,

(zoals bedoeld in artikel 168 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het opzettelijk vernielen en/of beschadigen van enig gebouw en/of getimmerte

en/of voor het publiek toegankelijke plaats, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor goederen en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit

iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (zoals bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het WvSR) en/of

- zware mishandeling (de dood ten gevolge hebbende)(zoals bedoeld in artikel

302 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- zware mishandeling met voorbedachte raad (de dood ten gevolge hebbende)

(zoals bedoeld in artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van

munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en

31 lid 1 juncto 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie) en/of

- het werven voor gewapende strijd (tegen het Turkse leger), zonder

toestemming van de Koning(in) (zoals bedoeld in artikel 205 Wetboek van

Strafrecht) en/of

- de opzettelijke voorbereiding van de eerder/hiervoor vermelde misdrijven

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland

en/of elders in Nederland, en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk

en/of Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/of Turkije en/of elders in de

wereld,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan de voortzetting van de werkzaamheid van

een organisatie, te weten De Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de

Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL, die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden was

verklaard en/of van rechtswege was verboden en/of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van Boek 10

Burgerlijk Wetboek was afgegeven;

art 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland en/of

elders in Nederland, en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk en/of

Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/of Turkije en/of elders in de

wereld, zonder toestemming van de Koning(in),

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans één maal,

een of meer pers(o)on(en),

heeft geworven voor de gewapende strijd,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

een congres/bijeenkomst georganiseerd

(door

  • -

    een (vergader)ruimte en/of (daarbij behorende) accommodatie te huren en/of

  • -

    één of meer uitnodiging(en) te doen uitgaan/versturen en/of

  • -

    (gezamenlijk) vervoer naar die ruimte/accommodatie te regelen/organiseren

en/of

- een kamerindeling te maken en/of op te stellen en/of

- ( (voor de nachtelijke uren) één of meer wacht- en/of bewakingsrooster(s) te

maken en/of op te stellen en/of

  • -

    in een/die accommodatie kamers in te delen en/of

  • -

    in een/die vergaderruimte en/of (daarbij behorende) accommodatie gedurende

de nachtelijke uren wacht- en/of bewakingstaken uit te (laten) voeren en/of

  • -

    aldaar te voorzien in het bereiden en/of serveren van maaltijden en/of

  • -

    in een/die vergaderruimte een aantal, in elk geval één of meer,

  • -

    vergadering(en) en/of (deel)bijeenkomst(en) te houden en/of te leiden)

en/of

op/tijdens een/dat/die congres/bijeenkomst (telkens)

- de daar aanwezige deelnemer(s) opgeroepen om doel te nemen aan de gewapende

strijd van de Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van

Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL), en/of

- aan de die daar aanwezige deelnemer(s) informatie verstrekt over de

gewapende strijd van de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de

Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL) en/of

- ( (in aanwezigheid van de/die daar aanwezige deelnemer(s)) de stand van zaken

in en/of informatie over diverse afdelingen en/of onderde(e)l(en) van de/die

Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias

Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) besproken en/of

- de/die daar aanwezige deelnemer(s) aan die/dat een/dat/die

congres/bijeenkomst gelegenheid gegeven tot individueel (informeel) overleg

en/of het leggen van (informeel) contact met één of meer leden van de/die

Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias

Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) aangaande de gewapende

strijd van de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van

Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) en/of

- de/die daar aanwezige deelnemer(s) aan die/dat een/dat/die

congres/bijeenkomst gelegenheid gegeven tot het luisteren naar en/of ten

gehore brengen van één of meer lied(eren) die de gewapende strijd van de/die

de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan)

alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) als onderwerp hadden

en/of

- propaganda- en/of informatiemateriaal van en/of over de/die Partiya Karkeren

Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische

Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) voorhanden gehad en/of verspreid

en/of (aan de/die daar aanwezige deelnemer(s) uitgereikt en/of aangereikt

waardoor/waarbij (telkens)

die perso(o)n(en) (geleidelijk aan) werd(en) beïnvloed en/of overreed en/of

overtuigd tot het ondersteunen en/of dienen van en/of deelnemen aan de

gewapende strijd (met een terroristisch oogmerk) van de/die Partiya Karkeren

Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische

Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) in Turkije en/of Irak en/of elders in

de wereld en/of de gewapende strijd (mot een terroristisch oogmerk) van de/die

Partiya Karkeren Kurdistan (PKK,de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias

Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) in Turkije en/of Irak en/of

elders in de wereld en/of de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de

Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL) en/of één of meer aan de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL) gelieerde terroristische organisatie(s), althans (een)

terroristische organisatie(s) die de gewapende strijd voorstaat/voorstaan

werd(en) verheerlijkt en/of aangemoedigd en/of geprezen en/of

die perso(o)n(en) werd(en) aangezet tot deelname aan deze strijd en/of

organisatie terwijl deze gewapende strijd die werd verheerlijkt en/of

aangemoedigd en/of geprezen en/of waarvoor werd geworven, het plegen van een

of meer terroristisch(e) misdrijf/misdrijven inhoudt;

art 205 lid 3 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2012 tot en met 3 december 2012 te [plaats delict] , gemeente Schouwen-Duiveland en/of

elders in Nederland, en/of België en/of Zwitserland en/of Oostenrijk en/of

Frankrijk en/of Duitsland en/of Italië en/of Turkije en/of elders in de wereld

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen,

opzettelijk

een of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

een of meer ander(en) kennis en/of vaardigheden heeft bijgebracht

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter

voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf te weten;

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch

oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 juncto 176a van het Wetboek van

Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of

bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk en wederrechtelijk doen zinken en/of stranden en/of

verongelukken en/of vernielen en/of onbruikbaar maken en/of beschadigen van

een vaartuig en/of voertuig en/of luchtvaartuig, terwijl daarvan levensgevaar

voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft,

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 168

juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan wel de samenspanning daartoe

en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het opzettelijk vernielen en/of beschadigen van enig gebouw en/of getimmerte

en/of voor het publiek toegankelijke plaats, terwijl daarvan gemeen gevaar

voor goederen en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit

iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk

(zoals bedoeld in artikel 170 juncto 176a van het Wetboek van Strafrecht) dan

wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan

en/of de poging daartoe en/of

- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning

daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe

en/of

- moord (zoals bedoeld in artikel 289 van het WvSR), (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289a WvSr), dan wel de

samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of

de poging daartoe en/of

- zware mishandeling (de dood ten gevolge hebbende), (te) begaan met een

terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 302 juncto 304a van het

Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/o£ voorbereiding

en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- zware mishandeling met voorbedachte raad (de dood ten gevolge hebbende),

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 303 juncto

304a van het Wetboek van Strafrecht), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding en/of bevordering daarvan en/of en/of de poging daartoe en/of

- het voorhanden hebben en/of overdragen van één of meer wapens en/of van

munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 en

31 lid 1 van de Wet wapens en munitie), begaan met een terroristisch oogmerk

en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of

gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 5 van de Wet wapens en

munitie), dan wel de samenspanning daartoe en/of voorbereiding

en/of bevordering daarvan en/of de poging daartoe en/of

- het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van

terroristische misdrijven

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

een congres/bijeenkomst georganiseerd

(door

  • -

    een (vergader)ruimte en/of (daarbij behorende) accommodatie te huren en/of

  • -

    één of meer uitnodiging(en) te doen uitgaan/versturen en/of

  • -

    (gezamenlijk) vervoer naar die ruimte/accommodatie te regelen/organiseren

en/of

  • -

    een kamerindeling te maken en/of op te stellen en/of

  • -

    (voor de nachtelijke uren) één of meer wacht- en/of bewakingsrooster(s) te

maken en/of op te stellen en/of

  • -

    in een/die accommodatie kamers in te delen en/of

  • -

    in een/die vergaderruimte en/of (daarbij behorende) accommodatie gedurende

de nachtelijke uren wacht- en/of bewakingstaken uit te (laten) voeren en/of

  • -

    aldaar te voorzien in het bereiden en/of serveren van maaltijden en/of

  • -

    in een/die vergaderruimte een aantal, in elk geval één of meer,

vergadering(en) en/of (deel)bijeenkomst(en) te houden en/of te leiden)

en/of

op/tijdens een/dat/die congres/bijeenkomst (telkens)

- de daar aanwezige deelnemer(s) opgeroepen om deel te nemen aan de gewapende

strijd van de Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van

Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL), en/of

- aan de/die daar aanwezige deelnemer(s) informatie verstrekt over (de

gewapende strijd van) de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de

Arbeiderspartij van Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias

KONGRA-GEL) en/of

- ( (in aanwezigheid van de/die daar aanwezige deelnemer(s)) de stand van zaken

in en/of informatie over diverse afdelingen en/of onderde(e)l(en) van de/die

Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias

Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) besproken en/of

- de/die daar aanwezige deelnemer(s) aan die/dat een/dat/die

congres/bijeenkomst gelegenheid gegeven tot individueel (informeel) overleg

en/of het leggen van (informeel) contact met één of meer leden van de/die

Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan) alias

Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) (aangaande de gewapende

strijd van de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van

Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL)) en/of

- de/die daar aanwezige deelnemer(s) aan die/dat een/dat/die

congres/bijeenkomst gelegenheid gegeven tot het luisteren naar en/of ten

gehore brengen van één of meer lied(eren) die (de gewapende strijd van)

de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van Koerdistan)

alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL) als onderwerp

had(den) en/of

- propaganda- en/of informatiemateriaal van en/of over (de gewapende strijd

van) de/die Partiya Karkeren Kurdistan (PKK, de Arbeiderspartij van

Koerdistan) alias Koerdische Arbeiderspartij (PKK) alias KONGRA-GEL)

voorhanden gehad en/of verspreid en/of (aan de/die daar aanwezige deelnemer(s)

uitgereikt en/of aangereikt;

art 134a Wetboek van Strafrecht

1 ECLI:NL:HR:2008:BC6913.

2 Zie Hoge Raad 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225.

3 ongeveer even waarschijnlijk iets waarschijnlijker waarschijnlijker veel waarschijnlijker zeer veel waarschijnlijker

4 Zie Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657, r.o. 2.5. en 2.6.