Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10299

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
10/682037-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is na het drinken van een flinke hoeveelheid alcohol gaan autorijden. Onderweg heeft de verdachte een tragisch ongeval veroorzaakt. Hij heeft te hard gereden en is de macht over het stuur verloren, waardoor de auto via de berm over een sloot is gevlogen en tegen de slootkant is gebotst. Als gevolg hiervan is de bijrijder, een vriend van de verdachte, overleden. De verdachte heeft veel berouw van zijn handelen. Geen rechtsgevolgen verbonden aan niet voldoen aan eis in art. 14 Besluit Alcoholonderzoeken (oud). De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2018/3 met annotatie van C.J. van Eekelen
VR 2018/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/682037-16

Datum uitspraak: 18 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortdatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. R. Bonis, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs was ingevorderd en ingehouden op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle aan alcohol gerelateerde onderdelen van de tenlastelegging.

Daartoe is aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen, waarin wordt geverbaliseerd dat bloed van de verdachte is afgenomen om te worden onderzocht, en het verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, waarin de resultaten van het bloedonderzoek bekend zijn gemaakt, van het bewijs moeten worden uitgesloten. Op grond van het ten tijde van de verweten gedraging geldende artikel 14 van het Besluit Alcoholonderzoeken dient een in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) genoemde opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig te zijn en op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad dient deze opsporingsambtenaar zijn bevindingen rondom de gang van zaken bij de bloedafname in een proces-verbaal vast te leggen. Aan deze strikte waarborgen rondom het bloedonderzoek is in deze zaak niet voldaan.

Indien de rechtbank de genoemde stukken wel voor het bewijs zal bezigen, geldt het volgende. De hoeveelheid alcohol die in het bloed van de verdachte is aangetroffen, is niet zodanig geweest dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat hij niet meer tot het behoorlijk besturen van een auto in staat moest worden geacht. Ook om die reden dient de verdachte te worden vrijgesproken.

4.1.2.

Beoordeling

Op basis van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast. Op 12 juni 2015 heeft er op de [plaats delict] te Nieuw-Beijerland een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte, bestuurder van zijn personenauto, is rijdend met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, de controle over zijn auto verloren, geslipt en met zijn auto in de berm terechtgekomen. De auto is vervolgens over een sloot gevlogen, met de voorkant tegen de slootkant gebotst en tot stilstand gekomen op de weg achter de sloot. De bijrijder, een vriend van de verdachte, is ten gevolge van het verkeersongeval ter plaatse overleden.

De verdachte is met ernstig letsel naar het ziekenhuis vervoerd, waar een arts bloed van hem heeft afgenomen. Op basis van het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer] constateert de rechtbank dat tijdens de bloedafname bij de verdachte, in strijd met artikel 14 van het Besluit Alcoholonderzoeken, geen opsporingsambtenaar aanwezig is geweest. Dientengevolge is er dus ook geen proces-verbaal over de gang van zaken bij de bloedafname opgemaakt.

De rechtbank stelt vast dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Er wordt echter geen aanleiding gezien om daar rechtsgevolgen aan te verbinden, nu niet is gebleken dat de verdachte door dit vormverzuim op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad.
De geschonden bepaling (artikel 14 van het Besluit Alcoholonderzoeken) beoogt te vermijden dat er misverstanden ontstaan over de vraag of het onderzochte bloedmonster daadwerkelijk van de verdachte afkomstig is. De rechtbank heeft op basis van het dossier geen enkele reden om te twijfelen of het door het NFI verrichtte bloedonderzoek is uitgevoerd met het bloed dat bij de verdachte is afgenomen.

Daar komt nog bij dat de verdachte toestemming heeft gegeven om zijn bloed door het NFI te laten onderzoeken.

Het verweer wordt verworpen.

Ook het subsidiaire verweer wordt verworpen. Het is een algemene ervaringsregel dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid kan verminderen, doordat alcohol het reactievermogen vermindert. Uit het bloedonderzoek blijkt dat de verdachte een alcoholgehalte van 1,05 promille in zijn bloed had. Dit is meer dan twee keer de wettelijk maximaal toegestane hoeveelheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat hij door zijn alcoholinname niet in staat zou kunnen zijn om zijn auto behoorlijk te besturen.

De verdachte zal worden vrijgesproken van het verwijt dat hij is gaan rijden na het gebruik van THC en midazolam, nu er slechts zeer lage concentraties van deze stoffen zijn gemeten in het bloed van de verdachte en het dossier bovendien geen bewijs bevat waaruit blijkt dat het gebruik van deze middelen op enige wijze heeft bijgedragen aan het ongeval.

4.1.3.

Conclusie

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich zodanig als verkeersdeelnemer heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden, namelijk door de controle over zijn auto te verliezen, waardoor de auto is geslipt, in de berm terecht is gekomen, over een sloot is gevlogen, tegen de slootkant is gebotst en op de weg achter de sloot tot stilstand is gekomen, terwijl de verdachte reed met een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan en twee keer zoveel had gedronken als wettelijk maximaal was toegestaan, ten gevolge waarvan [naam slachtoffer] is overleden.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op 12 juni 2015 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed 1,05 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg en hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en

-hij, verdachte, door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,
ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en in een flauwe bocht naar links, rijdend met een snelheid gelegen tussen 87 en 100 km/u, zijnde een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, de controle over het voertuig is verloren en is geslipt en in de berm is terechtgekomen en met een snelheid gelegen tussen 60 en 68 km/u over een sloot is gevlogen, met de voorzijde van het voertuig tegen de slootkant is gebotst en op de achter die sloot gelegen weg tot stilstand is gekomen,

waardoor [naam slachtoffer] , passagier in dat voertuig, werd gedood;

2.

hij op 12 juni 2015 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol (te weten 1,05 mg/ml (=promille), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

de eendaadse samenloop van

1 primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet;

2
overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is op 12 juni 2015, na het drinken van een flinke hoeveelheid alcohol, met een vriend in zijn auto gestapt en gaan rijden. Onderweg heeft de verdachte een tragisch ongeval veroorzaakt. Hij heeft te hard gereden en is de macht over het stuur verloren, waardoor de auto via de berm over een sloot is gevlogen en tegen de slootkant is gebotst, als gevolg waarvan zijn vriend is overleden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij na het drinken van teveel alcohol in zijn auto is gaan rijden en daarmee een onaanvaardbaar risico heeft genomen, dat zich ook heeft verwezenlijkt. De verdachte heeft door zijn handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring die door de moeder van het slachtoffer op de terechtzitting is voorgelezen. De dood van het slachtoffer heeft een groot verdriet bij de nabestaanden veroorzaakt en het gemis zal hun leven voor altijd tekenen.

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat de verdachte, hoewel hij zich niets meer van de dag van het verkeersongeval kan herinneren, veel berouw van zijn handelen heeft. De verdachte heeft verklaard dat hij nog dagelijks lijdt onder de gevolgen van het ongeval. Hij mist zijn vriend ontzettend. Hij voelt zich verantwoordelijk voor hetgeen er is gebeurd en heeft geregeld contact met de moeder en de vriendin van het slachtoffer. De verdachte heeft contact gezocht met een maatschappelijk werker om het verlies te kunnen verwerken.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiƫle documentatie van
16 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 oktober 2016. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

De rechtbank ziet zich in een dergelijke zaak voor de lastige taak gesteld het recht juist toe te passen en een daarbij behorende straf op te leggen, zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van de nabestaanden. De rechtbank realiseert zich dat geen straf recht zal doen aan het grote verdriet dat de verdachte bij de nabestaanden heeft veroorzaakt, maar er moet wel een passende reactie volgen op de fout die door hem is gemaakt.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Zij heeft bij het formuleren van haar eis aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde landelijke oriƫntatiepunten voor straftoemeting.

Al het vorenstaande afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de door de officier van justitie gevorderde straffen passend en geboden is.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdentachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W.H. van den Emster, voorzitter,

en mrs. R.M. van Vuure en L. Amperse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2017.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met

aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden

op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , welk genoemd

rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig

gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed 1,05

milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde

in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet

1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van

hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met groot licht en zeer dicht achter een ander voertuig heeft gereden (zogenaamd "kleven") en dat voertuig met scherpe (haakse) stuurbewegingen heeft ingehaald en/of

(na die inhaalmanoeuvre) in een flauwe bocht naar links, rijdend met een snelheid gelegen tussen 87 en 100 km/u, zijnde een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, de controle over het voertuig is verloren en is geslipt en (meermalen) in de berm is terechtgekomen en met een snelheid gelegen tussen 60 en 68 km/u over een sloot is gevlogen, met de voorzijde van het voertuig tegen de slootkant is gebotst en op de achter die sloot gelegen weg tot stilstand is gekomen,

waardoor [naam slachtoffer] , passagier in dat voertuig, werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, (bovendien) met dat motorrijtuig is gaan rijden na gebruik van drugs en/of geneesmiddelen, te weten THC en midazolam;

artikel 8, 1e lid, en

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed 1,05 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) een voertuig is gaan besturen en blijven besturen en/of

met groot licht en zeer dicht achter een ander voertuig heeft gereden

(zogenaamd "kleven") en dat voertuig met scherpe (haakse) stuurbewegingen heeft ingehaald en/of

(na die inhaalmanoeuvre) in een flauwe bocht naar links, rijdend met een snelheid gelegen tiissen 87 en 100 km/u, zijnde een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, de controle over het voertuig is verloren en is geslipt en (meermalen) in de berm is terechtgekomen en met een snelheid gelegen tussen 60 en 68 km/u over een sloot is gevlogen, met de voorzijde van het voertuig tegen de slootkant is gebotst en op de achter die sloot gelegen weg tot stilstand is gekomen;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Nieuw-Beijerland, gemeente Korendijk, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol (te weten 1,05 mg/ml (=promille), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994