Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10293

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
10/701100-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/701100-17

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West – De Dordtse Poorten, Dordrecht,

raadsman mr. P. Verweijen, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    de oplegging van de bijzondere voorwaarden (i) dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, (ii) dat de verdachte zich op basis van een indicatiestelling zal laten opnemen in een forensisch verslavingskliniek, (iii) dat de verdachte na klinische behandeling in een nader te bepalen begeleide woonvoorziening of een soortgelijke instelling zal verblijven, (iv) dat de verdachte zich niet zal ophouden in de nabijheid van het supermarkt Dirk van den Broek aan het [adres delict] te Rotterdam, (v) dat de verdachte zal meewerken aan elektronisch toezicht;

  • -

    de dadelijk uitvoerbaarheid van de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij niet echt gedreigd heeft met geweld, want het schaartje dat hij in zijn hand hield en waarmee hij stekende bewegingen maakte is hiervoor niet geschikt. Hij heeft de camerabeelden bekeken en hieruit blijkt dat beide medewerkers niet van hem onder de indruk waren. Een volgende klant werd gewoon geholpen. Daarnaast ging het hem om hulp. Hij is een dakloos zwerver en dacht door het plegen van een ernstig delict “van de straat” te worden gehaald.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 15 mei 2017 in de winkel van Dirk van der Broek te Rotterdam de medewerkers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met een voorwerp. De verdachte hield dit in de richting van voormelde medewerkers en riep daarbij om geld. Verdachte is door medewerkers buiten de winkel gebracht en op straat opgehouden tot de komst van de politie.

Voornoemde medewerkers hebben tegenover de politie aangifte gedaan. Daarbij hebben zij verklaard dat zij schrokken van de bewegingen in hun beider richting en dat zij zich hierdoor bedreigd hebben gevoeld. Aangever [naam slachtoffer 2] meende de punt van een mes te hebben gezien.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat, ingeval de medewerkers hem geld zouden hebben gegeven, hij hiermee zich uit de voeten zou hebben gemaakt. Hiermee staat vast dat het opzet van de verdachte in ieder geval ook gericht was op het behalen van geldelijk voordeel.

Op grond van het vorenstaande staat vast dat de verdachte heeft gepoogd om met bedreiging van geweld [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van geld. Doordat medewerkers van Dirk van der Broek de politie hebben gebeld, de verdachte buiten de winkel hebben gebracht en daar hem hebben opgehouden, hebben zij dit kunnen voorkomen. Dat verdachte met het plegen van dit delict er op hoopte om gearresteerd te worden, doet aan het plegen van het delict zelf niet af. De rechtbank acht de tenlastegelegde afpersing bewezen.

4.2

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 15 mei 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan Dirk van den Broek,

- een (nagel)schaar/tang heeft getoond aan en gericht (gehouden) naar genoemde [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en met die (nagel)schaar/tang een beweging te maken in de richting van die [naam slachtoffer 2] en heeft gezegd:

* "Geld, geld. Nu!" en

* "Ik wil geld" en

* "Kijk, dit heb ik",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Poging tot afpersing.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het handelen van verdachte de lichtste vorm is van een poging tot afpersing. Daar dient de straf op afgestemd te zijn. De verdachte is bereid en gemotiveerd om zich met betrekking tot zijn verslaving klinisch te laten behandelen. De raadsman legt een email over van een reclasseringswerker van Bouman GGZ, d.d. 10 augustus 2017. Hieruit blijkt van de mogelijkheid tot een indicatiestelling voor klinische zorg in een FVK met een hoog beveiligingsniveau en grote zorgintensiteit zoals Basalt of Piet Roorda. De behandelduur zal dan negen tot twaalf maanden duren. Na een succesvolle klinische opname kan eventueel plaatsing in een woonvoorziening volgen. De verdediging verzoekt de rechtbank dit behandeltraject als bijzondere voorwaarde op te nemen in een deels voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf. De verdachte is hiertoe gemotiveerd. Daarnaast verzoekt de raadsman om aan de verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan gevorderd.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

Afpersing van personen is een ernstig feit, omdat geweld tegen een persoon een inbreuk maakt op diens lichamelijke integriteit. Tevens heeft de verdachte een inbreuk willen maken op de eigendomsrechten van een ander door geld te eisen. Kwalijk daarbij is dat dit handelen van verdachte voor iedereen zichtbaar heeft plaatsgehad. Dit soort feiten is in het algemeen zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte de personen, tegen wie hij zijn bedreiging heeft geuit, angst aangejaagd.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 juli 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder voor het plegen van vermogensdelicten is veroordeeld.

Rapportage

Bouwman GGZ heeft ook een reclasseringsadvies geschreven, d.d. 14 juli 2017, waarin wordt gesproken over de alcoholverslaving van de verdachte en zijn behandelingstrajecten. Verdachtes agressieve bejegening tijdens de behandelingen leidde er soms toe dat deze voortijdig zijn beëindigd. Verdachte is in de laatste periode dakloos, werkloos en zwervend. De reclassering adviseert onder meer een klinische behandeling. Daaraan zijn doelstellingen en voorwaarden verbonden. Dadelijke uitvoerbaarheid wordt geadviseerd, gezien het hoge recidiverisico.

De rechtbank neemt de in dit advies opgenomen conclusies en bevindingen over.

Slotsom

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende slotsom.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De knullige uitvoering van het bewezenverklaarde handelen geeft de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist en om het voorstel van de verdediging te volgen.

De reclassering acht begeleiding van de verdachte en bijzondere voorwaarden daartoe noodzakelijk. Daarom zal de rechtbank een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met bijzondere voorwaarden zoals hierna aan te geven. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De bijzondere voorwaarden houden onder meer in dat verdachte - na een verkregen indicatiestelling - zich zal doen opnemen voor een klinische behandeling in een FVK zorginstelling met een behandelverplichting in een gesloten setting. Na een succesvolle afronding hiervan zal verdachte zich doen opnemen in een instelling voor begeleid wonen. Een en ander, zoals blijkt uit hetgeen Bouman GGZ in voormelde email heeft aangegeven. Deze reclasseringsinstelling zal met de uitvoering en het toezicht hiervan worden belast.

Gezien het bewezenverklaarde feit en het gegeven dat de kans op recidive hoog is, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om die redenen zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

De in beslag genomen nagelknipper en nageltang zullen worden verbeurd verklaard, nu deze voorwerpen de verdachte toebehoren en het bewezen feit met behulp van deze voorwerpen is begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 33, 33a, 45, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich melden bij Bouman GGZ, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dit noodzakelijk vindt, en zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

  • -

    de veroordeelde zal zich voor behandeling van zijn problematiek klinisch laten opnemen in een Forensische Verslavings Kliniek, althans een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, en zal zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven;

  • -

    de veroordeelde zal, na een positieve afloop van de klinische behandeling, verblijven in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zal zich houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde wordt verplicht om zich in te spannen voor het regelen van zijn praktische zaken, of hier medewerking aan te verlenen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd: een nagelknipper en een nageltang.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J. Snitker en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Salah-Hashim, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij of omstreeks 15 mei 2017 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] te

dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dirk van den Broek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan Dirk van den Broek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- een (nagel)schaar/tang heeft getoond aan en/of gericht (gehouden) naar genoemde [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of met een/die (nagel)schaar/tang (een) (stekende) beweging(en) te maken in de richting van die [naam slachtoffer 2] en/of

- ( daarbij) heeft gezegd:

* "Geld, geld. Nu!" en/of

* "Ik wil geld" en/of

* "Kijk, dit heb ik",

althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht