Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10292

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
11-01-2018
Zaaknummer
10/177519-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/177519-15

Datum uitspraak: 28 september 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. L.M. Verkuil, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 september 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen vervangende hechtenis;

  • -

    ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Vaststaande feiten

Bij de beoordeling van de bewijsvraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De verdachte heeft op 21 maart 2015 als bestuurder van een Volkswagen personenauto gereden op de Westlandseweg,in Vlaardingen, komende uit de richting van de Delftseveerweg en gaande in de richting van de Marathonweg. Hij heeft het kruispunt van de Westlandseweg met de Burgermeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel rechtdoorgaand overgestoken. Op deze kruising staan stoplichten. Ter hoogte van de oversteekplaats aan de noordzijde van de kruising heeft de verdachte een bestuurder van een bromfiets die de Westlandseweg overstak aangereden. Deze bestuurder (hierna ook: [naam slachtoffer 1] ) is als gevolg van deze aanrijding overleden. Zijn bij de aanrijding weggeslingerde bromfiets heeft een voetganger (hierna ook: [naam slachtoffer 2] ) en zijn hond geraakt, die beiden letsel hebben opgelopen.

4.2

Standpunt verdediging

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij door groen licht is gereden. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, nu niet vastgesteld kan worden dat de verdachte door rood licht heeft gereden. Daartoe heeft zij - kort weergegeven - aangevoerd dat er geen getuigen zijn die gezien hebben dat de verdachte het rode licht heeft genegeerd, er geen logbestanden van de verkeersregelinstallatie beschikbaar zijn, en uit de overige bewijsmiddelen evenmin geconcludeerd kan worden dat de verdachte rood licht had, nu er in de uitgevoerde onderzoeken teveel normatieve veronderstellingen zijn ingebouwd. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte verwijtbaar onvoorzichtig rijgedrag heeft vertoond.

4.3

Beoordeling

Naar aanleiding van het ongeval is een verkeersongevallenanalyse opgemaakt. Hieruit is gebleken dat ten tijde van de aanrijding de verkeersregelinstallatie in werking was en dat er geen sprake was van storingen. Uit de conflictenmatrix is gebleken dat de fase waar de verdachte reed (fase 2) en de fasen van de bromfietser en voetganger (respectievelijk fase 26 en fase 36) conflicterend zijn; door een elektronische beveiliging kunnen conflicterende fasen nooit gelijktijdig geel en/of groen licht vertonen. De minimale ontruimingstijd tussen de fase 2 en de fasen 26 en 36 is 5 seconden. Vastgesteld kan worden dat het niet mogelijk is dat de verdachte (de bestuurder van de Volkswagen) en [naam slachtoffer 1] (de bestuurder van de bromfiets) en [naam slachtoffer 2] (de voetganger), zich tegelijkertijd op het conflictvlak hebben bevonden, zonder dat één van hen (de verdachte respectievelijk [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] ) het voor hen bedoelde verkeerslicht, dat rood uitstraalde, heeft genegeerd.

[naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij met zijn hond vanaf het voetpad van de Burgermeester Heusdenlaan richting de kruising bij de Westlandseweg liep. Hij heeft daar samen met de bromfietser ( [naam slachtoffer 1] ) bij het verkeerslicht gestaan. Toen het verkeerslicht voor hen op groen sprong, staken zij beiden het kruispunt over. De verklaring van [naam slachtoffer 2] , dat hij overstak toen de verkeerslichten voor hem en [naam slachtoffer 1] op groen stonden, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [naam getuige 1] , die als voetganger vanuit de tegenovergestelde richting de Westlandseweg overstak. Hij hoorde de verkeerslichten voor voetgangers ‘klingelen’, zag dat de lichten op groen stonden en zag tegenover hem, aan de overkant een man met een hond staan, die al een stap op de oversteekplaats had gezet.

Getuige [naam getuige 2] , die met zijn personenauto op de Westlandseweg stond en linksaf richting de Burgemeester Heusdenslaan wilde afslaan, heeft verklaard dat hij voor een rood stoplicht stond te wachten toen hij het ongeluk heeft waargenomen. De verkeerslichten voor rechtdoor naast hem stonden ook op rood. Getuige [naam getuige 3] , die ook aan de andere kant van de Westlandseweg stond, heeft verklaard dat hij vanuit de tegenovergestelde richting een witte auto de kruising op zag rijden, terwijl zijn verkeerslicht nog op rood stond. Deze verklaringen ondersteunen de verklaring van [naam slachtoffer 2] , nu de fase waarop [naam getuige 2] stond (fase 9) conflicterend is met fase 36 ( [naam slachtoffer 2] ) en fase 26 ( [naam slachtoffer 1] ) en de fase waarop [naam getuige 3] stond eveneens conflicterend is met deze fasen, maar niet met fase 2 (de verdachte).

Deze verklaringen in onderling verband en samenhang bezien, maken dat geoordeeld moet worden dat de verdachte door rood licht reed. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen de eerdergenoemde verkeersongevallenanalyse waarin is geconcludeerd dat het ‘zeer waarschijnlijk’ is dat het verkeerslicht in de rijrichting van de verdachte rood licht heeft uitgestraald toen hij het kruispunt overstak. Het ontbreken van zogenaamde ‘faselogbestanden’ doet aan deze conclusie niet af.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een rood verkeerslicht heeft genegeerd.

Uit het verkeersongevallenonderzoek is bovendien gebleken dat verdachte heeft gereden met een indicatiesnelheid van 34 km/uur en dat hij zich circa 25 meter voor de stopstreep bevond op het moment dat het verkeerslicht in zijn richting rood licht ging uitstralen. Hieruit volgt dat het verkeerslicht van de verdachte al enige tijd op rood licht heeft gestaan voordat hij het passeerde. Voorafgaand aan rood licht, moet het verkeerslicht geel licht hebben getoond, iets dat de verdachte dus kennelijk ook heeft genegeerd. Daarnaast heeft de getuige [naam getuige 4] verklaard dat de verdachte naar links heeft gekeken toen hij het kruispunt is overgestoken, waardoor, zo kan daaruit worden opgemaakt, hij niet heeft opgemerkt dat er een bromfietser en een voetganger de weg voor hem overstaken en vervolgens de aanrijding heeft plaatsvonden. De verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam aan het verkeer deelgenomen.

Het onder 1 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.4

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 21 maart 2015 te Vlaardingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig, aanmerkelijk, onvoorzichtig en/ onoplettend en/ onachtzaam te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en daarbij zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en (vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser, als gevolg waarvan die bromfietser ten val is gekomen en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt, waardoor die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer 1] , werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft op 21 maart 2015 door rood licht gereden en daardoor een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt. Daarnaast is een voetganger en diens hond gewond geraakt.

Door zijn handelswijze is heeft de verdachte de nabestaanden van het overleden slachtoffer groot en onherstelbaar leed toegebracht, zoals ook blijkt uit de door de weduwe van het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank vindt dit een ernstig feit waarop een straf dient te volgen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

29 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De verdachte heeft ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat het ongeval ook op hem een grote impact heeft gehad. Hij heeft verklaard het zichzelf kwalijk te nemen dat hij de slachtoffers niet heeft gezien. Ook heeft hij een nieuwe baan gezocht, doordat zijn oude werkplek op het desbetreffende kruispunt uitkeek. Daarnaast heeft hij contact gezocht met de nabestaanden van het overleden slachtoffer en ook met het andere slachtoffer, teneinde zijn medeleven te betuigen. De verdachte heeft zijn rijbewijs nodig om zijn werk te kunnen behouden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

In het algemeen is in zaken als deze een combinatie van een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) aan de orde. Uit de oriëntatiepunten ter zake van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar kan worden opgelegd.

De rechtbank zal alles overziend, waaronder de ouderdom van de zaak, aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 160 uren opleggen. Daarnaast zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van één jaar. De rechtbank ziet echter, gelet op, weer het tijdsverloop in deze zaak en de grote gevolgen die een langdurig verlies van het rijbewijs voor de verdachte zal hebben, reden om de ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van honderdzestig (160) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van tachtig (80) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één (1) jaar en bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en A.B. Baumgarten, rechters,

in tegenwoordigheid van S. Salah-Hashim, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Vlaardingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en/of (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en/of (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en/of die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of (vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser, als gevolg waarvan die bromfietser ten val is gekomen en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt, waardoor die bromfietser, genaamd [naam slachtoffer 1] , werd gedood;
(art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 maart 2015 te Vlaardingen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Westlandseweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, in strijd met een voor zijn, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht de kruising (van die Westlandseweg met de Burgemeester Heusdenslaan en de Burgemeester Pruissingel) is opgereden en rechtdoorgaand is overgestoken en/of(daarbij) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer vóór hem heeft gehouden en/of (aldus rijdende) niet heeft opgemerkt dat een bromfietser en een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwamen, zich inmiddels op de voor hen bestemde oversteekplaatsen bevonden terwijl de voor hen geldende verkeerslichten groen licht uitstraalden en/of die bromfietser en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of(vervolgens) op de (brom)fietsoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met die bromfietser en de voetganger en diens aangelijnde hond door de over het wegdek glijdende bromfiets werden geraakt.
(art 5 Wegenverkeerswet 1994 )