Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10284

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-12-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
C/10/525924 / FT EA 17/929
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek toelating schuldsaneringsregeling afgewezen. Onduidelijkheid over alimentatievordering. Vrees voor niet-nakoming verplichtingen. Geen wending ten goede nu verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zich onder beschermingsbewind te laten stellen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 8 december 2017

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 1 mei 2017 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 3 augustus 2017.

2 De feiten

Ter terechtzitting is de behandeling aangehouden tot 1 december 2017 om verzoeker in de gelegenheid te stellen zich onder beschermingsbewind te laten stellen. In de brief van de rechtbank van 3 augustus 2017, waarin dit aan verzoeker is bevestigd, staat dat hij uiterlijk op 2 november 2017 de beschikking waarbij het beschermingsbewind is uitgesproken aan de rechtbank moest sturen alsmede een verklaring van de beschermingsbewindvoerder waaruit blijkt dat die akkoord is met het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering. Indien het niet mogelijk zou zijn deze stukken tijdig toe te sturen, diende verzoeker in elk geval op die datum te laten weten wat de stand van zaken is met betrekking tot de aanvraag. Verzoeker is uitgenodigd om op 1 december samen met zijn beschermingsbewindvoerder opnieuw ter zitting te verschijnen.

Op 10 oktober 2017 heeft de rechtbank een e-mail ontvangen van mevrouw [naam 2] , vrijwilliger bij Humanitas, met als bijlage onder meer een aanmeldformulier voor meerderjarigenbewind. Vervolgens heeft de rechtbank op 20 november 2017 een e-mail ontvangen van de beoogd beschermingsbewindvoerder mevrouw [naam 3] van de Stichting HFH. Mevrouw [naam 3] schrijft dat het, ondanks diverse pogingen daartoe, niet is gelukt een intakegesprek voor de aanvraag beschermingsbewind in te plannen met verzoeker, en dat het ook de begeleiding niet is gelukt om contact te leggen. Volgens mevrouw [naam 3] is in 2014/2015 door haar kantoor ook al inkomensbeheer uitgevoerd voor verzoeker; dit is echter opgeheven omdat het ook toen niet mogelijk was contact te leggen met verzoeker en omdat hij niet meewerkte aan de verzoeken die werden gedaan. Mevrouw [naam 3] stelt dat zij daarom erg terughoudend is in de bereidheid het dossier aan te nemen en dat dit zonder contact met verzoeker ook niet kan worden beoordeeld. Mevrouw geeft tot slot aan dat zij niet ter zitting aanwezig zal zijn.

Ter zitting van 1 december 2017 is niemand verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

3 De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.

De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.

Verzoeker heeft schuld aan de gemeente Rotterdam van € 22.111,85. Volgens verzoeker heeft deze vordering betrekking op alimentatie. Desgevraagd kon verzoeker niet toelichten waarom deze schuld is ontstaan (nu de alimentatierechter doorgaans rekening houdt met de financiële situatie van de alimentatieplichtige); evenmin was duidelijk of nog sprake is van een lopende alimentatieverplichting. In de aanhoudingsbrief van 3 augustus 2017 was daarom aangegeven dat op de zitting van 1 december 2017 ook nader op deze schuld zou worden ingegaan. Bij de e-mail van mevrouw [naam 2] van 10 oktober 2017 is een e-mail van de gemeente Rotterdam bijgesloten waaruit blijkt dat de vordering inderdaad € 22.111,85 bedraagt en dat er op dit moment geen partner – en of kinderalimentatie wordt geïncasseerd. Daarmee is echter nog niet duidelijk waarom deze schuld is ontstaan. De rechtbank had op de zitting van 1 december 2017 ook nader geïnformeerd willen worden over de exacte ontstaansperiode. Weliswaar staat op de lijst dat de schuld op 1 mei 2012 is ontstaan, maar het is gelet op de hoogte en de aard van de schuld niet aannemelijk dat dit klopt. Nu zowel over de reden van het ontstaan van deze schuld als de exacte ontstaansperiode informatie ontbreekt, komt de rechtbank het oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze schuld te goeder trouw is ontstaan dan wel onbetaald gelaten. Voor zover de schuld is ontstaan of onbetaald gelaten in de periode van vijf jaar voor de indiening van het onderhavige verzoekschrift, staat dit aan toelating in de weg.

Verzoeker heeft daarnaast een schuld bij het CJIB van € 697,-. Volgens het overzicht van het CJIB van 9 november 2017 heeft deze schuld betrekking op een verkeersboete die is ontstaan in 2015. Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw ontstaan.

Verzoeker heeft ook een schuld aan de Belastingdienst. Volgens het overzicht van de Belastingdienst van 31 juli 2017 gaat het om een bedrag van € 6.141,- en heeft de schuld betrekking op ten onrechte ontvangen huurtoeslag over de jaren 2014, 2015 en 2016, op inkomstenheffing en ten onrechte ontvangen zorgtoeslag over 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is ook deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.

Voormelde schulden staan aan toelating in de weg.

Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven het al geruime tijd lastig te vinden om rond te komen en problemen te hebben om zelf de administratie te regelen. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de informatieverplichting, de afdrachtverplichting en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan. Ook dit staat aan toelating in de weg.

Daarom heeft de rechtbank verzoeker ter terechtzitting van 3 augustus 2017 in overweging gegeven zich onder beschermingsbewind te laten stellen. Het laten instellen van beschermingsbewind zou kunnen worden aangemerkt als een omstandigheid die in een voor verzoeker positieve zin zou kunnen meewegen bij de beantwoording van de vraag of verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw). Bovendien zou de aanwezigheid van een beschermingsbewindvoerder bij de rechtbank de vrees kunnen wegnemen dat verzoeker niet alle verplichtingen uit de schuldsanering naar behoren kan nakomen. Verzoeker heeft ter terechtzitting van 3 augustus 2017 verklaard bereid te zijn om zich onder beschermingsbewind te laten stellen en de rechtbank heeft het verzoek is in afwachting daarvan aangehouden.

Verzoeker heeft tot op heden geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van beschermingsbewind. Uit de e-mail van mevrouw [naam 3] van 20 november 2017 maakt de rechtbank op dat er ook niet op korte termijn sprake zal zijn van beschermingsbewind. Integendeel, het is nog maar de vraag of verzoeker hier nog mee bezig is.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van N.H.G. Smits, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 december 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.