Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10273

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
10/754512-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/754512-17

Datum uitspraak: 24 oktober 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de PI Rijnmond, Professor Jonkersweg 7 te Rotterdam,

raadsman mr. C.P. Timmers, advocaat te Sommelsdijk.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Blom heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 2

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. In tegenstelling tot wat de verdachte heeft verklaard, staat op het rijbewijs het jaar 2015 als afgiftedatum. Daarnaast heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd.

4.1.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Daartoe overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte de wetenschap had dat zijn rijbewijs vals was.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Vaststaande feiten

De verdachte is in zijn auto, samen met medeverdachte [naam medeverdachte] , vanuit Italië naar Hoek van Holland in Nederland gereden. De verdachte en zijn passagier waren op weg naar het Verenigd Koninkrijk. Tijdens de boeking van de boottocht naar het Verenigd Koninkrijk bleek zowel de identiteitskaart als het paspoort van [naam medeverdachte] , welke beide op naam van [naam 1] gesteld waren, vals/vervalst te zijn en een valse naam te bevatten. Bij nader onderzoek bleek de daadwerkelijke naam van de passagier te zijn [naam medeverdachte] , geboren op [geboortedatum medeverdachte] te [geboorteplaats medeverdachte] ( [geboorteland medeverdachte] ).

4.2.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de intentie had om iemand te smokkelen. De verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd die elkaar niet uitsluiten, waardoor niet geconcludeerd kan worden dat de verdachte wisselend heeft verklaard. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van winstbejag.

4.2.3.

Beoordeling

De verdachte heeft ontkend dat hij wist dat [naam medeverdachte] in het bezit was van een valse identiteitskaart. Hij was in de veronderstelling dat hij [naam 1] heette en de Griekse nationaliteit had. De verdachte verklaarde deze persoon niet te kennen, maar op verzoek van zijn kennis [naam 2] hem meegenomen te hebben op zijn reis naar het Verenigd Koninkrijk. [naam 2] zou werk voor de verdachte regelen in het Verenigd Koninkrijk.

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting wisselende verklaringen afgelegd over de reden en het doel van zijn reis naar het Verenigd Koninkrijk. Hij verklaarde eerst naar het Verenigd Koninkrijk te reizen om een bokswedstrijd op te zetten. Vervolgens verklaarde de verdachte dat hij werk wilde vinden en na enkele dagen terug zou reizen.

Daarnaast heeft de verdachte inconsistent verklaard over [naam medeverdachte] . Hij verklaarde bij de politie dat hij in Hoek van Holland de boottickets naar het Verenigd Koninkrijk voor hen beiden heeft gekocht en daarvoor € 590,- heeft betaald. Hij zou dit bedrag, zo verklaarde hij bij de politie, van [naam 2] terugkrijgen. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte dat hij de tickets had gekocht, maar dat [naam medeverdachte] voor zijn eigen ticket heeft betaald.

Tot slot heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hem was verteld dat [naam medeverdachte] Grieks was, maar dat hij voornamelijk in het Engels met hem heeft gesproken en dat hij maar enkele woorden Grieks sprak. De verdachte woont al enkele jaren in Griekenland en beheerst de Griekse taal naar eigen zeggen goed.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat het [naam medeverdachte] niet was toegestaan door Italië, Zwitserland, Duitsland en Nederland naar het Verenigde Koninkrijk te reizen of zich tot die landen toegang te verschaffen of daar te verblijven.

De rechtbank is – met de raadsman en anders dan de officier van justitie – van oordeel dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van toegang of doorreis door Italië, Zwitserland, Duitsland of Nederland. Ook is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 juli 2017 tot en met 8 juli 2017 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in Nederland en te Ancona, Italië en Zwitserland en Duitsland , [naam medeverdachte] , zijnde een persoon met de Albanese nationaliteit,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

- Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie en een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad terwijl hij, verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte,

- bovengenoemde persoon vervoerd van Ancona, Italië door Zwitserland en Duitsland naar Nederland en een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië voor hem (verdachte) zelf en voornoemde [naam medeverdachte] , en het transport naar en de doorreis door Nederland en Italië en Zwitserland en/ Duitsland van die [naam medeverdachte] gefaciliteerd;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

mensensmokkel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij hij één persoon behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Italië, Zwitserland, Duitsland en Nederland. Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht staat ten dienste aan de handhaving van het op basis van de Vreemdelingenwet gevoerde vreemdelingenbeleid. De handelwijze van de verdachte ondermijnt dit beleid en veroorzaakt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook leiden dit soort feiten gemakkelijk tot allerlei vormen van uitbuiting en misbruik van kwetsbare personen. Opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor dit feit acht de rechtbank ook nodig vanuit generaal-preventieve overwegingen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 september 2017, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit dient een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd, maar ook op de omstandigheden van het geval (vervoer van één persoon, als passagier in een personenauto).

De rechtbank acht de bovengenoemde straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto met kenteken [kentekennummer] verbeurd te verklaren.

8.2.

Beoordeling

De in beslag genomen personenauto met kenteken [kentekennummer] , merk Citroen, goednummer [beslagnummer] zal worden verbeurd verklaard.

Het voorwerp behoort aan de verdachte toe. Het bewezen feit is met behulp van dit voorwerp begaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 1:

personenauto met kenteken [kentekennummer] , merk Citroen, goednummer [beslagnummer] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. van Dijken, voorzitter,

mrs. K.A. Baggerman en S. Riege, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Salah-Hashim, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 8 juli 2017 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland en/of te Ancona, Italië en/of Griekenland en/of Oostenrijk en/of Zwitserland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [naam medeverdachte] , zijnde een persoon met de Albanese nationaliteit, althans van buitenlandse afkomst,

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis

door, en/of

- uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf

in Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of

Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te

New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land,

over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New

York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of

die bovengenoemde persoon (telkens) daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis en/of dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededaders, althans alleen,

- bovengenoemde persoon vervoerd van Ancona, Italië door Griekenland en/of Oostenrijk en/of Zwitserland en/of Duitsland naar Nederland en/of door Nederland, en/of

- een ticket aangeschaft voor de ferry (Stena Line) naar Groot-Brittannië voor hem (verdachte) zelf en voornoemde [naam medeverdachte] , en/of (aldus) het verblijf in en/of het transport naar en/of het verblijf in en/of de doorreis door Nederland en/of Italië en/of Griekenland en/of Oostenrijk en/of Zwitserland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die [naam medeverdachte] georganiseerd en/of gecoördineerd en/of gefaciliteerd;

artikel 197a lid 1, 2 en 4 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 8 juli te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht,

te weten een nationaal rijbewijs van Griekenland, voorzien van de cijfers [rijbewijsnummer] , ten name van verdachte, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad.

231 lid 2 Wetboek van Strafrecht