Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10249

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
10/700670-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen is verklaard dat de verdachte met anderen iemand van de vrijheid heeft beroofd en heeft bestolen. Daarbij heeft een medeverdachte met een vuurwapen op het vluchtende slachtoffer geschoten. Het slachtoffer is daarbij levensgevaarlijk gewond geraakt. Ten aanzien van de verdachte is daarbij sprake van het medeplegen van poging tot doodslag en van het bezit van een vuurwapen.

Verder is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een schietpartij in een café in Rotterdam-Zuid en aan het bezit van vuurwapens op verschillende data. Acht jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700670-16

Datum uitspraak: 20 december 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Vught, Lunettenlaan te Vught,

raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27, 28 en 29 november 2017. Het onderzoek is gesloten op de zitting van 20 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 27 november 2017 overeenkomstig de vordering van de officieren van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mr. L.C. Visser en mr. P. Wijnands (verder gezamenlijk aan te duiden als: de officier van justitie) hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1., 2., 3., 4., 5. primair, impliciet primair en 6. primair, impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Onderzoekswensen

De verdediging heeft op 27 november 2017 ter zitting een aantal onderzoekswensen naar voren gebracht, te weten het als getuige horen van aangever [naam slachtoffer 1] en verbalisant [naam verbalisant] in de zaak Wiel, van [naam getuige 1] in de zaken Wiel en Vlas en van [naam getuige 2] in de zaak Vlas.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van de verzoeken.

Gelet op de stand van het proces en het feit dat in een eerder stadium door de vorige raadsvrouw van de verdachte is gezegd dat er geen onderzoekswensen waren, heeft de voorzitter na beraad in raadkamer meegedeeld dat het noodzaakcriterium de maatstaf is voor de beoordeling van deze onderzoekswensen, dat de rechtbank vooralsnog geen noodzaak zag de gevraagde getuigen alsnog te horen en dat bij (tussen)vonnis een definitieve beslissing zou volgen. De rechtbank overwoog daarbij dat de verdachte zelf nog geen enkele verklaring over de tenlastegelegde feiten heeft willen afleggen.

De rechtbank heeft de onderzoekswensen opnieuw besproken bij de beraadslagingen in raadkamer nadat de behandeling van de zaak tegen de verdachte was afgerond. Daarbij heeft de rechtbank geconcludeerd dat geen noodzaak bestaat de onderzoekswensen alsnog toe te wijzen. Voor wat betreft de betwisting van de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door aangever [naam slachtoffer 1] , verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daaromtrent in de bewijsparagraaf van dit vonnis opmerkt. Voor het horen van de getuigen [naam verbalisant] , [naam getuige 1] en [naam getuige 2] ziet de rechtbank geen noodzaak, temeer niet daar hun verklaringen niet voor het bewijs worden gebruikt.

Een en ander leidt tot de beslissing dat de onderzoekswensen worden afgewezen.

4.2.

Zaak Wiel (feiten 1 tot en met 3) en feit 4 (onder tweede gedachtestreepje)

4.2.1.

Inleiding

In de zaak Wiel worden de verdachte [naam verdachte] en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] beschuldigd van – kort gezegd – poging doodslag, diefstal met geweld, wederrechtelijke vrijheidsberoving en bezit van een vuurwapen op 9 december 2016. Deze vier verdachten zouden zich hieraan samen schuldig hebben gemaakt.

4.2.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank is bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten op basis van het dossier en de behandeling ter zitting van het volgende uitgegaan.

-Op 9 december 2016 rond 04.45 uur kreeg de politie de melding dat in het trappenhuis van een portiek aan de [plaats delict] in Rotterdam een schietpartij was geweest. De politie ging naar die plaats en rook in het portiek kruitlucht, zag bloedsporen en beschadigingen. De politie sprak enkele bewoners van de portiekflat en deze hebben naderhand een uitgebreidere verklaring afgelegd. Een bewoner van het portiek vertelde de politie dat rond 04.40 uur langdurig aan zijn voordeur werd gebeld, dat hij iemand om hulp hoorde roepen en een andere stem hoorde zeggen: “ik ga hem pakken.” De bewoner wilde toen door zijn deurspionnetje kijken maar merkte dat dat door iemand of iets werd afgedekt. Hij hoorde even later dat er werd geschoten. Hij liep zijn woonkamer in en zag door het raam in zijn woonkamer vier mannen uit het portiek rennen en in een VW Golf auto stappen en wegrijden. Ook een bewoner van een andere woning in het portiek hoorde om ongeveer 04.30 uur tumult op de gang. Zij hoorde dat om geld werd gevraagd en door iemand anders om hulp werd geroepen. Even later hoorde zij enkele klappen en zij dacht meteen dat er geschoten werd. Zij zag door het raam in haar woonkamer vier mannen het portiek uit rennen naar een auto. Een van de mannen trok de kentekenplaten van de auto eraf. De mannen reden heel hard weg in de auto.

-Kort daarna, tegen 05.00 uur, kwam een man, [naam slachtoffer 1] geheten, bij de politie. Hij vertelde dat hij in een shisha-lounge in het centrum van Rotterdam een paar bekenden van hem was tegengekomen met wie hij elders nog wat zou gaan drinken. Eenmaal bij hen in de auto gestapt, werd hij in de wijk Zevenkamp mishandeld en bedreigd met een vuurwapen. Zijn portemonnee werd afgenomen. Hij werd meegenomen naar Rotterdam-Zuid en moest daar een portiek inlopen. Op een gegeven moment zag hij kans om te ontsnappen en sprong hij naar beneden, waarbij hij kwam te vallen. Hij hoorde dat er geschoten werd.

De politie zag dat [naam slachtoffer 1] gewond was, onder andere aan zijn rug, en dat hij veel pijn had. In het ziekenhuis vertelden de artsen dat [naam slachtoffer 1] door een kogel was geraakt. Het uit het lichaam verwijderde projectiel werd aan de politie overhandigd voor nader onderzoek. Later op de dag deed [naam slachtoffer 1] uitgebreid aangifte en in de dagen daarna legde hij aanvullende verklaringen af.

-Volgens de verklaringen van [naam slachtoffer 1] is het volgende gebeurd. [naam slachtoffer 1] was die avond op stap in de shisha-lounge Boudoir, gelegen aan de Pompenburg in het centrum van Rotterdam. Hij kwam daar vier bekenden tegen. Een van hen wilde weten of hij geld had. Op diens initiatief is [naam slachtoffer 1] met ze meegegaan en is hij met de vier anderen in een VW Golf gestapt. [naam slachtoffer 1] dacht dat ze naar een afterparty zouden gaan. [naam slachtoffer 1] heeft aanvankelijk van twee personen de voornaam genoemd en van twee anderen de bijnaam. Later heeft hij de vier personen op hem getoonde foto’s voor 100% herkend: [naam verdachte] ( [voornaam verdachte] ), [naam medeverdachte 3] (‘ [nickname medeverdachte 3] ’), [naam medeverdachte 1] ( [voornaam medeverdachte 1] ) en [naam medeverdachte 2] (‘ [nickname medeverdachte 2] ’). De auto reed naar Zevenkamp en daar kreeg hij te horen dat hij geld moest regelen en dat hij zou worden vastgehouden totdat het geld geregeld was. Er werden verschillende bedragen genoemd. Hij werd daarbij geschopt en geslagen en hij kreeg een klap met een vuurwapen op zijn hoofd. Hij moest weer in de auto stappen en werd in de auto opnieuw door diverse personen bedreigd en mishandeld. Hij zag toen dat verschillende inzittenden een wapen hadden. De auto reed naar Rotterdam-Zuid. Tijdens een korte plasstop in IJsselmonde werd [naam slachtoffer 1] geschopt en werden toespelingen gemaakt dat op hem zou worden geschoten. Hij moest weer in de auto stappen en werd meegenomen naar een straat in de buurt van Maashaven waar hij moest uitstappen en de trap van een portiekflat moest oplopen. Een van de daders wilde de deur van een woning op de bovenste verdieping openen en [naam slachtoffer 1] heeft toen in paniek, omdat hij dacht dat hij zou worden vermoord, bij een andere woning aangebeld en om hulp geschreeuwd. Hij heeft een van de daders vastgepakt. In de daarop ontstane worsteling, waarbij [naam medeverdachte 1] een vuurwapen in zijn handen had, zag hij kans om via het trapgat naar beneden te springen. Terwijl hij sprong hoorde hij schoten waarop hij omhoog keek en zag dat [naam medeverdachte 1] op hem richtte. Volgens [naam slachtoffer 1] hadden de daders een aantal spullen van hem meegenomen: sleutels, een jas, geld en zijn paspoort.

-Uit medische informatie blijkt dat [naam slachtoffer 1] diverse verwondingen in zijn gezicht had en dat hij in zijn rug was geschoten, waarbij de kogel in de ribbenkast terecht was gekomen. Deze schotverwonding was potentieel levensbedreigend letsel.

-Volgens de eigenaar van Boudoir kwam de hem bekende [naam medeverdachte 1] omstreeks 02.00 uur met drie andere personen, een negroïde jongen en twee Marokkanen, zijn zaak binnen. Enige tijd later vertrokken deze vier samen met de hem bekende [naam slachtoffer 1] en reden weg in een VW Golf.

-Op camerabeelden van Boudoir herkent de politie de vier personen die [naam slachtoffer 1] heeft genoemd. Deze personen gingen om 02.00 uur bij Boudoir naar binnen en vertrokken daar om 03.45 uur samen met [naam slachtoffer 1] . Ze reden weg in een VW Golf.

-Op basis van camerabeelden werd het vermoedelijke kenteken van de VW Golf vastgesteld: [kentekennummer] . Deze auto stond op naam van [naam] . [naam] had de auto uitgeleend aan [naam verdachte] . De auto werd op 9 december ’s avonds aangetroffen in Rotterdam-Zuid. Alleen aan de achterkant van de Golf zat een kentekenplaat, deze hing los en werd in de auto gelegd. In de auto lag nog een kentekenplaat. Op een van deze kentekenplaten zat een dactyloscopisch spoor van [naam medeverdachte 1] .

-Uit gegevens van het ARS (autoregistratiesysteem) blijkt dat de Golf tegen 04.00 uur op het Kralingseplein reed in noordelijke richting en 20 minuten later in tegenovergestelde richting naar Rotterdam-Zuid.

-Bij forensisch-technisch onderzoek in het portiek zijn twee afgevuurde projectielen aangetroffen en schietbanen gereconstrueerd. De politie concludeert op basis daarvan en mede gelet op het in het lichaam van [naam slachtoffer 1] aangetroffen projectiel dat in het portiek minimaal drie keer is geschoten. Verder werden bloedsporen aangetroffen en op de voordeur van een van de woningen op de bovenste verdieping van de portiekflat, ter hoogte van de deurspion, een dactyloscopisch spoor. Dit laatste blijkt van [naam medeverdachte 1] te zijn.

-Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar het gebruik van een aantal mobiele telefoonnummers, die volgens de politie in gebruik zijn bij de vier verdachten. Dit onderzoek heeft op basis van mastgegevens het volgende uitgewezen. De telefoons van [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] straalden tijdens de periode dat zij volgens [naam slachtoffer 1] in Boudoir zouden zijn geweest, aan op een zendmast op het Weena, dit is in de directe omgeving van Boudoir. De telefoon van [naam medeverdachte 1] werd na 03.22 uur niet gebruikt tot 05.14 uur. Om 07.00 uur was de telefoon in Tilburg. De telefoon van [naam verdachte] ging omstreeks 04.00 uur vanaf het Weena in de richting van Rotterdam-Zevenkamp en werd daarna niet gebruikt tot 05.53 uur. De telefoon van [naam medeverdachte 2] werd niet gebruikt van 01.43 uur tot 04.52 uur. Rond 09.00 uur was deze telefoon in Zuid-Limburg. De twee bij [naam medeverdachte 3] in gebruik zijnde telefoonnummers werden die nacht niet gebruikt tot 06.00 uur respectievelijk 04.52 uur en verplaatsten in de loop van de vroege ochtend naar Zuid-Limburg. Aan het eind van de nacht straalden de telefoons van alle vier de verdachten gedurende enige tijd dezelfde zendmast dan wel bij elkaar in de buurt gelegen zendmasten in Rotterdam-Zuid aan.

-Het volgens de politie bij [naam medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummer werd door de politie afgeluisterd. Op 8 december om 23.33 uur werd hij gebeld door [naam verdachte] . De volgende dag werd rond 09.00 uur met zijn nummer een kamer gereserveerd in hotel Lamerichs in Berg en Terblijt (Limburg). De politie heeft daarbij de stem van [naam medeverdachte 2] herkend.

-Op 9 december 2016 werden ’s avonds in een kamer in genoemd hotel in Berg en Terblijt twee van de vier door [naam slachtoffer 1] genoemde personen aangehouden: [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] . In deze kamer werd een vuurwapen aangetroffen, namelijk een pistool van het merk/type CZ 75-D met zeven patronen. Op basis van onderzoek van de drie projectielen (de twee in het portiek aangetroffen projectielen en het projectiel afkomstig uit het lichaam van [naam slachtoffer 1] ) en dit vuurwapen heeft het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat de drie projectielen zijn afgevuurd uit dit vuurwapen. In de hotelkamer werden ook kledingstukken in beslag genomen. Zowel op het vuurwapen als op enkele kledingstukken werd DNA-materiaal van zowel [naam slachtoffer 1] als van [naam medeverdachte 1] vastgesteld.

4.2.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft in het op schrift gestelde requisitoir geconcludeerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat de verdachte onder feit 2 dient te worden vrijgesproken van het element gijzeling.

4.2.4.

Standpunt verdediging

De verdediging is van mening dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat de verdachte bij de strafbare feiten betrokken is geweest: de herkenning van de verdachte door [naam slachtoffer 1] wordt onvoldoende betrouwbaar geacht en moet van het bewijs worden uitgesloten. Datzelfde geldt voor de herkenning door verbalisant [naam verbalisant] nu deze is gebaseerd op beelden van slechte kwaliteit en de verbalisant bovendien niet heeft aangegeven aan de hand van welke specifieke kenmerken deze herkenning heeft plaatsgehad. Het aan de verdachte toegeschreven telefoonnummer eindigend op [nummer] was ten tijde van de feiten niet bij hem in gebruik. Het over het gebruik van dat nummer opgemaakte proces-verbaal van bevindingen moet daarom van het bewijs worden uitgesloten. De verdachte ontkent verder dat hij de sleutels van de woning [adres delict] in zijn bezit heeft gehad, zoals getuige [naam getuige 1] heeft verklaard. De VW Golf die de verdachte zelf eerder had geleend van [naam] , had hij die dag uitgeleend aan medeverdachte [naam medeverdachte 3] .

Als de rechtbank niettemin zou menen dat de verdachte wel aanwezig is geweest in de nacht van 9 december 2016 dan kan hij niet als medepleger van de poging tot doodslag worden beschouwd. Een ander heeft in een opwelling geschoten en de verdachte kon dit niet beletten. Er kan ook geen voorwaardelijk opzet worden aangenomen. Ten aanzien van de diefstal met geweld geldt dat nergens uit blijkt dat er daadwerkelijk spullen van aangever zijn weggenomen, zoals deze beweert. Wat betreft de vrijheidsberoving geldt dat hoogstens kan worden aangenomen dat de verdachte aanwezig is geweest in de auto en in het portiek maar niet dat hij zelf geweldshandelingen heeft gepleegd. Tot slot heeft de verdediging opgemerkt dat het medeplegen van het voorhanden hebben van het wapen waarmee in de zaak-Wiel is geschoten, niet kan worden bewezen. Iemand anders had dat wapen bij zich en de verdachte had daar geen beschikking over.

4.2.5.

Het oordeel van de rechtbank

algemeen

De rechtbank stelt vast dat [naam slachtoffer 1] vanaf het eerste contact met de politie in het ziekenhuis de (voor)naam van de verdachte heeft genoemd als één van degenen die bij de strafbare feiten waren betrokken. Het enkele feit dat hij daarbij heeft gezegd dat de verdachte woonachtig is in Lombardijen terwijl de verdachte woonachtig zegt te zijn in IJsselmonde, maakt niet dat de herkenning daardoor onbetrouwbaar is. Beide stadswijken liggen in Rotterdam-Zuid en grenzen aan elkaar. In de aangifte die [naam slachtoffer 1] enkele uren later deed zei hij over de verdachte dat deze ‘net vrij’ was, hetgeen klopt aangezien de verdachte enkele dagen daarvoor uit hechtenis was gekomen. [naam slachtoffer 1] noemde de verdachte toen overigens bij zijn volledige naam en heeft hem later met 100% zekerheid van een foto herkend. Dat de politie [naam slachtoffer 1] de naam van de verdachte in de mond zou hebben gelegd, zoals de verdediging heeft gesuggereerd, is naar het oordeel van de rechtbank in het geheel niet aannemelijk geworden.

Aan de opmerkingen van de verdediging over de herkenning door verbalisant [naam verbalisant] gaat de rechtbank voorbij, nu deze herkenning niet voor het bewijs wordt gebruikt. Datzelfde geldt voor de verklaring van de getuige [naam getuige 1] .

De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van/namens de verdachte dat hij op 9 december 2016 geen gebruik maakte van het telefoonnummer eindigend op [nummer] . In de eerste plaats vindt de rechtbank het opmerkelijk dat de verdachte, die tot aan de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op geen enkele vraag antwoord heeft willen geven, pas op de zitting een verklaring heeft afgelegd die er op neer komt dat hij met het gebeurde op 9 december niets te maken heeft. Hij had in ontlastende zin immers ook al veel eerder duidelijkheid kunnen verschaffen over het gebruik/de gebruiker van [nummer] . Wat daarvan ook zij, naar het oordeel van de rechtbank was de verdachte op 9 december wel degelijk in het bezit en de gebruiker van [nummer] . De rechtbank wijst in dit verband op het bij de bewijsmiddelen opgenomen telefoongesprek dat de politie heeft afgeluisterd in een tap op [naam medeverdachte 2] . Uit dit gesprek blijkt dat de verdachte op 8 december om 23.33 uur met

[nummer] opbelde naar [naam medeverdachte 2] en uit dit gesprek valt af te leiden dat hij hem kort daarna ergens ophaalde. Dit gesprek vond plaats een paar uur vóórdat zij met anderen bij Boudoir arriveerden. Een en ander bevestigt niet alleen dat de verdachte toen wel degelijk de gebruiker was van [nummer] maar ook dat hij die nacht in het gezelschap van [naam medeverdachte 2] was.

Aan de verklaring van de verdachte dat hij de door hem van [naam] geleende auto eerder die dag op zijn beurt had uitgeleend aan medeverdachte [naam medeverdachte 3] , komt naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe. Dit sluit immers niet uit dat de verdachte die avond ook in die auto heeft gezeten.

feiten 1 en 3

De rechtbank deelt niet het standpunt van de verdediging over het ontbreken van voorwaardelijk opzet ten aanzien van de poging doodslag. Buiten kijf staat dat de verdachte niet degene is geweest die in het portiek op [naam slachtoffer 1] heeft geschoten. Dat was naar het oordeel van de rechtbank medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Maar de verdachte had er wel rekening mee kunnen en moeten houden en heeft de kans voor lief genomen dat er op enig moment op [naam slachtoffer 1] zou worden geschoten, met alle mogelijke gevolgen vandien. Er is door de verdachten gezamenlijk in en rond de auto waarin zij [naam slachtoffer 1] vervoerden, jegens hem geweld gebruikt en er zijn tal van bedreigingen tegen hem geuit, waarbij ook gebruik is gemaakt van één of meer vuurwapens. [naam slachtoffer 1] heeft verklaard bij verschillende inzittenden een wapen te hebben gezien.

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gezamenlijke vrijheidsberoving van [naam slachtoffer 1] en het daarbij gebruikte geweld in en rond de auto. Hij is met de anderen meegegaan toen [naam slachtoffer 1] vervolgens in het portiek de trap moest oplopen naar de bovenste verdieping. Het kan dan ook niet anders dan dat hij wist dat [naam slachtoffer 1] in het kader van de vrijheidsberoving daarheen werd gebracht. Hij had er op bedacht kunnen zijn dat [naam slachtoffer 1] zich op enig moment zou gaan verzetten en zou trachten te ontkomen aan de voor hem uiterst dreigende situatie. De verdachte kon ook weten dat een of meer van zijn medeverdachten een vuurwapen bij zich had(den); daarmee was immers al in de auto gedreigd, zowel verbaal als fysiek. De kans dat een ander van een vuurwapen gebruik zou maken, op het moment dat [naam slachtoffer 1] zich zou verzetten of er vandoor wilde gaan, was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geenszins denkbeeldig. Die kans heeft de verdachte echter voor lief genomen. Ook hij is doorgegaan en heeft in feite aan de anderen overgelaten hoe die zouden proberen hun doel te bereiken. Daarmee heeft de verdachte het risico van escalatie, met inbegrip van het gebruik van een vuurwapen, aanvaard. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op het medeplegen van het gebruik door een ander van een vuurwapen, en daarmee op een poging tot doodslag op [naam slachtoffer 1] .
Dat zijn eigen opzet hooguit gericht zou zijn geweest op vrijheidsberoving en niet op poging tot doodslag, doet hieraan niet af. Gelet op het voorgaande is er voldoende verband tussen de handelingen in het kader van de vrijheidsberoving en de poging tot doodslag.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in het kader van de vrijheidsberoving het oogmerk er niet op gericht was dat derden iets zouden moeten doen, maar in feite alleen dat [naam slachtoffer 1] geld zou moeten regelen. De rechtbank acht de tenlastegelegde gijzeling daarom niet bewezen, zodat de verdachte van dit onderdeel van feit 3 wordt vrijgesproken.

feit 2

Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal met geweld is de rechtbank van oordeel dat geen relatie te leggen valt tussen het wegnemen van de in de tenlastelegging genoemde eigendommen van aangever en de tenlastegelegde geweldshandelingen. Uit het dossier blijkt immers niet op welk moment en op welke wijze de verdachten deze eigendommen hebben weggenomen. Evenmin blijkt dat daartoe geweldshandelingen hebben plaatsgehad. Daarvan wordt de verdachte dan ook vrijgesproken. De rechtbank ziet echter geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangever dat spullen van hem zijn gestolen. De rechtbank acht aannemelijk dat deze eigendommen van aangever in de Golf zijn achtergebleven toen hij in de [plaats delict] moest uitstappen. Vaststaat dat de vier verdachten na de schietpartij samen in die auto zijn gestapt en zijn weggereden en dat de politie na aantreffen van de auto er geen melding van heeft gemaakt dat daarin goederen van [naam slachtoffer 1] lagen. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachten de in de tenlastegelegde genoemde eigendommen van aangever samen hebben weggenomen, zij het met uitzondering van de telefoon omdat aangever deze, zoals hij in tweede instantie heeft verklaard, in Boudoir had laten liggen.

feit 4

Vast staat, zoals al is opgemerkt, dat bij de vrijheidsberoving een of meer wapens zijn getoond en gebruikt en dat daarmee is gedreigd. De verdachte is vanaf het begin, in de auto, tot het eind, in het portiek, aanwezig geweest. Hij moet dus gezien, gehoord en geweten hebben dat er een minstens één vuurwapen in het spel was. Het wapen werd door een medeverdachte gebruikt als onderdeel van een samenstel van handelingen van verschillende personen en had ten doel de vrijheidsberoving van [naam slachtoffer 1] mogelijk te maken. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en van een gezamenlijke uitvoering die ook gericht was op het voorhanden hebben van een vuurwapen. Onder deze omstandigheden is om van medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen te kunnen spreken, naar het oordeel van de rechtbank niet van belang of de verdachte op dat moment ook zelf fysiek over dat wapen kon beschikken.

Conclusie.

De verweren van de verdediging worden verworpen.

4.2.6.

Eindconclusie

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in samenhang met de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen, is de conclusie van de rechtbank dat [naam verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan: medeplegen van poging doodslag (feit 1), diefstal in vereniging (feit 2), het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 3) en het medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool met munitie (feit 4, 2e gedachtestreepje).

4.3.

Zaak Vlas (feit 4, onder eerste gedachtestreepje, en feiten 5 en 6)

4.3.1.

Inleiding

In de zaak Vlas wordt de verdachte beschuldigd van – kort gezegd – bezit van vuurwapens en van poging doodslag dan wel van poging zware mishandeling op [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] . Subsidiair is dit feit ten aanzien van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] tenlastegelegd als mishandeling en ten aanzien van [naam slachtoffer 4] subsidiair als bedreiging.

4.3.2.

Feiten en omstandigheden

Op 4 december 2016 zijn bij een schietpartij in café Liv in Rotterdam enkele personen, [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] , gewond geraakt aan hun been. Uit onderzoek is gebleken dat er in het café nog een tweede schot is gelost waarbij de kogel via de vloer in de onderliggende kelderruimte terecht is gekomen. Uit camerabeelden blijkt dat de schutter zijn vuurwapen in de richting van [naam slachtoffer 4] hield en dat toen een schot afging.

De verdachte heeft ter zitting voor het eerst over deze feiten verklaard. Zijn verklaring komt op het volgende neer. Hij was die nacht in café Liv en had een doorgeladen vuurwapen bij zich. Hij zat met enkele bekenden van hem aan een tafel en zat een beetje te spelen met zijn vuurwapen dat naast hem op de bank lag en hield daarbij een vinger om de trekker. Ineens ging zijn vuurwapen per ongeluk onder de tafel af. De aan de tafel zittende [naam getuige 1] en [naam slachtoffer 2] waren kennelijk door het schot geraakt aan hun been. De verdachte raakte toen in paniek. Hij wist dat [naam getuige 1] ook een vuurwapen bij zich had en heeft hem gedwongen dat wapen aan hem af te geven. Volgens [naam getuige 1] was dat een revolver van het kaliber .20. Hij had vanaf dat moment dus twee vuurwapens in zijn bezit. Omdat hij dacht dat [naam slachtoffer 4] , die eerst ook aan de tafel zat, ook een vuurwapen bij zich had, heeft hij vervolgens als waarschuwing een schot gelost in de richting van [naam slachtoffer 4] . Hij heeft daarbij bewust in de vloer geschoten.

Gelet op de bekentenis van de verdachte dat hij vanaf een gegeven moment in café Liv twee vuurwapens in zijn bezit heeft gehad, zal de rechtbank op dit feit, dat ten laste is gelegd onder feit 4, eerste gedachtestreepje, niet nader ingaan. Dit feit zal bewezen worden verklaard.

4.3.3.

Standpunt officier van justitie

feit 5

De officier van justitie gaat er van uit dat de verdachte éénmaal onder de tafel heeft geschoten in de richting van de schuin tegenover hem zittende [naam slachtoffer 2] en dat [naam getuige 1] door fragmentatie van de kogel tegen de tafelpoot ook is geraakt. Door te gaan zitten spelen met een doorgeladen vuurwapen en daarbij een vinger om de trekker te houden, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuurwapen zou afgaan en dat aan de tafel zittende personen daardoor dodelijk letsel zouden kunnen oplopen. In het onderlichaam zitten immers kwetsbare delen, zoals organen en slagaders in de liezen. Er is derhalve sprake van voorwaardelijk opzet op poging tot doodslag op [naam slachtoffer 2] en [naam getuige 1] .

feit 6

De officier van justitie is van oordeel dat op grond van de camerabeelden vast staat dat de verdachte met gestrekte arm van korte afstand gericht op [naam slachtoffer 4] heeft geschoten. Onder die omstandigheden is er sprake van poging tot doodslag.

4.3.4.

Standpunt verdediging

feit 5

De verdediging heeft aangevoerd dat er slechts gesproken kan worden van voorwaardelijk opzet. Verder is verwezen naar een recent vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin staat dat een schot in de richting van de benen van het slachtoffer niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. De verdachte dient derhalve van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

feit 6

Ook van het onder dit feit primair tenlastegelegde moet de verdachte volgens de verdediging worden vrijgesproken. Hij hield zijn wapen namelijk op de grond van het café gericht toen hij schoot. Er had dan ook niemand door het schot kunnen worden geraakt.

4.3.5.

Het oordeel van de rechtbank

feit 5

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet: de verdachte heeft door te handelen zoals hij met zijn vuurwapen gedaan heeft, de kans voor lief genomen dat hij een schot zou afvuren en dat daardoor een of meer personen zouden worden geraakt. De rechtbank onderschrijft voorts het standpunt van de verdediging dat dit onder de gegeven omstandigheden geen poging tot doodslag oplevert. Wel is volgens de rechtbank de kans aanmerkelijk dat iemand door een dergelijk schot zwaar lichamelijk letsel oploopt.

feit 6

De rechtbank is op basis van de camerabeelden, die ook ter terechtzitting zijn bekeken, tot de conclusie gekomen dat de verdachte weliswaar in de vloer van het café heeft geschoten maar dat het schot van korte afstand van [naam slachtoffer 4] is afgevuurd en dat de verdachte daarbij zijn wapen schuin op [naam slachtoffer 4] richtte. Zo de kogel [naam slachtoffer 4] al niet rechtstreeks in zijn benen had kunnen raken, dan zou hij door een ricochet geraakt kunnen zijn en had hij daarbij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. Naar het oordeel van de rechtbank is, gegeven deze omstandigheden, sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.3.6.

Eindconclusie

Op grond van het hiervoor overwogene is de conclusie van de rechtbank dat [naam verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens (feit 4, eerste gedachtestreepje), poging zware mishandeling (feit 5, primair, impliciet subsidiair) en poging zware mishandeling (feit 6, primair, impliciet subsidiair).

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1., 2., 3., 4., 5. primair, impliciet subsidiair en 6. primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, op 09 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een

of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van de rug, althans het lichaam,

van die [naam slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, op 09 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sleutels en een jas (merk Canada Goose) en 350 euro en een paspoort toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , ;

3.

hij, op 09 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk [naam slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en

beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders

- die [naam slachtoffer 1] meegenomen in een auto en met die [naam slachtoffer 1] rondgereden en - die [naam slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Je moet geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en "We houden je vast totdat je familie geld heeft geregeld" en

- die [naam slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen geslagen

en

- die [naam slachtoffer 1] uitgescholden en- naar die [naam slachtoffer 1] gespuugd en- (meermalen) die [naam slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) geslagen en gestompt en

- in het kruis van die [naam slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en

- vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die

[naam slachtoffer 1] getoond en- in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] gezegd: "Moet ik hem schieten?" en "Nee,

dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop",

en

- die [naam slachtoffer 1] meegenomen naar een portiek/woning;

4.

hij, in de periode van 04 december 2016 tot en met 23 december 2016 te

Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm

van een pistool van het merk/type CZ 75-D, kaliber 9x19 mm, en bijbehorende

munitie voorhanden heeft gehad;

en

in de periode van 04 december 2016 tot en met 23 december 2016 te

Rotterdam, - twee vuurwapens in de zin van artikel 1 onder sub 3

van die wet in de vorm van een pistool en/of revolver en/of bijbehorende

munitie en- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm

van een pistool van het merk/type Zastava Mod. 70, kaliber 7,65, en bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad;

5.

hij, op 04 december 2016 te Rotterdam, meermalen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk personen genaamd [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 2] en [naam getuige 1] met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

(primair)

hij, op 04 december 2016 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [naam slachtoffer 4] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van poging tot doodslag;

2.

diefstal door twee of meer verenigde personen;

3.

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

4.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III;

5. ( primair, impliciet subsidiair)

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

6. ( primair, impliciet subsidiair)

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, diefstal en een wederrechtelijke vrijheidsbeneming en verder aan het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens en twee pogingen tot zware mishandeling.

De verdachte is op 4 december 2016 met vier andere mannen naar een café in Rotterdam gegaan. Nadat men in eerste instantie rustig aan een tafeltje zat te kaarten, werd er op enig moment door de verdachte en een van de andere mannen een vuurwapen op tafel gelegd. De verdachte heeft zijn wapen, een revolver, op enig moment op zijn schoot en naast zich op de bank gelegd. Naar eigen zeggen heeft hij gespeeld met het wapen, waarbij de trekker van het wapen door hem is overgehaald. Twee mannen zijn daardoor gewond geraakt in hun knie of scheenbeen. Tijdens het tumult dat hierna ontstond heeft de verdachte, terwijl hij de revolver op hen richtte, van twee van de vier mannen gevorderd dat zij hun vuurwapens aan hem afstonden, hetgeen zij hebben gedaan. De verdachte heeft hierna nog één van de andere mannen gefouilleerd op de aanwezigheid van een vuurwapen en heeft, toen hij ontdekte dat deze man geen wapen bij zich droeg, na een kort handgemeen, richting de benen van deze man geschoten.

De rechtbank vindt dit buitengewoon ernstige feiten. De verdachte had niet alleen een doorgeladen vuurwapen op zak in een uitgaansgelegenheid, hij heeft daarmee bovendien zitten spelen met alle risico’s vandien zoals in deze zaak is gebleken, en heeft vervolgens weloverwogen nogmaals met dat wapen geschoten. Voor het nietsvermoedende cafépersoneel en andere aanwezigen in het café moet deze schietpartij een zeer beangstigende ervaring zijn geweest.

Enkele dagen later, op 9 december 2016, is de verdachte samen met anderen tijdens een bezoek aan een shisha-lounge een bekende tegengekomen. Tussen de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en deze jongen, genaamd [naam slachtoffer 1] , bestonden spanningen. Na een gesprek hierover heeft [naam medeverdachte 1] geïnformeerd of [naam slachtoffer 1] geld had. Daarna hebben de verdachte en zijn medeverdachten [naam slachtoffer 1] uitgenodigd om naar een afterparty elders te gaan. Ze vertrokken met vijf personen, waaronder de verdachte en [naam slachtoffer 1] , in een auto naar de Rotterdamse wijk Zevenkamp. Daar aangekomen werd [naam slachtoffer 1] door de verdachte en meerdere anderen mishandeld. Daarnaast werd hij bedreigd met vuurwapens en is hij met een vuurwapen in zijn gezicht geslagen. [naam slachtoffer 1] moest daarna weer in de auto stappen, die vervolgens naar de wijk IJsselmonde vertrok. Ook tijdens deze rit werd hij mishandeld, net als toen onderweg geparkeerd werd voor een sanitaire stop. Tijdens de autorit werd [naam slachtoffer 1] duidelijk gemaakt dat hij binnen een aantal uren voor een geldbedrag diende te zorgen en dat de verdachte en zijn medeverdachten hem niet zouden laten gaan voordat er betaald was. Uiteindelijk is de auto naar een portiekwoning gelegen aan de [plaats delict] gereden. Daar werd [naam slachtoffer 1] gedwongen om mee het portiek in te gaan en om via het trappenhuis naar een woning op de vierde etage te gaan. Omdat [naam slachtoffer 1] bij de verdachte en een van de anderen in zijn hand een vuurwapen zag en hij doodsbang was dat hij gedood zou worden, heeft hij tumult veroorzaakt en is hij tijdens de chaos die ontstond via het trappenhuis een etage naar beneden gesprongen. Tijdens zijn sprong hoorde hij schoten en zag hij, toen hij op zijn rug terecht kwam, dat [naam medeverdachte 1] een vuurwapen op hem had gericht. [naam slachtoffer 1] heeft weten te vluchten en naderhand is in het ziekenhuis een kogel uit zijn bovenlichaam verwijderd. [naam slachtoffer 1] mist na deze gebeurtenissen een aantal zaken waaronder zijn jas, portemonnee, sleutels en paspoort. In het hotel waar [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] later die dag zijn aangehouden is een pistool aangetroffen waarmee de kogel is verschoten die in het lichaam van [naam slachtoffer 1] zat.

Deze hele gang van zaken is een zeer beangstigende situatie en een nachtmerrie geweest voor [naam slachtoffer 1] . Uit zijn ter terechtzitting voorgelezen verklaring blijkt dat het hele gebeuren een enorme impact op hem heeft gehad en dat hij nog steeds erg veel last heeft van de gevolgen. De misdrijven getuigen van geen enkel respect voor het welzijn van anderen en zorgen voor grote onrust in de samenleving. Er is sprake van zeer ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte ten zeerste aanrekent.

Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en het gebruik daarvan zorgt voor gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. De verdachte lijkt hier echter ongevoelig voor te zijn en blijkt telkens weer over vuurwapens te beschikken en deinst er zelfs niet voor terug om vuurwapens te gebruiken tegen personen. Ook toen hij door de politie werd aangehouden had hij een gebruiksklaar vuurwapen in zijn bezit. Dat de verdachte naar zijn zeggen over wapens beschikte met het oog op een eventueel noodzakelijke zelfverdediging geeft zeer te denken over de activiteiten van de verdachte en het milieu waarin hij verkeert.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten waaronder geweldsdelicten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank komt echter tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Dit komt in de eerste plaats doordat de rechtbank op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie heeft geconcludeerd. De verschillen op dit punt zijn van betekenis en dienen in de straf tot uitdrukking te komen.

In de tweede plaats is de officier van justitie tot de eis gekomen door een optelling van de straffen die volgens de OM-richtlijnen voor de onderhavige strafbare feiten gelden, waar nodig gecorrigeerd aan de hand van de wettelijke samenloopregels. De rechtbank vindt dat op deze wijze, in deze zaak, de nauwe samenhang in tijd en gedragingen van de verschillende bewezen delicten onvoldoende tot uitdrukking komt. Uiteraard heeft ook de rechtbank gelet op richtlijnen, maar zij heeft vervolgens de strafbare gedragingen als geheel gewogen en is op die manier tot een duur van de op te leggen gevangenisstraf gekomen die zij passend en geboden acht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank beslist dat de inbeslaggenomen geldbedragen van € 1.545,00, € 40,00 en € 7.020,00 worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het inbeslaggenomen vuurwapen (pistool van het merk Zastava) wordt onttrokken aan het verkeer.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de inbeslaggenomen geldbedragen aan de verdachte teruggegeven dienen te worden, nu dit geld van hem is en er geen aanleiding is om hieraan te twijfelen.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen vuurwapen zal worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedragen zal de bewaring worden gelast ten behoeve van degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nu bij gebrek aan een verklaring van de verdachte over dit geld nader onderzoek nodig is naar de herkomst ervan.

9 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.184,89 aan materiële schade en een vergoeding van € 20.000,00 aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 21.792,90, met daaraan gekoppeld de schadevergoedingsmaatregel en dat het resterende gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren in het kader van de door haar bepleite vrijspraak. Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht om het bedrag van de immateriële schade te matigen tot € 8.000,00. Ten aanzien van de materiële schade heeft zij gesteld dat de door de politie inbeslaggenomen voorwerpen niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze spullen teruggegeven kunnen worden aan de aangever. Dit geldt ook voor de Canada Goose jas. Met betrekking tot de nieuwe kleding, pijnstillers en fysiotherapie heeft de raadsvrouw gesteld dat deze posten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de telefoon heeft de raadsvrouw gesteld dat deze post onvoldoende is onderbouwd.

9.3.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsoverwegingen dat aan de benadeelde partij door de onder 1., 2., en 3. bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Voor het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de door de officier van justitie in beslaggenomen schoenen van het merk Reebok, de broek en een Samsung J2 is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard dat deze goederen alsnog aan de benadeelde partij worden geretourneerd.

Ten aanzien van het deel van de vordering dat betrekking heeft op de post nieuwe kleding voor in het ziekenhuis is de rechtbank van oordeel dat dit gedeelte van de vordering thans onvoldoende is onderbouwd en dat een nadere onderbouwing door de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal in dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor het overige is de vordering tot vergoeding van materiële schade deugdelijk onderbouwd en zal deze worden toegewezen tot een bedrag van € 2.542,89.

Voorts volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de aard en ernst van hetgeen de benadeelde partij is aangedaan en diens onderbouwing van de gevolgen daarvan voor hem, dat hij door de voornoemde bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden en lijdt. Die schade, voor zover deze nu is kunnen blijken, zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 15.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien nader onderzoek naar de gegrondheid van het resterende, mogelijk toekomstige, gedeelte van de vordering een uitgebreide nadere behandeling zou vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Ook dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte de strafbare feiten, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 december 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 17.542,89, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 63, 282, 287, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1., 2., 3., 4., 5. primair, impliciet subsidiair en 6. primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart onttrokken aan het verkeer:

1.00

STK Pistool, ZASTAVA 70, sin nr [serie/typenummer] , [beslagnummer] , 7,65 mm kal;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. Geld Euro 1.545 euro, ibg 23-12-16;

2. Geld Euro 40 euro uit jas ibg 23-12-16;

3. Geld Euro 7.020 euro, ibg 23-12-16;

Benadeelde partij [naam benadeelde]

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 17.542,89 (zegge: zeventienduizendvijfhonderdtweeënveertig euro en negenentachtig cent), bestaande uit € 2.542,89 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 17.542,89 (hoofdsom, zegge: zeventienduizendvijfhonderdtweeënveertig euro en negenentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 122 (honderdtweeëntwintig dagen); toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mr. R.J.A.M. Cooijmans en mr. K. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[zaak Wiel]

hij,

op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een

of meer kogels heeft afgevuurd in de richting van de rug, althans het lichaam,

van die [naam slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

[zaak Wiel]

hij,

op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer

sleutels en/of een jas (merk Canada Goose) en/of 350 euro en/of een paspoort

en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- meenemen van die [naam slachtoffer 1] in een auto en/of rondrijden met die [naam slachtoffer 1] en/of

- die [naam slachtoffer 1] de woorden toevoegen: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet

geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat

je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende)

aard en/of strekking, en/of

- slaan van die [naam slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp,

en/of

- uitschelden van die [naam slachtoffer 1] en/of

- spugen naar die [naam slachtoffer 1] en/of

- ( meermalen) die [naam slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) slaan en/of stompen en/of

schoppen en/of trappen en/of

- in het kruis van die [naam slachtoffer 1] schoppen en/of trappen en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die

[naam slachtoffer 1] tonen en/of

- in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] zeggen: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee,

dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop",

althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [naam slachtoffer 1] meenemen naar een portiek/woning;

3.

[zaak Wiel]

hij,

op of omstreeks 09 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [naam slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden,

(met het oogmerk (een) ander(en), te weten familie van die [naam slachtoffer 1] ,

te dwingen iets te doen of niet te doen),

immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [naam slachtoffer 1] meegenomen in een auto en/of met die [naam slachtoffer 1] rondgereden en/of

- die [naam slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Jij verbergt iets!" en/of "Je moet

geld en/of 40.000 en/of 50.000 euro regelen" en/of "We houden je vast totdat

je familie geld heeft geregeld", althans woorden van gelijke (dreigende)

aard en/of strekking, en/of

- die [naam slachtoffer 1] met een kolf van een vuurwapen, althans een voorwerp, geslagen

en/of

- die [naam slachtoffer 1] uitgescholden en/of

- naar die [naam slachtoffer 1] gespuugd en/of

- ( meermalen) die [naam slachtoffer 1] (op/tegen het hoofd) geslagen en/of gestompt en/of

- in het kruis van die [naam slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt en/of

- een of meer vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, aan die

[naam slachtoffer 1] getoond en/of

- in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] gezegd: "Moet ik hem schieten?" en/of "Nee,

dat verdient hij niet, hij krijgt er straks een kogel door zijn kop",

althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [naam slachtoffer 1] meegenomen naar een portiek/woning;

4.

[zaak Wiel & Vlas & Loder]

hij,

in of omstreeks de periode van 04 december 2016 tot en met 23 december 2016 te

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III

onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

- drie, althans een of meer, vuurwapens in de zin van artikel 1 onder sub 3

van die wet in de vorm van een pistool en/of revolver en/of bijbehorende

munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm

van een pistool van het merk/type CZ 75-D, kaliber 9x19 mm, en/of bijbehorende

munitie en/of

- een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm

van een pistool van het merk/type Zastava Mod. 70, kaliber 7,65, en/of bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad;

5.

[zaak Vlas]

hij,

op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een of meer perso(o)n(en) genaamd [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] van

het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] met een vuurwapen in een (onder)been en/of

knie heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij,

op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam,

meermalen, althans eenmaal,

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3]

met een vuurwapen in een (onder)been en/of knie te schieten;

6.

Primair

[zaak Vlas]

hij,

op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [naam slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een of meer

kogels heeft afgevuurd in de richting van die [naam slachtoffer 4] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij,

op of omstreeks 04 december 2016 te Rotterdam,

[naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen heeft voorgehouden

en/of (vervolgens) met dat vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd in de

richting van die [naam slachtoffer 4] ;