Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
C/10/510311 / HA ZA 16-924
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende/bevrijdende verjaring perceel grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/510311 / HA ZA 16-924

Vonnis van 4 oktober 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat mr. E.C.J. Ris,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. R.D. Rischen.

Partijen zullen hierna [eisers] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie,

  • -

    de oproepingsbrief van 14 december 2016 waarin een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de akte overlegging producties van [eisers] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is sinds 1999 eigenaar van de woning aan [adres en woonplaats] .

2.2.

Het naastgelegen weiland, kadastraal aangeduid als perceel 3703 (hierna: het weiland), behoorde tot aan haar overlijden op 26 juli 2009 toe aan mevrouw [persoon 1] . Na haar overlijden werd haar echtgenoot, de heer [persoon 2] , eigenaar van het weiland. [persoon 2] is overleden op 30 juni 2016. Sinds augustus 2016 is [gedaagde] eigenaar van het weiland, maar reeds daarvoor was hij met toestemming van [persoon 1] dan wel [persoon 2] de feitelijke gebruiker van het weiland.

2.3.

Het weiland is door andere percelen omsloten. Tussen het weiland en de Lekdijk-Oost bevindt zich een strook grond waarop een pad is aangelegd om zodoende de openbare weg te kunnen bereiken.

2.4.

In 2008 heeft [eisers] de erfgrens tussen zijn perceel, het weiland en de strook grond door het kadaster laten reconstrueren. Hieruit heeft [eisers] geconcludeerd dat de aldaar aanwezige hekken op zijn perceel stonden. [eisers] heeft de hekken eind 2012 verwijderd. Na protest van [gedaagde] heeft [eisers] de hekken teruggeplaatst, zij het op een andere plek dan voorheen. In februari 2015 heeft [gedaagde] de hekken (en coniferen) op de oorspronkelijke plaats teruggezet.

3 De vordering in conventie

3.1.

[eisers] c.s. vordert, samengevat:

  • -

    veroordeling van [gedaagde] om onmiddellijk (subsidiair: binnen drie maanden na betekening van het vonnis) de in gebruik genomen grond te ontruimen en ontruimd te houden en de daarop geplaatste hekken en coniferen en eventuele andere voorwerpen te verwijderen en verwijderd te houden,

  • -

    [gedaagde] te verbieden de in gebruik genomen grond na betekening van het vonnis nog te betreden,

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan de vordering legt [eisers] ten grondslag dat de door [gedaagde] in gebruik genomen stuk grond onderdeel uitmaakt van het perceel van [eisers] en dat [gedaagde] deze strook grond zich ten onrechte heeft toegeëigend.

3.3.

[gedaagde] betwist de gestelde feiten. Hij concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van de vordering, nu de echtgenote van [gedaagde] niet is gedagvaard terwijl sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Subsidiair stelt [gedaagde] dat hij op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert:

­ voor recht te verklaren dat [gedaagde] door verkrijgende verjaring, althans door verjaring van de rechtsvordering van [eisers] eigenaar is geworden van de in geschil zijnde strook grond,

­ [eisers] te veroordelen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn mee te werken aan het kadastraal duiden en door het kadaster laten registreren van die eigendom, onder verbeurte van een dwangsom,

­ [eisers] te veroordelen om de in geschil zijnde strook grond aan [gedaagde] te zijner vrije beschikking te laten, onder verbeurte van een dwangsom,

­ veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

4.2.

[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij op grond van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.

4.3.

[eisers] betwist de gestelde feiten.

5 De beoordeling

5.1.

Gezien de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

Processueel ondeelbare rechtsverhouding

5.2.

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van [eisers] niet-ontvankelijk is. [gedaagde] is in gemeenschap van goederen gehuwd, waardoor het perceel in de huwelijksgemeenschap valt. Volgens [gedaagde] had daarom ook zijn echtgenote in recht betrokken moeten worden, aangezien sprake is van processuele ondeelbaarheid van de vordering (exceptio plurium litis consortium).

5.3.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] slaagt niet. Dat het perceel grond deel uitmaakt van de tussen [gedaagde] en zijn echtgenote bestaande huwelijksgemeenschap, heeft slechts tussen hen als echtelieden werking en kan aan derden niet worden tegengeworpen. In het kadaster staat [gedaagde] als enig eigenaar van het perceel grond geregistreerd, zodat alleen hij gedagvaard behoefde te worden. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is dus geen sprake. [eisers] kan in zijn vordering worden ontvangen.

Verkrijgende / bevrijdende verjaring

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vorige bewoners van de woning aan [adres en woonplaats] (de rechtsvoorgangers van [eisers] als eigenaar) tientallen jaren geleden met [persoon 2] grond hebben geruild om de kriskras-lopende kadastrale erfgrens iets te verleggen en dat zij zodoende over en weer een stuk van elkaars grond in gebruik hebben genomen. Een en ander blijkt ook uit een door [eisers] overgelegde brief van [persoon 2] d.d. 2 december 2015 (productie 6 dagvaarding), waarin hij schrijft dat met de vorige bewoners ‘in goed overleg is besloten om de lijnen een beetje recht te laten lopen’, dat de vorige bewoners toen ‘met mijn toestemming piketpaaltjes hebben geplaatst met prikkeldraad waar ik toentertijd een hek tegen heb geplaatst’ alsmede dat de grens - waarlangs thans dus de hekken en coniferen zijn geplaatst - ‘al bijna 50 jaar zo staat’.

5.5.

De rechtbank begrijpt dat de strook grond waarvan [eisers] thans ontruiming en verwijdering van de daarop geplaatste hekken en coniferen vordert, deel uitmaakt van de grond die de toenmalige bewoners van [adres en woonplaats] met [persoon 2] hebben geruild. Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat hij (althans [persoon 2] ) door verjaring eigenaar van de strook grond is geworden, wordt het volgende overwogen.

5.6.

Rechten op onroerende zaken door een bezitter te goeder trouw worden verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaar (verkrijgende verjaring, artikel 3:99 lid 1 BW).

De bezitter van een onroerende zaak verkrijgt die zaak op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid (bevrijdende verjaring, artikel 3:105 lid 1 BW). Een rechtsvordering tot beëindiging van bezit verjaart twintig jaar na de dag waarop de niet-rechthebbende bezitter is geworden van de percelen (artikel 3:306 BW jo. artikel 3:314 lid 2 BW).

5.7.

In HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743 is door de Hoge Raad ten aanzien van het criterium voor inbezitnemning overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, bepalend is of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet derhalve zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Zie HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743.

5.8.

Tegen de achtergrond van de grondruil (teneinde het grillige verloop van de erfgrens te corrigeren), het naar aanleiding daarvan in gebruik nemen van de geruilde strook grond door [persoon 2] en de door de toenmalige buren ter afscheiding geplaatste piketpaaltjes met prikkeldraad, moet het plaatsen van een hek langs die piketpaaltjes door [persoon 2] als een (door beide partijen ook beoogde) machtsuitoefening worden beschouwd die het bezit van de bewoners van [adres en woonplaats] ten aanzien van die strook grond teniet heeft gedaan. Naar verkeersopvatting moet [persoon 2] worden geacht dat hij de geruilde strook grond in gebruik heeft genomen met het oogmerk deze voor zichzelf te gaan (blijven) houden en daarover de feitelijke macht te gaan uitoefenen. Aldus moet [persoon 2] in ieder geval vanaf het moment dat hij het hek langs de piketpaaltjes heeft geplaatst als bezitter van de strook grond worden beschouwd.

5.9.

Een bezitter van onroerend goed wordt niet als te goeder trouw aangemerkt wanneer aan het bezit geen notariële leveringsakte ten grondslag ligt die is in geschreven in de openbare registers (vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 409 + artikel 3:118 en 119 lid 2 BW). Tussen partijen staat vast dat [persoon 2] en de toenmalige bewoners van [adres en woonplaats] bij de grondruil géén notariele leveringsakte hebben laten opmaken. [persoon 2] kon ten aanzien van de door hem in bezit genomen strook grond dus niet als bezitter te goeder trouw worden aangemerkt. Dit brengt mee dat [persoon 2] destijds niet op grond van verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW rechthebbende van de strook grond kon zijn geworden.

5.10.

Aldus resteert de mogelijkheid dat [persoon 2] de eigendom van de strook grond op grond van bevrijdende verjaring heeft verkregen, nu daarvoor geen goede trouw is vereist. De termijn daarvoor is gaan lopen vanaf het moment dat [persoon 2] bezitter is geworden van de strook grond.

5.11.

Hiervoor is reeds overwogen dat [persoon 2] in ieder geval vanaf het moment dat hij het hek langs de piketpaaltjes heeft geplaatst als bezitter van de strook grond moet worden beschouwd. [gedaagde] stelt dat [persoon 2] het hek in de jaren zeventig heeft geplaatst, hetgeen [eisers] niet heeft weersproken, zodat dit vast staat. Voor wat betreft de aanvang van de verjaringstermijn zal daarom worden uitgegaan van de voor de zich op verjaring beroepende partij minst gunstige datum, te weten 31 december 1979 (de laatste dag van de jaren zeventig).

5.12.

De verjaringstermijn is aangevangen vóór de inwerkingstreding van het nieuwe Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992, maar nu de in artikel 2004 (oud) BW vermelde verjaringstermijn nog niet was verstreken op 1 januari 1993 (vgl. artikel 73 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek), is de verjaringstermijn van twintig jaar (vgl. artikel 3:306 jo. artikel 3:314 lid 2 BW) onverkort van toepassing. Dit betekent dat in beginsel de verjaringstermijn voltooid is per 31 december 1999. Van handelingen waaruit kan worden opgemaakt dat de toenmalige bewoners van [adres en woonplaats] bezwaar hebben gemaakt tegen de ingebruikneming van de strook grond door [persoon 2] is niet gebleken, hetgeen gezien de overeengekomen grondruil ook niet voor de hand ligt. Ook nadat [eisers] in de loop van 1999 aan [adres en woonplaats] is gaan wonen, is niet gebleken dat hij vóór 31 december 1999 bezwaar heeft gemaakt tegen het gebruik van de strook grond door [persoon 2] . [eisers] heeft ter zitting op dit punt ook verklaard dat de hekken er al stonden bij zowel de eerste bezichting als bij de aanschaf van de woning in 1999, maar dat hij daar destijds maar ook na de levering geen vragen over heeft gesteld aan de toenmalige verkopers van de woning.

5.13.

Nu van tussentijdse stuitingshandelingen niet is gebleken, betekent een en ander dat de verjaringstermijn op 31 december 1999 is verstreken en dat [persoon 2] per die datum op grond van artikel 3:105 lid 1 BW de eigendom van de strook grond heeft verkregen.

5.14.

Op grond van het voorgaande zal de door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring voor recht en nevenvorderingen (inclusief na te melden dwangsom) worden toegewezen op na te melden wijze, doch met uitzondering van de gevorderde veroordeling van [eisers] om de strook grond aan [gedaagde] te zijner vrije beschikking te laten daar [gedaagde] als eigenaar (door verjaring) al het meest verstrekkende recht heeft.

5.15.

Bij gebreke aan een deugdelijke feitelijke grondslag zal de vordering van [eisers] tot - kort gezegd - ontruiming van de strook grond door [gedaagde] worden afgewezen.

Proces- en nakosten

5.16.

Zowel in conventie als in reconventie zal [eisers] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten in conventie worden tot op heden begroot op € 1.191,00, te weten griffierecht € 287,00 en salaris advocaat € 904,00 (2 punten tarief II a € 452,00).

In reconventie heeft [gedaagde] in deze procedure geen zelfstandige kosten gemaakt, aangezien de vorderingen in conventie en in reconventie dezelfde beoordeling vereisten en [gedaagde] , buiten het formuleren van een vordering, geen aparte proceshandelingen heeft verricht. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden daarom begroot op nihil.

5.17.

De in reconventie gevorderde nakosten zullen als niet weersproken worden toegewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.191,-,

6.3.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 6.2. en 6.3. uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie:

6.5.

verklaart voor recht dat [gedaagde] door verjaring van de rechtsvordering van [eisers] eigenaar is van de litigieuze strook grond,

6.6.

veroordeelt [eisers] om binnen twee weken na de datum van dit vonnis mee te werken aan het kadastraal duiden en door het kadaster laten registreren van de eigendom van de litigieuze strook grond, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat [eisers] niet aan deze veroordeling voldoet en tot een maximum van € 2.500,- is bereikt,

6.7.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil,

6.8.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling onder 6.6. uitvoerbaar bij voorraad,

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

2438/2294