Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10181

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
C/10/509379 / HA ZA 16-873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensrechtelijke afwikkeling samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/509379 / HA ZA 16-873

Vonnis van 23 augustus 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.J. van Pelt,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.J. Badenbroek-de Graaf.

Partijen zullen hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,

  • -

    de oproepbrief van 16 november 2016, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    de akte wijziging/vermeerdering van eis van 22 februari 2017 aan de zijde van de man,

  • -

    de akte wijziging/vermeerdering van eis van 10 maart 2017 aan de zijde van de vrouw,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2017,

  • -

    de akte van 21 maart 2017 aan de zijde van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben vanaf 1994 een affectieve relatie met elkaar gehad. In 1995 hebben zij gezamenlijk een woning (hierna: de woning) gekocht en betrokken. De relatie is beëindigd op 5 februari 2016.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1.

Partijen hebben over en weer de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindigde samenleving gevorderd. Ter zitting hebben partijen een gedeeltelijke schikking getroffen, welke is vastgelegd in het proces-verbaal van comparitie. Partijen hebben afspraken gemaakt over:

- de waarde, overdracht en tenaamstelling van de woning,

- een door de man te betalen gebruiksvergoeding en de verrekening daarvan,

- de toe te delen auto’s,

- de verrekening van de gemeenschappelijke bankrekeningen, het contante geld, de aanslagen IB 2015 en de airmiles,

- ( de kosten van) het dupliceren van foto- en videomateriaal en persoonlijke bezittingen met betrekking tot de kinderen [kind partijen] en [kind partijen] ,

- het verstrekken van jaaropgaven van de ten behoeve van [kind partijen] geopende spaarrekeningen.

3.2.

Partijen zijn nog verdeeld over:

  • -

    de schenking van de ouders van de vrouw,

  • -

    de inboedel,

  • -

    de toedeling en vergoeding van de muntenverzameling.

De schenking

3.3.

Vast staat dat de ouders van de vrouw op 19 februari 2014 bij wijze van schenking een bedrag van € 100.000,- naar de gezamenlijke en/of-rekening van partijen hebben overgemaakt. Vervolgens is op 26 februari 2014 vanaf de en/of-rekening een bedrag van € 114.058,55 (inclusief € 441,93 aan rente en € 5.440,47 aan boeterente) overgeboekt naar de hypotheekbank, waardoor de ten behoeve van de woning afgesloten hypothecaire geldlening volledig werd ingelost en de aan de hypotheek gekoppelde spaarpolissen zijn vrijgekomen. Op 10 april 2014 zijn de afkoopwaardes van de spaarpolissen van in totaal € 60.375,30 aan partijen uitgekeerd, welk bedrag vervolgens is aangewend om de verbouwing van de woning ten behoeve van [kind partijen] (die zorgbehoevend, niet-zelfredzaam en rolstoelafhankelijk is) te bekostigen.

3.4.

De vrouw stelt dat de ouders het bedrag van € 100.000,- alleen aan de vrouw hebben geschonken ten behoeve van haar en de kinderen. Ter afwikkeling/verrekening van de beëindigde samenleving vordert de vrouw thans vergoeding van de helft van dit bedrag, te weten € 50.000,-, van de man. De man betwist dat de ouders de € 100.000,- alleen aan de vrouw hebben geschonken; volgens hem is het bedrag aan partijen gezamenlijk geschonken.

3.5.

Nu partijen destijds geen samenlevingsovereenkomst hebben gesloten, wordt vastgesteld dat - afgezien van de eenvoudige gemeenschap ten aanzien van de woning - er voor het overige geen gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW tussen partijen heeft bestaan. Indien vast zou komen te staan dat de ouders van de vrouw het bedrag van € 100.000,- alleen aan de vrouw hebben geschonken (en dus niet ook aan de man), dan heeft te gelden dat de vrouw als enige beschikkingsbevoegd was ten aanzien van het door haar ouders geschonken bedrag. Als zodanig heeft zij in dat geval de bestemming van de € 100.000,- bepaald door met dit bedrag de door partijen gesloten hypothecaire geldlening af te lossen om zodoende - zo staat tussen partijen vast - met de uitgekeerde afkoopwaardes van de aan de hypotheek gekoppelde spaarpolissen de voor [kind partijen] noodzakelijke althans gewenste aanpassingen aan de woning te bekostigen. Dat een en ander tot het kennelijk ongewenste neveneffect heeft geleid dat naast [kind partijen] óók de man van de aflossing van de hypothecaire geldlening heeft geprofiteerd, is een omstandigheid die de vrouw destijds kennelijk voor lief heeft genomen. Dat uit het door de vrouw overgelegde document (productie 1 dagvaarding) afgeleid zou kunnen worden dat de ouders en de vrouw nadrukkelijk bedoeld hebben om niét aan de man te schenken, doet hier niets aan af, maar onderstreept slechts dat - als overwogen - alleen de vrouw beschikkingsbevoegd was ten aanzien van het geschonken bedrag van € 100.000,-.

3.6.

De vrouw vordert thans vergoeding van de man van de helft van het geschonken bedrag (€ 50.000,-) van de man, maar nu er geen gemeenschap tussen partijen heeft bestaan, levert het enkele feit dat de schenking heeft plaatsgevonden gedurende de samenleving van partijen en de vrouw dit bedrag heeft bestemd tot aflossing van de hypothecaire geldlening daar geen grondslag voor. Dit deel van de vordering van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

De inboedel

3.7.

De vrouw heeft in productie 6 van de dagvaarding een overzicht van verdeling overgelegd waarvan zij stelt dat partijen daarover overeenstemming hebben bereikt. De man betwist dat overeenstemming is bereikt en heeft als productie 8 in zijn akte van 22 februari 2017 een overzicht van te verdelen zaken overgelegd.

3.8.

Nu de man het overzicht van de vrouw (productie 6) heeft verwerkt in zijn productie 8, zal aan de hand van zijn overzicht over de verdeling van de inboedel worden beslist. Met betrekking tot de rood/oranje gemarkeerde zaken stelt de man dat de vrouw deze zaken reeds heeft meegenomen. Voor zover deze zaken tevens geel gemarkeerd zijn, wenst de man kennelijk dat deze zaken aan hem worden toebedeeld. De vrouw betwist echter dat zij de rood/oranje zaken reeds heeft meegenomen dan wel (nog) in haar bezit heeft, waardoor thans de juistheid van de stelling van de man niet kan worden vastgesteld. Nu dit deel van de vordering zich niet leent voor bewijslevering en partijen het bovendien niet eens zijn over de verdeling van de blauw en groen gemarkeerde zaken, zullen partijen de zaken toebedeeld krijgen die zij thans feitelijk onder zich hebben, een en ander met uitzondering van de zaken die deel uitmaken van de in het proces-verbaal van comparitie opgenomen (gedeeltelijke) schikking. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

De muntenverzameling

3.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de muntenverzameling een hobby van de man betrof en dat hij gedurende de samenleving de aanschaf van die munten heeft betaald van de en/of-rekening dan wel met contant geld. De vrouw heeft de stelling van de man dat de muntenverzameling hem toekomt, ook niet weersproken. Gelet hierop valt de man als eigenaar van de muntenverzameling aan te merken en is, nu geen sprake is van een gemeenschap, toedeling van de muntenverzameling aan de man niet aan de orde. De vrouw zal dan ook op grond van artikel 5:2 BW (revindicatie) worden veroordeeld tot afgifte van de muntenverzameling aan de man, op straffe van verbeurte van na te melden dwangsom.

3.10.

Dat partijen een en/of-bankrekening hadden waaruit zij hun hobby’s financierden, wil niet zeggen dat het door elk van hen op die rekening gestorte bedrag gemeenschappelijk bezit is geworden. Weliswaar hebben bij een en/of-rekening ieder van de schuldeisers (in dit geval dus de man en de vrouw) voor het geheel een vorderingsrecht op de bank, maar dit impliceert nog niet dat er een gemeenschap bestaat ten aanzien van die vordering. Dit betekent concreet dat partijen slechts het gezamenlijk beheer over de rekening voerden en dat elk van partijen eigenaar zijn gebleven van het gedeelte dat door of vanwege hem of haar op de bankrekening is gestort. Nu de man reeds bij aanvang eigenaar van de muntenverzameling was, bestaat er dus in beginsel geen grondslag voor een door hem aan de vrouw te betaling vergoeding. Dit ligt anders wanneer de muntenverzameling (deels) is gefinancierd met een gedeelte van het geldbedrag dat door of vanwege de vrouw op de en/of-rekening is gestort. De vrouw heeft echter niet gesteld dat daarvan sprake is. De ter zake door de vrouw gevorderde vergoeding zal dan ook worden afgewezen.

De proceskosten

3.11.

Gelet op de (voormalige) relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie:

veroordeelt de vrouw om de muntenverzameling aan de man af te geven binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de vrouw niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,- is bereikt,

bepaalt dat alle inboedelzaken worden toebedeeld aan de partij die de desbetreffende zaken thans onder zich heeft, met uitzondering van de zaken die deel uitmaken van de in het proces-verbaal van comparitie opgenomen (gedeeltelijke) schikking,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2017.

2438/2294