Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
10/600042-08 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het aannemelijk dat met twaalf luchttransporten cocaïne is vervoerd en dat veroordeelde daaruit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De rechtbank vindt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de stelling van het Openbaar Ministerie dat veroordeelde 1/3 deel van de totale winst, een bedrag van 64 miljoen euro, heeft verdiend met de drugstransporten. Omdat veroordeelde geen enkel inzicht heeft gegeven in welk bedrag hij heeft ontvangen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan een schatting te maken hoeveel veroordeelde per transport heeft verdiend. Gelet op de essentiële rol die verdachte bij de transporten heeft gespeeld, maar ook gelet op zijn uitgavenpatroon, schat de rechtbank dat hij bij elk transport ten minste 5 % van de winst heeft ontvangen, zijnde € 9.604.452,25. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn wordt de betalingsverplichting op € 9.599.452,25 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Parketnummer: 10/600042-08 (ontneming)

Datum uitspraak: 22 december 2017

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak behorende bij de strafzaak met parketnummer 10/600042-08 tegen:

[naam veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering en van wat de officieren van justitie, mrs. A. Lodder en P.P.A.M. Notenboom, en de gemachtigd raadsvrouw van veroordeelde, mr. R.J.E. Merkus, op de zitting naar voren hebben gebracht.

2 De vordering en de grondslag daarvan

De officier van justitie heeft op 12 december 2013 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank en heeft deze vordering op de zitting toegelicht. Veroordeelde is bij uitspraak van deze rechtbank van 11 mei 2012 veroordeeld voor medeplegen van een poging tot het invoeren van circa 1.200 kilogram cocaïne. Veroordeelde heeft volgens de officier van justitie € 64.029.681,70 (het wederrechtelijk verkregen voordeel) verdiend met criminele activiteiten die verband houden met de in de strafzaak aangetroffen cocaïne, namelijk het vervoeren van andere partijen cocaïne voorafgaand aan genoemde poging. Dat bedrag zou veroordeelde aan de staat moeten betalen. De ontnemingsvordering is dan ook gebaseerd op artikel 36e lid 2 Sr (van de toenmalig geldende wettekst) en beoogt het wederrechtelijk voordeel te ontnemen uit soortgelijke feiten als waarvoor veroordeelde is veroordeeld.

Omdat de redelijke termijn is overschreden heeft de officier van justitie op zitting zijn vordering gematigd met € 5.000,-. Veroordeelde zou dus € 64.024.681,- aan de staat moeten betalen.

3 Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat uit het proces-verbaal van de zitting in de strafzaak niet blijkt dat de officier van justitie de ontnemingsvordering heeft aangekondigd. Dit is een vormverzuim waardoor veroordeelde in zijn belangen is geschaad. Veroordeelde is hierdoor de kans ontnomen om op tijd materiaal te verzamelen om zijn verweren tegen de ontnemingsvordering te onderbouwen, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim. Daarvoor is het volgende van belang. Uit het dossier blijkt dat op 18 juni 2008 aan veroordeelde een aantal documenten is betekend, waaronder de machtiging van de rechter-commissaris voor het strafrechtelijk financieel onderzoek en een proces-verbaal conservatoir beslag.1 Uit deze stukken blijkt dat aan veroordeelde op die datum (geruime tijd voor de behandeling van de strafzaak) reeds is gebleken dat de officier van justitie voornemens was een ontnemingsprocedure te starten alsook van het feit dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld. De ontnemingsvordering kan dus niet als een verrassing voor de veroordeelde zijn gekomen. Het verweer zal dus worden gepasseerd.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het aannemelijk is dat bij twaalf luchttransporten vanuit Brazilië naar Frankfurt in totaal 7.123,74 kilogram cocaïne werd vervoerd in plaats van blikjes Ecoflame (brandbare pasta/gel). De grondslag hiervoor wordt gevonden in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het rapport) van 23 oktober 20122 en het proces-verbaal Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (hierna: het SFO) van 14 november 20133. De totale winst die met de invoer van de cocaïne zou zijn behaald is berekend op € 192.089.045,09. Omdat uit CIE informatie is gebleken dat veroordeelde als “de baas” kan worden aangemerkt en dat hij met twee anderen de handel in verdovende middelen tot stand heeft gebracht, kan worden uitgegaan van een pondspondsgewijze verdeling, waarbij aan veroordeelde 1/3 deel van dit bedrag kan worden toebedeeld.
De conclusie van de officier van justitie luidt dan ook dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 64.029.681,70 bedraagt.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat veroordeelde ontkent dat hij zich in enige vorm heeft bezig gehouden met het transport van cocaïne en daar dus ook geen profijt van heeft genoten. Veroordeelde heeft dan ook hoger beroep tegen het vonnis in de strafzaak ingesteld. Zelfs al zou hij wel betrokken zijn geweest bij de invoer van cocaïne dan is het onvoldoende aannemelijk dat elk luchttransport een geslaagd cocaïnetransport was en/of dat de genoemde twaalf transporten het genoemde nettogewicht aan cocaïne bevatten. Zo is het mogelijk dat de transportlijn eerst is getest met een kleine hoeveelheid cocaïne. Voor de eerste drie transporten geldt dat het niet aannemelijk is dat veroordeelde in die periode in cocaïne heeft gehandeld en toen al miljoenen had verdiend. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat hij toen schulden had die hij moeilijk kon betalen. Op de facturen waarop de gewichten in het SFO zijn gebaseerd staan rekenkundige verschillen bij de nettogewichten per luchtvracht, wat maakt dat het nettogewicht van de vervoerde cocaïne lager moet uitvallen. Ook de pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel is onvoldoende onderbouwd. Voor zover het dossier zou wijzen op betrokkenheid van veroordeelde bij de transporten gaat het slechts om een faciliterende rol. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient dan ook te worden geschat op een fractie van de 64 miljoen euro die het Openbaar Ministerie vordert, aldus de raadsvrouw

4.3

Oordeel van de rechtbank

Is er via de luchtvrachten cocaïne vervoerd?

Vast staat dat er in de periode van mei 2005 tot en met februari 2008 twaalf luchttransporten vanuit Brazilië naar Frankfurt hebben plaatsgevonden, met volgens de vervoersdocumenten een lading Ecoflame aan boord. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat met deze twaalf luchttransporten cocaïne is vervoerd. Het SFO4 geeft hiervoor meerdere concrete aanwijzingen, onderbouwd door verwijzingen naar andere wettige bewijsmiddelen. Om te beginnen werden tien van de twaalf luchttransporten gereed gemaakt in een loods in [plaats 1] in Brazilië. Dit is dezelfde loods waar de cocaïne is aangetroffen waar veroordeelde in de strafzaak voor is veroordeeld. De cocaïne werd toen verpakt aangetroffen in dozen met het opschrift Ecoflame. De blikjes brandgel waren uit de dozen gehaald en vervangen door cocaïne. De rechtbank heeft in de strafzaak overwogen dat veroordeelde “de bewuste loods in [plaats 1] heeft laten huren om daar de cocaïne te laten verpakken en te laten voorzien van een deklading5. Verder blijkt dat de opgegeven eindbestemmingen van de luchtvrachten in Polen niet corresponderen met de daadwerkelijke eindbestemming, [naam bedrijf 1] in Rotterdam en Barendrecht.

De rechtbank gaat voorts uit van de volgende in het vonnis in de strafzaak genoemde feiten en omstandigheden: “Uit de bewijsmiddelen blijkt dat bij de eerdere transporten Ecoflame, waarbij de verdachte betrokken was, de volgende modus operandi werd gehanteerd. In een loods te [plaats 1] (Brazilië), die eerst door de verdachte en later ook namens hem werd gehuurd door [naam medeverdachte] , werd de aldaar aanwezige Ecoflame brandgel afkomstig van het bedrijf [naam bedrijf 2] in dozen verpakt. Deze dozen werden volgens de vrachtpapieren van vliegmaatschappij Lufthansa, via Frankfurt (Duitsland) verzonden naar [naam scheepvaartbedrijf] te [plaats 2] in Polen. Van voornoemde transporten die reeds in juni 2005 plaatsvonden en doorgingen tot begin 2008, is vast komen te staan dat deze na aankomst in Frankfurt (Duitsland) nimmer in Polen zijn afgeleverd. Van tenminste één luchtvracht, d.d. 2 februari 2008, is reeds op grond van de vrachtpapieren vast te stellen dat deze direct verzonden is naar [naam bedrijf 1] te Rotterdam, Nederland. Niet aannemelijk is geworden dat de brandgel daadwerkelijk als eindbestemming Polen had nu uit onderzoek is gebleken dat [naam scheepvaartbedrijf] geen (zakelijke) relatie heeft, noch heeft gehad met [naam bedrijf 1] te Nederland of [naam bedrijf 2] te Brazilië en dat er bovendien geen open vuur en dus geen brandgel is toegestaan op de schepen van Stena Line (...) De chauffeurs die in de periode juni 2005 tot februari 2008 de vracht van Frankfurt naar Rotterdam of Barendrecht hebben gereden, hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat de vracht afgeleverd werd op het opgegeven adres van [naam bedrijf 1] , te weten [adres 1] te Rotterdam of de [adres 2] te Barendrecht. Expediteurs die de chauffeurs inhuurden, [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 4] hebben verklaard na september 2006 te zijn benaderd door of namens [naam veroordeelde] ofwel [bijnaam veroordeelde] om de vracht niet naar Polen, maar naar Rotterdam of Barendrecht te vervoeren. Onderweg van Frankfurt naar Nederland werden de chauffeurs meermalen gebeld met het verzoek aan te geven wanneer zij op de plaats van bestemming zouden arriveren en werden in ieder geval één keer de vrachtpapieren ondertekend door een persoon genaamd [bijnaam veroordeelde] . Op 16 september 2007 is expediteur [naam bedrijf 3] verzocht om de chauffeur te informeren dat alvorens hij met de vrachtwagen bij [naam bedrijf 1] te Barendrecht zou arriveren, er contact gezocht moest worden met het telefoonnummer: [gsm-nummer] . Voornoemd telefoonnummer komt in het onderzoek ook naar voren tijdens het getuigenverhoor van mevrouw [naam getuige 1] te [plaats 1] , Brazilië. Wederom wordt dit nummer gelinkt aan de naam ‘ [bijnaam veroordeelde] ’ die - volgens de verklaring van getuige [naam getuige 1] - te [plaats 1] alcohol (warming)gel exporteerde bestemd voor zijn eigen bedrijf. Na een fotoconfrontatie blijkt getuige [naam getuige 1] , in de foto van de verdachte ‘ [bijnaam veroordeelde] ’ te herkennen. Uit het vorenstaande blijkt dat de dozen Ecoflame brandgel van alle luchtvrachten die zijn onderzocht, uiteindelijk zijn afgeleverd bij het bedrijf [naam bedrijf 1] te Nederland en in ieder geval een aantal keren in ontvangst zijn genomen door de verdachte”.6

Uit het SFO blijkt verder dat de gemiddelde kostprijs van een luchttransport per blikje Ecoflame € 2,09 was, terwijl de gemiddelde consumentenprijs per blikje € 0,41 was. Daarbij komt dat er vier dure luchttransporten plaatsvonden in een periode waarin Ecoflame nog zowel in Rotterdam als in Polen op voorraad was.7 Aangezien het transport veel duurder is dan de opbrengst, is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de dozen van Ecoflame daadwerkelijk potjes Ecoflame bevatten. Gezien het aantreffen van de cocaïne in de loods en het ontbreken van een andere verklaring houdt de rechtbank het ervoor dat de lading van alle 12 luchttransporten cocaïne was. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het vonnis in de strafzaak en de overige hiervoor genoemde omstandigheden voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde de 12 luchttransporten heeft georganiseerd en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de invoer van grote hoeveelheden cocaïne in de periode mei 2005 tot en met februari 2008.

Anders dan de verdediging ziet de rechtbank geen aanwijzingen in het dossier dat niet alle luchttransporten geslaagde cocaïnetransporten waren. Het gegeven dat veroordeelde in 2006 schulden had is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat met de eerste drie transporten geen cocaïne is vervoerd. Het is immers mogelijk dat de cocaïne op een later moment is verkocht, dat veroordeelde zijn deel van de winst pas later heeft ontvangen, of dat hij zijn geld aan andere zaken besteedde dan het aflossen van schulden. Ook de omstandigheid dat de goederen voor de eerste twee transporten niet in de loods in [plaats 1] zijn ingepakt, vindt de rechtbank, gelet op alle overige bedenkelijke omstandigheden rondom deze transporten, onvoldoende om aan te nemen dat er met deze transporten – anders dan met de daaropvolgende 10 transporten – geen cocaïne is vervoerd.

Nettogewicht cocaïne en het totaalbedrag aan opbrengst

Het Openbaar Ministerie is bij de berekening van het nettogewicht van de cocaïne uitgegaan van de netto gewichten die staan vermeld op de facturen van [naam bedrijf 2] , de producent van de blikjes brandgel, en de ‘airway bills’ van vliegtuigmaatschappij Lufthansa. Volgens het Openbaar Ministerie is aannemelijk dat de hoeveelheid vervoerde cocaïne per luchttransport gelijk was aan het nettogewicht van de blikjes brandgel. Basis van deze veronderstelling is een onderschept sms-bericht van verdachte aan een medeverdachte met de tekst ‘max 770’, waarna 7 dagen later een luchtvrachtlading Ecoflame met een nettogewicht van 768 kilogram vanuit de loods in [plaats 1] wordt verzonden. Door deze rekenwijze op alle vluchten toe te passen is het Openbaar Ministerie uitgekomen op een totaal nettogewicht van 7.123,74 kilogram.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging niets heeft ingebracht tegen deze wijze van berekening van de hoeveelheid vervoerde cocaïne. De enkele suggestie van de verdediging dat er mogelijk ook testtransporten hebben plaatsgevonden is in het geheel niet onderbouwd. De raadsvrouw heeft nog wel een tegenberekening gemaakt, waarin zij is uitgegaan van het aantal blikjes Ecoflame maal het gewicht per blikje. Daarmee komt zij op lagere nettogewichten uit dan die onder ‘net weight’ staan vermeld op de facturen en vervoersdocumenten. Enkel het feit dat de ‘net weight’ niet exact correspondeert met het aantal blikjes keer de inhoud aan Ecoflame, acht de rechtbank echter onvoldoende om van een ander nettogewicht uit te gaan. Te meer omdat de rechtbank het juist niet aannemelijk vindt dat er daadwerkelijk Ecoflame in de dozen heeft gezeten. De rechtbank gaat dan ook uit van het nettogewicht wat onder ‘net weight’ op de vervoersdocumenten staat vermeld, zoals in het SFO aan de berekening ten grondslag is gelegd. Gelet op het nettogewicht van 7.123,74 kilogram en met inachtneming van de in het rapport en de in het SFO genoemde bedragen – die door de verdediging onweersproken zijn gelaten – komt de rechtbank, net als het SFO, op een totale winst uit de 12 luchttransporten van € 192.089.045,09.

De rol van veroordeelde en het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank vindt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de aanname van het Openbaar Ministerie dat veroordeelde 1/3 deel van de totale winst heeft ontvangen. Enkel een onbevestigd bericht van een CIE-informant dat veroordeelde met twee anderen in cocaïne zou handelen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet wel aanknopingspunten in het dossier en met name ook in het vonnis in de strafzaak voor een leidinggevende rol van veroordeelde, maar die leiding beperkt zich tot het regelen van het transport. De officier van justitie heeft geen bewijsmiddelen gepresenteerd waaruit aannemelijk wordt dat veroordeelde de eigenaar was van de cocaïne en/of dat hij hoeveelheden cocaïne in Nederland heeft verkocht. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat veroordeelde met het regelen van de transporten 1/3 van de totale winst van de partijen cocaïne zou hebben gekregen.

Dat hij bij de luchttransporten een aanzienlijke rol heeft gespeeld blijkt uit het volgende. Zoals hiervoor en in de strafzaak is overwogen blijkt allereerst dat veroordeelde de loods in Brazilië heeft laten huren en dat hij degene was die heeft geregeld dat de transporten niet in Polen, maar bij [naam bedrijf 1] in Nederland werden afgeleverd. Bovendien zijn er sterke aanwijzingen dat veroordeelde een aantal transporten zelf heeft afgehaald. Daarnaast blijkt uit het SFO dat veroordeelde ten tijde van tien van de twaalf luchttransporten, in Brazilië aanwezig was. Dit is onder meer gebleken uit vliegtickets, hotelkosten en pintransacties. Getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] hebben tegenover de politie voorts verklaard dat zij door “ [bijnaam veroordeelde] ” (de rechtbank gaat ervan uit dat daarmee veroordeelde is bedoeld) zijn gevraagd om inpakwerkzaamheden te verrichten in de loods. Veroordeelde is dus niet alleen betrokken geweest bij de omleiding van de transporten van Polen naar Nederland en de ontvangst van de vracht in Nederland, maar hij had ook de touwtjes in handen bij de verzending vanuit Brazilië. Gelet op deze omstandigheden is het aannemelijk dat hij hiervoor een aanzienlijke vergoeding heeft gekregen. In het SFO wordt daarnaast beschreven dat de contante uitgaven van veroordeelde in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2008 zijn vastgesteld op minimaal € 1.014.592,72. Daarnaast heeft hij onder meer woningen op Malta en een schip met een aankoopbedrag van USD 500.000,- gekocht. Ook blijkt uit het SFO dat hij meerdere dure aankopen bij Antwerpse juweliers heeft gedaan en dat hij zeer regelmatig in het casino kwam en daar met grote sommen geld speelde. Dit terwijl zijn legale inkomen onvoldoende was om over zulke geldbedragen te beschikken en zulke aankopen te financieren.8 Ook is gebleken dat veroordeelde op 4 april 2008 in Hannover door de Duitse douane is gecontroleerd op het moment dat hij € 989.500,- in contanten vervoerde. Gelet op deze omstandigheden is het aannemelijk dat veroordeelde heeft beschikt over een aanzienlijke inkomstenbron uit de handel in verdovende middelen.

Omdat veroordeelde geen enkel inzicht heeft gegeven in welk bedrag hij heeft ontvangen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan een schatting te maken hoeveel veroordeelde per transport daaraan heeft verdiend. Gelet op de essentiële rol die veroordeelde bij de transporten heeft gespeeld, maar ook gelet op zijn uitgavenpatroon, schat de rechtbank dat hij bij elk transport ten minste 5 % van de winst heeft ontvangen. In totaal schat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde dus op:

5 % van € 192.089.045,09 = € 9.604.452,25

5 De verplichting tot betaling

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de overschrijding voor een deel aan veroordeelde zelf te wijten is, moet aan hem een betalingsverplichting worden opgelegd van € 5.000,- minder dan het totale wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van een dubbele ontneming als gevolg van de ontnemingsprocedure tegen veroordeelde in Duitsland. Het al door de Duitse rechtbank ontnomen bedrag van € 989.500,- moet daarom in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Verder heeft zij aangevoerd dat de terugbetalingsverplichting moet worden gematigd, omdat veroordeelde niet draagkrachtig is. Op al zijn noemenswaardige vermogensbestanddelen is beslag gelegd. De redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van veroordeelde is niet rooskleurig. De raadsvrouw heeft de rechtbank dan ook verzocht om de betalingsverplichting gelijk te stellen aan de waarde van het beslag.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Duitse ontneming

Door de raadsvrouw is verzocht om het reeds in Duitsland ontnomen bedrag van € 989.500,- in mindering te brengen op de betalingsverplichting. Dit verweer wordt verworpen. nu uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2013 volgt dat artikel 36e, tiende lid Sr niet van toepassing is op ontnemingsmaatregelen die zijn opgelegd door een buitenlandse rechter9.

Draagkracht

Veroordeelde heeft onvoldoende onderbouwd dat hij, naast de beslagen vermogensbestanddelen, nu en in de toekomst geen draagkracht heeft/zal hebben. Als in het kader van de executie van de ontnemingsmaatregel komt vast te staan dat er daadwerkelijk geen middelen tot terugbetaling zijn, kan veroordeelde de rechter om een (nadere) beslissing vragen op grond van artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Overschrijding van de redelijke termijn

Een veroordeelde heeft recht op berechting van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat op een ontnemingsvordering binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de veroordeelde en/of zijn advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijk termijn in deze zaak is aangevangen op 18 juni 2008, de datum waarop het conservatoir beslag is betekend aan veroordeelde. Vanaf die datum kon veroordeelde in redelijkheid verwachten dat tegen hem een ontnemingsvordering zou worden ingesteld. Op het moment van deze uitspraak zijn er circa 9,5 jaar verstreken, waarmee het uitgangspunt van twee jaar ruimschoots is overschreden. De rechtbank vindt dat er in deze zaak bijzondere omstandigheden zijn waardoor het gerechtvaardigd is dat de afdoening van de ontneming langer heeft geduurd dan het uitgangspunt van twee jaar. Het is een complexe zaak gezien de beperkte informatie die beschikbaar was, de langere periode waar de ontneming op ziet en de internationale aspecten. Ook de proceshouding van veroordeelde heeft invloed gehad op de duur van de procedure. De rechtbank vindt dat deze zaak gezien deze omstandigheden binnen een termijn van 6,5 jaar na juni 2008 had moeten kunnen worden afgerond. Deze termijn is met drie jaren overschreden, waarvoor de rechtbank € 5.000,- in mindering brengt op het terug te betalen wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank onderkent dat dit bedrag in het niet valt bij de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ziet in die omstandigheid geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de Hoge Raad dat de betalingsverplichting als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn met maximaal € 5.000,- wordt verminderd.

De rechtbank stelt het te betalen bedrag vast op € 9.599.452,25

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 9.604.452,25.

Legt op aan [naam veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 9.599.452,25 (negen miljoen vijfhonderdnegenennegentigduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijfentwintig cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.T. Hylkema, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2017.

1 Een akte van uitreiking met nummer [akte-nummer] van 18 juni 2018, ordner 7, pag. 2921 en een proces-verbaal conservatoir beslag met nummer [proces-verbaalnummer 1] van 18 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] , ordner 7, pag. 2941 e.v.

2 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e 2e lid Sr, inclusief onderliggende stukken, van 23 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] , ordner 27.

3 Een proces-verbaal Strafrechtelijk Financieel Onderzoek met nummer [proces-verbaalnummer 2] , inclusief onderliggende stukken, van 14 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] , ordner 1.

4 Een proces-verbaal Strafrechtelijk Financieel Onderzoek met nummer [proces-verbaalnummer 3] , inclusief onderliggende stukken, van 14 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] , ordner 1 (hierna: het SFO).

5 Rechtsoverweging 4, pag. 16.

6 Rechtsoverweging 1, pag. 2 en 3.

7 Het SFO, hoofdstuk 3, §17, pag. 29.

8 Het SFO, hoofdstuk 5, 6 en 7, pag. 33 e.v.

9 HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:125.