Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10135

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
6115322
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

dringend eigen gebruik, 7:274 lid 1 sub c BW, verhuis- en inrichtingsvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6115322 \ CV EXPL 17-22826

uitspraak: 29 december 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

woonplaats: [plaatsnaam],

eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. J.A.J. Devilee,

tegen

[gedaagde] ,

woonplaats: [plaatsnaam],

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. J.C.M. Cloïn.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 23 juni 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in voorwaardelijke reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2017, waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de door [eiser] nagezonden producties 8 en 9;

  • -

    de door [gedaagde] nagezonden producties 3 tot en met 8, en

  • -

    het proces-verbaal van de op 2 november 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum voor de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] huurt vanaf 1 april 2009 van [eiser] de woning gelegen aan de [straat-en plaatsnaam]. Tussen partijen bestaat een schriftelijke huurovereenkomst.

2.2

[eiser] heeft de huurovereenkomst bij brief van 16 juli 2016 opgezegd wegens dringend eigen gebruik. [gedaagde] heeft met die opzegging niet ingestemd.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn zal eindigen;

  2. [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis te ontruimen, onder afgifte van alle sleutels;

  3. zowel primair als subsidiair [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van de procedure.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag dat hij de woning na een relatiebreuk dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

3.3

[gedaagde] betwist de vordering. Daartoe voert hij aan dat [eiser] zelf aangeeft dat zijn relatie al in december 2015 is geëindigd en dat [gedaagde] pas in juni 2016 voor het eerst in kennis is gesteld van diens wens om de woning zelf te bewonen. [gedaagde] heeft nimmer ingestemd met een beëindiging. [gedaagde] ontvangst slechts een WIA-uitkering met een kleine aanvulling en zijn medische toestand is slecht (astma, hooikoorts, psychosen, angst- en slaapstoornissen), zodat verhuizen voor hem geen redelijke optie is.

4 De vordering in voorwaardelijke reconventie

4.1

In het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat de huurovereenkomst ten einde dient te komen, vordert [gedaagde] een redelijke tegemoetkoming van € 5.910,00 in verhuis- en inrichtingskosten van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de (na-)kosten van de procedure, vermeerderd met de rente zoals omschreven.

4.2

Ter onderbouwing van zijn vordering verwijst [gedaagde] naar zijn stellingen in conventie.

5 De beoordeling

in conventie

5.1

Op grond van artikel 7:274 lid 1 sub c BW kan een vordering tot beëindiging van een huurovereenkomst van woonruimte worden toegewezen indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder andere passende woonruimte kan verkrijgen.

5.2

[gedaagde] heeft tijdens de comparitie erkend dat er door/voor hem ‘als je alleen kijkt naar de portemonnee’ andere passende huurruimte te verkrijgen is. Op financieel gebied bestaat die mogelijkheid. Hij handhaaft wel zijn verweer ten aanzien van de onwenselijkheid van een verhuizing in verband met zijn medische toestand.

5.3

[gedaagde] betwist niet dat [eiser] thans geen woonruimte heeft en daardoor een zwervend bestaan leidt; hij is inwonend afwisselend bij zijn zoon en zijn broer. Weliswaar betwist [gedaagde] de noodzaak voor [eiser] om het gehuurde zelf in gebruik te nemen, maar die noodzaak volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit het voorgaande. Weliswaar zou [eiser] nog een andere woning kunnen huren, maar gelet op het feit dat hij de onderhavige woning in eigendom heeft, zal dat - zoals door hem onweersproken gesteld - heel lastig zijn en bovendien zou hij dan voor die andere woning geen huurtoeslag krijgen. De vraag is of de belangen van [gedaagde] moeten wijken om aan voornoemde onwenselijke situatie voor [eiser] een einde te maken.

5.4

[eiser] heeft in het kader van de belangenafweging aangevoerd dat hij geen andere mogelijkheid heeft om in zijn huisvestingsbehoefte te voorzien. Dat klemt te meer, omdat daardoor geen deugdelijke omgangsregeling met zijn dochtertje van (ongeveer) 11 jaar oud mogelijk is. Hij leeft thans een zwervend bestaan. [gedaagde] voert daar tegen aan dat niet valt in te zien dat [eiser] de woning ‘dringend’ nodig heeft, omdat hij na het einde van zijn relatie ruim negen maanden heeft gewacht met het in kennis stellen van [gedaagde] van zijn wens om de huurovereenkomst te beëindigen. Verder acht [gedaagde] het in verband met zijn medische aandoening(en) van zeer groot belang dat hij zich rustig, veilig en fijn voelt in zijn woon- en leefomgeving. Dit heeft hij gevonden in zijn huidige woonomgeving en wenst hij te behouden.

5.5

[gedaagde] hangt zijn verweer voor een groot deel op aan zijn medische toestand. Hij heeft ter onderbouwing van zijn situatie informatie in het geding gebracht van zijn medicatie. Hij geeft aan dat hij voor zijn aandoening(en) onder behandeling is. Een verklaring of diagnose van een behandeld arts ontbreekt echter, maar de medische situatie van [gedaagde] wordt door [eiser] niet met zoveel woorden betwist, zodat daarvan voor de verdere beoordeling wordt uitgegaan. Ten aanzien van het belang voor [gedaagde] om - in verband met zijn medische toestand - in deze woning te blijven wonen had het op de weg gelegen van [gedaagde] om dit standpunt te onderbouwen, bijvoorbeeld door het in het geding brengen van een verklaring van de behandelend arts die de gestelde ‘noodzaak’ onderschrijft. Het blijft nu bij een enkele stellingname die niet is onderbouwd en bovendien door [eiser] wel wordt betwist. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen, omdat [gedaagde] eigenlijk slechts aangeeft dat hij het fijn heeft in zijn huidige woning en dat een gedwongen plotseling vertrek negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor zijn medische situatie. Van een plotselinge verhuizing, zoals door [gedaagde] aangevoerd, kan in dit geval echter geen sprake zijn, omdat deze kwestie al, in ieder geval, ruim en jaar speelt. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde], zijn medische toestand in aanmerking nemend, zich niet ook rustig, veilig en fijn zou kunnen voelen in een andere woon- en leefomgeving en aldaar vertrouwdheid zou kunnen bouwen. Van de door [gedaagde] gestelde noodzaak tot het blijven woning in zijn huidige woning kan dan ook in deze procedure niet worden uitgegaan. Blijkbaar speelde bij [gedaagde] ook mee dat het instemming met een beëindiging hem in een lastige positie zou brengen met betrekking tot de verkrijging van een urgentieverklaring. Die omstandigheid, gelet op het door hem in deze procedure gevoerde verweer, speelt thans niet meer.

5.6

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met de nog relatief jonge leeftijd van [gedaagde] (geboortejaar 1974) en de niet zeer lange periode dat hij in het gehuurde heeft gewoond (8 jaar), is de kantonrechter van oordeel dat de opgeworpen vraag of de huurovereenkomst tussen partijen als gevolg van een opzegging daarvan door [eiser] op grond van dringend eigen gebruik zal eindigen, bevestigend moet worden beantwoord.

5.7

De kantonrechter stelt de datum waarop de huurovereenkomst eindigt vast op

1 februari 2018. De ontruiming moet dan ook voor die datum plaatsvinden. Dit betekent dat [gedaagde] na het wijzen van dit vonnis bijna 7 weken beschikbaar heeft om een andere passende woonruimte te vinden en te verhuizen. Voor een dergelijke opdracht is genoemde periode weliswaar niet erg lang te noemen, maar daar staat tegenover dat [gedaagde] dan al, in ieder geval, ruim anderhalf jaar op de hoogte is van de wens van [eiser] om tot beëindiging van de huurovereenkomst te komen en hij daarmee dus al lange tijd rekening heeft kunnen houden. [eiser] heeft belang bij ontruiming tegen deze datum, opdat zijn zwervend bestaan zo spoedig mogelijk tot een einde komt. Dat einde is met deze beëindigingsdatum naar het oordeel van de kantonrechter afdoende in zicht.

in reconventie

5.8

Gelet op voornoemde oordeel is aan de door [gedaagde] aan zijn reconventionele vordering gestelde voorwaarde voldaan, zodat aan beoordeling van die vordering wordt toegekomen. De vordering van [eiser] is toegewezen op grond van artikel 7:274 lid 1 onder c BW, zodat de kantonrechter op grond van artikel 7:275 lid 1 een bedrag kan vaststellen dat de verhuurder aan de huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten. [gedaagde] heeft om een dergelijke vergoeding gevraagd, zodat beoordeeld zal worden of die toegewezen dient te worden. In dat verband is van belang dat [eiser] tijdens de comparitie van partijen te kennen heeft gegeven dat hij bij vertrek van [gedaagde] bereid is om een vergoeding van € 5.910,00 te betalen. Dat is gelijk aan het bedrag dat [gedaagde] (ten minste) heeft gevorderd. [gedaagde] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die een hogere vergoeding rechtvaardigen. Er is geen sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 7:275 lid 3 jo. lid 4 BW, zodat de kantonrechter vrij is om de hoogte van de verhuis- en inrichtingsvergoeding vast te stellen. Gelet op de bereidheid van [eiser] tot betaling, wordt het gevorderde bedrag van € 5.910,00 toegewezen en bestaat er geen aanleiding om aan [eiser] een termijn toe te staan om de opzegging in te trekken.

in conventie en in reconventie

5.9

Nu partijen over en weer (voor een deel) in het (on)gelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5.10

Gelet op het bepaalde in artikel 7:272 lid 1 BW wordt het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

stelt de datum waarop de huurovereenkomst eindigt vast op 1 februari 2018 en veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde uiterlijk op die datum ontruimd te hebben en verlaten te hebben met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;

in reconventie

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

€ 5.910,00 aan verhuis- en inrichtingsvergoeding;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

703