Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10091

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
10/660463-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een 36-jarige man uit Rotterdam wegens poging tot doodslag op zijn (ex-)vriendin en het veroorzaken van brand in haar woning tot 14 jaar gevangenisstraf en betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer van ruim 180.000 euro. Hij heeft haar op 14 augustus 2016 in haar woning met benzine overgoten en die vervolgens in brand gestoken. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer op grote delen van haar lichaam zeer ernstig letsel opgelopen waardoor zij de rest van haar leven getekend zal blijven. Tevens is haar flatwoning grotendeels uitgebrand, waarbij er groot gevaar voor andere bewoners is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/660463-16

Uitspraakdatum: 21 december 2017
Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting, Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Vught,
bijgestaan door mr. P.J. Zandt, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 december 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I. Streefland-Blok heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord;

  • -

    bewezenverklaring van de respectievelijk onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde brandstichting;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht,

  • -

    oplegging van een contact- en gebiedsverbod voor de duur van 5 jaar ten aanzien van aangeefster [naam slachtoffer]

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1 impliciet primair tenlastegelegde

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft proberen te beroven.

4.2.

Bewezenverklaring feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde en feit 2

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier geen objectief, direct en onafhankelijk bewijs bevat voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten.
Het enkele feit dat de verdachte zich rond het tijdstip van die feiten bevond in de flat of in de omgeving van de woning van aangeefster is niet redengevend voor enige strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte, aangezien hij een affectieve relatie had met haar.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de door aangeefster afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt dat aangeefster in de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten frequent gebruiker was van verdovende middelen. Daarenboven zou ze de dag voor de brand gedreigd hebben zichzelf wat aan te doen en de verdachte daar de schuld van te geven. Een en ander betekent dat de zich in het dossier bevindende de auditu-getuigenverklaringen, die volledig afkomstig zijn van en te herleiden zijn tot de aangeefster als enige bron, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Ook de verklaring van aangeefster van 20 september 2016, direct na het ontwaken uit haar comateuze toestand afgelegd, dient als onbetrouwbaar te worden beschouwd. Het is aannemelijk dat haar geheugen ten gevolge van de kunstmatige slaap verstoord is geraakt en daarmee ook veel herinneringen gewist zijn.

Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat op grond van het voorhanden dossier niet kan worden uitgesloten dat de brand door aangeefster zelf, mogelijk bij wijze van een uit de hand gelopen dreigement, is veroorzaakt.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Op 14 augustus 2016 hebben verbalisanten zich, omstreeks 17:36 uur, begeven naar de [adres delict] in Rotterdam naar aanleiding van de melding dat iemand in brand stond op een galerij van de flat. De mogelijke mannelijke dader zou met een hond zijn weggerend.

Ter plaatse troffen zij aangeefster [naam slachtoffer] met rode huidskleur, onder de blaren en met verschroeid hoofdhaar aan bij de hoofdingang van het flatgebouw. Aangeefster is met derdegraads brandverwondingen overgebracht naar het Maaslandziekenhuis. In de woning van aangeefster, het pand aan de [adres delict] te Rotterdam, woedde op dat moment nog brand. Bij de bluswerkzaamheden is voor de woning een fles met rode dop met daarin een vloeistof, te weten – naar later uit onderzoek is gebleken – motorbenzine, aangetroffen.

De politie heeft diverse getuigen gehoord, onder wie [naam getuige 1] . [naam getuige 1] heeft verklaard dat hij op de galerij stond van het tegenovergelegen flatgebouw aan de [straatnaam] en dat hij zag dat op de negende etage van het flatgebouw aan de [adres delict] een persoon vanaf het middel tot aan de kruin in brand stond. [naam getuige 1] zag vervolgens een man vanaf deze woning met een zwart-witte hond richting de liftschacht lopen en hoorde dat hij daarbij met luide stem riep: “Brand maar af, kankerhoer!” Ook [naam getuige 2] is gehoord. Zij heeft verklaard dat ze op enig moment iemand om hulp hoorde roepen. Op de galerij van de negende etage zag zij [naam slachtoffer] liggen, met verbrande haren en brandwonden in het gezicht . Toen zij [naam slachtoffer] naar de lift begeleidde, hoorde ze iemand “kankerhoer” roepen. [naam slachtoffer] zei haar dat haar ex-vriend haar in brand had gestoken en antwoordde op de vraag wie haar dit had aan gedaan “ [naam verdachte] ” en “ [adres verdachte] ”, zijnde het woonadres van de verdachte. .

[naam getuige 3] heeft verklaard dat hij op 14 augustus 2016 heeft gezien dat de verdachte, die hij kent als de partner van [naam slachtoffer] , met zijn hond bij het flatgebouw aan de [adres delict] stond en aanbelde. Toen de deur open ging, liep de verdachte de hal in en stapte hij in de (oneven) lift (de rechtbank begrijpt: de lift die toegang geeft tot de oneven etages). Ongeveer vijf minuten later was de brand. Op beelden die zijn gemaakt met camera’s die zijn bevestigd aan het flatgebouw aan de [adres delict] te Rotterdam is onder meer vastgelegd dat de verdachte op 14 augustus 2016 omstreeks 17:34 uur met zijn hond en een boodschappentas, waarin zich een voorwerp met rode dop bevindt, het gebouw in loopt en in de lift stapt. Omstreeks 17:42 uur loopt de verdachte, zonder hond en boodschappentas, het gebouw weer uit.

Aangeefster heeft op 14 augustus 2016 zowel tegenover verbalisant [naam verbalisant] als ambulancebroeder [naam ambulancemedewerker] verklaard dat de verdachte haar dit heeft aangedaan.

De verdachte, op wiens handen de politie op 14 augustus 2016 omstreeks 19.00 uur verbrande haartjes waarnam, heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid bij het flatgebouw op het moment dat de brand uitbrak.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

De rechtbank stelt voorop dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de op 14 augustus 2016 afgelegde verklaringen van aangeefster [naam slachtoffer] en overweegt daartoe als volgt. Direct na de brand heeft [naam slachtoffer] tegen de getuigen [naam getuige 2] , [naam getuige 4] , [naam ambulancemedewerker] en verbalisant [naam verbalisant] gezegd dat de verdachte haar in brand heeft gestoken.

Haar verklaring wordt op dit onderdeel ondersteund door de verklaring van de melder van de brand, getuige [naam getuige 1]1, die een man met een zwart-witte hond uit de woning van aangeefster heeft zien komen en weet dat de man met wie aangeefster een relatie heeft, in het bezit is van zo’n hond. Daar komt bij dat getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat hij op die bewuste dag heeft gezien dat de verdachte enkele minuten voor de brand, het flatgebouw in is gelopen met zijn hond en in de oneven lift is gestapt, hetgeen wordt bevestigd door camerabeelden van het flatgebouw.

Al het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte verantwoordelijk is voor de ontstane brand. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het zijdens de verdachte gesuggereerde alternatieve scenario, te weten dat [naam slachtoffer] door eigen toedoen in brand is geraakt, in het licht van de medische verklaring waaruit blijkt dat de aangeefster een ernstig verbrande rug, nek en achterhoofd had, niet aannemelijk is. Dat letsel past veel meer bij de gang van zaken zoals die uit de verklaring van aangeefster volgt, namelijk dat zij van achteren overgoten is met benzine en vervolgens is aangestoken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de respectievelijk onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde poging tot doodslag en brandstichting..

De rechtbank zal het door de verdediging gedane (voorwaardelijke) verzoek tot benoeming van een deskundige, teneinde onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster afgelegd op 14 augustus 2016, afwijzen. De noodzaak daartoe is de rechtbank niet gebleken. De door de verdediging gestelde omstandigheden, namelijk dat aangeefster zou kampen met psychische problematiek en veelvuldig drugs zou gebruiken, zijn onvoldoende om tot benoeming van een deskundige over te gaan.

Nu de rechtbank de op 20 september 2016 en 4 oktober 2016 afgelegde verklaringen van aangeefster niet bezigt tot het bewijs, heeft de verdediging geen belang bij een onderzoek naar de betrouwbaarheid van deze verklaringen. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek dan ook af.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 14 augustus 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, die [naam slachtoffer] heeft overgoten met benzine en vervolgens die benzine heeft aangestoken zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.
hij op 14 augustus 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres delict] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk [naam slachtoffer] overgoten met benzine, en vervolgens die benzine,

aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en die woning is verbrand, terwijl daarvan

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in belendende/omliggende woningen bevindende personen en

- gemeen gevaar voor belendende/omliggende woningen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:
poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Op 31 december 2016 hebben L. Beverloo, psychiater, B.W. Roelofs van Boon, GZ-psycholoog, en M. Verhoeven, forensisch milieuonderzoekster, op basis van de aanwezige stukken en na intern overleg in hun Pro Justitia triple rapportage geadviseerd de verdachte in het Pieter Baan Centrum te onderzoeken.

In opdracht van de rechtbank hebben de psychiater R. Ladee en de GZ-psycholoog I. Schilperoord, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychische Observatiekliniek te Utrecht, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team, een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte.

Uit de door onderzoekers opgemaakte rapportage Pro Justitia, gedateerd 6 oktober 2017, blijkt dat de verdachte slechts ten dele heeft meegewerkt aan het onderzoek. De onderzoekers hebben bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van chronisch misbruik en afhankelijkheid van soft- en harddrugs vastgesteld.
Vast staat dat de verdachte kampt met ernstige verslavingsproblematiek van waaruit hij episodisch depressief en psychotisch kan worden. Omdat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek, is evenwel geen zicht verkregen op de innerlijke leefwereld van de verdachte (zijn drijfveren, gedachten en eventuele motieven) vlak voor en ten tijde van het tenlastegelegde. Om die reden is het niet mogelijk om een delictscenario te construeren en tot een gedifferentieerd advies over de mate van toerekenbaarheid te komen.

Gelet op de weigerachtige houding van de verdachte acht de rechtbank zich onvoldoende in staat om de mate van doorwerking van verdachtes pathologie, en daarmee de toerekeningsvatbaarheid, ten tijde van het tenlastegelegde te beoordelen. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel dient de rechtbank er derhalve van uit te gaan dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank stelt vast dat ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, alsmede de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en brandstichting met levensgevaar en gevaar voor goederen door zijn partner, [naam slachtoffer] , te overgieten met benzine en haar vervolgens in brand te steken. [naam slachtoffer] heeft als gevolg van het handelen van de verdachte enkele weken op de IC-afdeling van het Maaslandziekenhuis gelegen, alwaar zij in kunstmatige slaap is gehouden. Nadien is zij overgebracht naar het brandwondencentrum en volgden diverse operaties (waaronder huidtransplantaties) aan haar brandwonden. [naam slachtoffer] heeft ernstige – 3e en zelfs 4e graads – brandwonden opgelopen en is voor 17% verbrand. Zij zal de rest van haar leven te kampen hebben met de onherstelbare gevolgen van die verbranding. Ze zal de komende jaren door de traumachirurg en het brandwondencentrum behandeld blijven worden. Er is sprake van uitgebreide en blijvende littekens. Door de brandstichting zijn bovendien twee honden van aangeefster overleden, die grote emotionele waarde voor haar hadden. Niet alleen is de lichamelijke integriteit van [naam slachtoffer] door de gebeurtenissen op grove wijze geschonden, zij is ook psychisch voor het leven getekend, zoals ook blijkt uit de door [naam slachtoffer] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Dat verdachte over zijn handelen nooit een verklaring heeft willen of kunnen afleggen, zal het verwerkingsproces voor het slachtoffer alleen maar moeilijker maken. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

De woning van aangeefster, die vrijwel geheel is uitgebrand, bevindt zich in een flatgebouw. Door deze woning in brand te steken heeft de verdachte een voor de talrijke bewoners van het gebouw zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen, waarbij van geluk mag worden gesproken dat de brand niet is overgeslagen naar andere woningen. De situatie moet niet alleen voor aangeefster, maar ook voor andere bewoners in het flatgebouw zeer beangstigend zijn geweest. Dergelijke feiten brengen daarnaast in het algemeen gevoelens van grote onrust en onveiligheid in de samenleving te weeg.

Ten aanzien van de ernst van de bewezenverklaarde feiten heeft de rechtbank gelet op de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en op de straffen die voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de maximumstraf voor brandstichting waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (15 jaren gevangenisstraf) even hoog is als de maximumstraf voor doodslag. De twee bewezenverklaarde feiten behoren dus tot de zwaarste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in deze zaak slechts een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 november 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 30 januari 2017 van K.E.M. Denie , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland;

- het hiervoor genoemde Pro Justitia rapport (triple onderzoek), gedateerd 31 december 2016, .

- het hiervoor genoemde Pro Justitia rapport opgemaakt door het Pieter Baan Centrum te Utrecht, gedateerd 6 oktober 2017.

Naar het oordeel van de rechtbank past bij de ernst van het feit geen andere sanctie dan een langdurige vrijheidsbenemende straf. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar passend en geboden.

Daarnaast dient gelet op de inhoud van het dossier er rekening mee te worden gehouden dat de verdachte, indien die mogelijkheid zich voordoet, contact zal opnemen met aangeefster en hij wederom jegens haar een misdrijf zal begaan of zich belastend zal gedragen. Om deze redenen, en voorts ter bescherming van de maatschappij, wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar opgelegd, inhoudende een contactverbod met slachtoffer [naam slachtoffer] en een straatverbod voor de [naam straat] te [plaats] . De duur van de vervangende hechtenis wordt bepaald op 14 dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt.

8 In beslag genomen voorwerpen

Teruggave aan de verdachte

De onder de verdachte in beslag genomen kleding en jerrycan dienen te worden teruggeven aan de verdachte.

Verbeurdverklaring

De onder de verdachte in beslag genomen Zippo aansteker en het flesje aanstekerbrandstof zullen verbeurd worden verklaard. De goederen behoren immers de verdachte toe en de strafbare feiten zijn met behulp van deze voorwerpen begaan.

9 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde ] , bijgestaan door mr. T.K.A.B. Eskes, advocaat te Dordrecht, heeft een vordering tot schadevergoeding van € 216.158,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende kostenposten.

  1. Beschadigde zaken, daaronder begrepen de crematiekosten van de als gevolg van de brand overleden honden [naam hond 1] en [naam hond 2] (€ 326,50) en het verblijf in een opvangcentrum van hond [naam hond 3] (€ 172,25) à € 499,-.

  2. Ziekenhuisverblijf à € 3.192,-.

  3. Reiskosten à € 867,-.

  4. Verzorging door derden à € 1.980,-

  5. Huishoudelijke hulp (inclusief toekomstschade à € 13.658) à € 15.188,-

  6. Verlies zelfwerkzaamheid (inclusief toekomstschade à € 7.037) à € 7.232,-

  7. Eigen bijdrage ziektekosten à € 66,-

Daarnaast heeft de benadeelde partij proceskosten à € 6.000,- en wettelijke rente à € 1.134,- gevorderd.

De gevorderde immateriële schadevergoeding bedraagt € 180.000,-.

Oordeel rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de bedragen die in de toelichting op de vordering onder de posten ‘beschadigde zaken’, ‘ziekenhuisverblijf’, ‘reiskosten, ‘verzorging door derden’ en ‘eigen bijdrage ziektekosten’ zijn opgevoerd, gelet op het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, aannemelijk zijn en als rechtstreekse materiële schade kunnen worden aangemerkt. De rechtbank zal deze onderdelen van de vordering, nu deze genoegzaam zijn onderbouwd, toewijzen.

Anders is dat ten aanzien van de onder de posten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies zelfredzaamheid’ opgevoerde kosten. Onder voornoemde posten is naast reeds gemaakte kosten ook toekomstschade opgevoerd. De reeds gemaakte kosten, te weten € 1.530,- en
€ 194,78,-, acht de rechtbank als rechtstreeks uit het bewezen verklaarde feit voortvloeiende schade toewijsbaar. Met betrekking tot de toekomstige schade is de rechtbank van oordeel dat dit deel van de vordering zodanig ingewikkeld is dat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

Proceskosten

Ook de post ‘proceskosten’ zal worden toegewezen nu deze genoegzaam is onderbouwd.

Immateriële kosten

Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Niet in geschil is dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten immateriële schade heeft geleden. Dit is door de benadeelde partij uitvoerig toegelicht in de schriftelijke toelichting op de vordering en in haar slachtofferverklaring ter zitting. Daaruit blijkt dat zowel de fysieke als de psychische gevolgen voor de benadeelde enorm zijn en zij hier de rest van haar leven mee te kampen zal hebben.
Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 180.000,00 billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Totaal

De vordering zal derhalve tot een bedrag van € 188.238,78 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op € 6.000,-.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45, 57, 60a, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 5 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

- zich niet op te houden op de [naam straat] te [plaats] ;

- zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam slachtoffer] ;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 14 dagen, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

beslist ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd: de Zippo aansteker en het navulbrandstof flesje.

- gelast de teruggave aan de verdachte: de kleding en jerrycan.

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde ] , te betalen een bedrag van € 188.238,78 (zegge: honderdachtentachtigduizend tweehonderdachtendertig euro en achtenzeventig cent), bestaande uit € 8.238,78 aan materiële schade en € 180.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 6.000 (zesduizend euro), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 188.238,78 (zegge: honderdachtentachtigduizend tweehonderdachtendertig euro en achtenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 188.238,78 (zegge: honderdachtentachtigduizend tweehonderdachtendertig euro en achtenzeventig cent), vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. J.C.M. Persoon en mr. M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 december 2017.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 augustus 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [naam slachtoffer] heeft overgoten met benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of (vervolgens) die benzine, althans die brandbare vloeistof, heeft aangestoken, in elk geval

(open) vuur in aanraking heeft gebracht met die (met benzine overgoten) [naam slachtoffer] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op of omstreeks 14 augustus 2016 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres delict] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk [naam slachtoffer] overgoten met benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of (vervolgens) die benzine,

althans die brandbare vloeistof, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die (met benzine overgoten) [naam slachtoffer] , althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in (een) belendende/omliggende woning(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, en/of

- gemeen gevaar voor (een) belendende/omliggende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

1 Dat [naam getuige 1] degene is geweest die het alarmnummer 112 heeft gebeld, iets dat de verdediging in twijfel heeft getrokken, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. Afgezien van het feit dat [naam getuige 1] zelf stelt dat hij 112 gebeld heeft, bevat de inhoud van de 112-melding (zoals weergegeven op dossierpagina 1) immers een aantal elementen (met name: man met hond die wegloopt) die wél in de verklaring van [naam getuige 1] maar in geen enkele andere getuigenverklaring terugkomen.