Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10057

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
C/10/482846 / HA ZA 15-854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Non-concurrentiebeding in koopovereenkomst activa/passiva. Relatiebeding in managementovereenkomst. Uitleg. Boetes verschuldigd wegens schending relatiebeding. Beëindiging en afrekening managementovereenkomst. Overige vorderingen over en weer. Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/482846 / HA ZA 15-854

Vonnis van 29 november 2017

in de zaak van

1. de maatschap

[eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A.F. Ammerlaan,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagede 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VENO BEHEER B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H.L. van der Aa.

Partijen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als [eisers] en [gedaagden] Waar [eisers] afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij worden aangeduid als [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 4] . [gedaagden] zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde 1] , [gedaagede 2] en Veno.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 augustus 2015, tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident, met één productie;

  • -

    het vonnis in het incident ex artikel 223 Rv van 14 oktober 2015;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie;

  • -

    het tussenvonnis (de brief) van 16 december 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van de rechtbank van 16 februari 2016, waarbij een zittingsagenda aan partijen is toegezonden;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte tot vermeerdering van eis in conventie, met producties;

  • -

    het productieoverzicht ten behoeve van de comparitie van partijen van de zijde van [eisers] , waarbij productie 25 in het geding is gebracht;

  • -

    de akte houdende uitlating van de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    de akte houdende uitlating en overlegging producties, tevens houdende vermeerdering van eis en aanvulling van de gronden van de zijde van [gedaagden] , met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 25 mei 2016;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van [eisers] ;

  • -

    het proces-verbaal van de voortgezette comparitie van partijen, gehouden op 13 oktober 2016;

  • -

    de ter zitting door mr. Van der Aa overgelegde aantekeningen;

  • -

    de brief van mr. Van der Aa van 4 november 2016, waarin opmerkingen over het proces-verbaal zijn gemaakt;

  • -

    de akte houdende uitlating van de zijde van [gedaagden] ;

  • -

    het proces-verbaal van het op 31 mei 2017 gehouden pleidooi;

  • -

    de ter zitting door mr. Nieuwland ( [eisers] ) overgelegde pleitnotities;

  • -

    de ter zitting door mr. Van der Aa overgelegde pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 1] exploiteert een accountants- en belastingadvieskantoor. [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 4] zijn maten in de maatschap [eiseres 1] .

2.2.

[gedaagde 1] is een belastingadvieskantoor. Bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagede 2] . Hij is tevens bestuurder van Veno, een onderneming die zich bezighoudt met het beheer van vennootschappen en ondernemingen en het ter beschikking stellen van personeel.

2.3.

Op 21 december 2012 is tussen [gedaagde 1] als verkoper en [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 4] - handelend in hun hoedanigheid van maten in [eiseres 1] - als kopers een “koopovereenkomst activa/passiva” (hierna: de koopovereenkomst) gesloten, waarbij [gedaagde 1] haar bedrijfsactiviteiten aan [eiseres 1] heeft verkocht voor een bedrag van € 15.000,00. In de koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) 5. Werknemers

(…) 5.4 Indien binnen een tijdsbestek van vier jaar na Overdrachtsdatum [rechtbank: 1 januari 2013] blijkt dat de Onderneming twee jaren niet de verwachte omzetprognose van € 400.000,= behaalt en Kopers een reorganisatie noodzakelijk achten, zal Verkoper voor 50% bijdragen in de kosten daarvan. Onder de kosten worden verstaan alle kosten die met de reorganisatie verband houden, waaronder ook ontslagvergoedingen en kosten van juridische bijstand. (…)

11 Managementovereenkomst

Tussen Verkopers [rechtbank: bedoeld zal zijn Kopers] handelend in hun hoedanigheid van maten van de Maatschap als opdrachtgever enerzijds en [gedaagede 2] , respectievelijk Veno Beheer, als opdrachtnemer anderzijds, zal per Overdrachtsdatum een managementovereenkomst in de vorm van een overeenkomst van opdracht worden gesloten (…).

12 Non-concurrentiebeding

12.1

Verkoper, Veno Beheer en [gedaagede 2] verplichten zich ertoe gedurende een periode van vier jaar vanaf Overdrachtsdatum in Nederland geen werkzaamheden te verrichten die gelijk of concurrerend zijn aan de huidige werkzaamheden van de Onderneming, anders dan voortvloeiend uit de managementovereenkomst als bedoeld in artikel 11 van de Overeenkomst. (…)

12.2

Bij overtreding van het in het vorige lid geformuleerde verbod zijn Verkoper, Veno Beheer en [gedaagede 2] gezamenlijk dan wel ieder afzonderlijk een direct opeisbare boete van € 5.000,= (…) verschuldigd aan Kopers voor iedere overtreding en voor iedere dag dat een eenmaal aangevangen overtreding voortduurt, zonder dat een sommatie of een ingebrekestelling is vereist. (…)”

2.4.

Op 21 december 2012 is tussen [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 4] - handelend in hun hoedanigheid van maten in [eiseres 1] - als opdrachtgevers, Veno als opdrachtnemer en [gedaagede 2] de in artikel 11 van de koopovereenkomst bedoelde managementovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

“(...) 2. Duur van de opdracht

2.1

Deze Overeenkomst vangt aan op 1 januari 2013 en geldt voor de duur van vier jaar. De Overeenkomst eindigt derhalve van rechtswege, zonder dat enige voorafgaande opzegging is vereist, uiterlijk per 31 december 2016.

2.2

Partijen zijn gerechtigd de Overeenkomst tussentijds te beëindigen door middel van opzegging en met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste drie maanden, indien de andere Partij de in deze Overeenkomst genoemde verplichtingen niet of niet volledig nakomt, zulks ondanks een schriftelijke aanmaning.

3 Verrichten van diensten

3.1

Opdrachtnemer zal voor de duur van deze Overeenkomst managementdiensten en belastingadviesdiensten in de ruimste zin van het woord, verrichten ten behoeve van Opdrachtgevers.

3.2

Onder de te verrichten managementdiensten wordt verstaan:

  • -

    het onderhouden van het persoonlijke en zakelijke netwerk van Opdrachtnemer en [gedaagede 2] ten einde zoveel mogelijk opdrachten zeker te stellen voor Opdrachtgevers;

  • -

    het werven van nieuwe opdrachten voor Opdrachtgevers;

  • -

    het bijwonen van interne en externe vergaderingen voor zover van belang voor de uitvoering van de te verrichten belastingadviesdiensten en managementdiensten. (…)

4 Vergoeding

(…) 4.4 Opdrachtnemer zal de door hem verrichte werkzaamheden maandelijks aan Opdrachtgevers factureren tegen een uurtarief van € 104,= exclusief BTW. Op de factuur wordt onderscheid gemaakt tussen belastingadviesdiensten en managementdiensten. De facturen worden allen voorzien van een urenspecificatie. (…)

4.5

Voor wat betreft de belastingadviesdiensten vindt betaling door Opdrachtgevers plaats in de maand volgend op die waarin door Opdrachtgevers de betreffende werkzaamheden van Opdrachtnemer aan de betreffende klant is gefactureerd. (…)

4.6

Jaarlijks na afloop van het kalenderjaar zal door Opdrachtgevers een overzicht worden vastgesteld waaruit de door Opdrachtnemer in dat jaar gefactureerde managementdiensten blijken. Daarnaast zal door Opdrachtgevers worden vastgesteld de hoogte van het gemiddelde door Opdrachtnemer ter zake van de belastingadviesdiensten gedeclareerde tarief (…). Aan de hand hiervan wordt de vergoeding voor de managementdiensten en belastingadviesdiensten van Opdrachtnemer door Opdrachtgevers vastgesteld. Opdrachtnemer wordt hier door Opdrachtgevers schriftelijk van in kennis gesteld. Indien blijkt dat de aldus over dat jaar verschuldigde vergoeding lager is dan het door Opdrachtnemer in dat jaar gefactureerde, is Opdrachtnemer verplicht om binnen veertien dagen na de kennisgeving ter zake een creditnota aan Opdrachtgevers te verzenden, onder gelijktijdige betaling daarvan. Betaling door Opdrachtgevers vindt plaats binnen dertig dagen na vermelde kennisgeving. (…)

4.8

Prestatiebonus A houdt in een vergoeding van 10% van de over het voorgaande jaar behaalde omzet op doorlopende opdrachten van over dat jaar door Opdrachtnemer in dat jaar nieuw voor Opdrachtgevers verworven klanten. Onder doorlopende opdrachten worden verstaan opdrachten van klanten die langer dan één jaar lopen. Eenmalige opdrachten zijn hiervan uitgesloten. Voor de aard van de opdracht is de door Opdrachtgevers ter zake met de klant gesloten opdrachtbevestiging bepalend. Voor de omvang van de omzet is de gefactureerde omzet over de eerste twaalf maanden na verzending van de eerste factuur aan de betreffende klant bepalend.

4.9

Prestatiebonus B bestaat uit een gestaffeld percentage van de behaalde jaaromzet bij de Specifieke Klanten, alsmede de nieuw door inzet van Opdrachtnemer door Opdrachtgevers verworven klanten. (…)

4.10

Over de periode van vier jaren zal de gemiddelde prestatiebonus B per jaar minimaal € 37.500,= bedragen.

Betaling van prestatiebonus B vindt plaats op basis van maandelijkse voorschotten met een jaarlijkse afrekening. Opdrachtnemer stuurt voor de betaling maandelijks een factuur aan Opdrachtgevers. Indien de uitbetaalde voorschotten te hoog blijken te zijn, zal het verschil door Opdrachtnemer worden terugbetaald.

Voor wat betreft het jaar 2013 wordt uiterlijk 31 december 2012 een voorschot betaald van € 79.200,=. Dit voorschot is gebaseerd op een vergoeding van 18% over € 440.000 uitgaande van een gerealiseerde omzet van meer dan € 440.000,= over 2013. (…)

4.11

Jaarlijks na afloop van het kalenderjaar zal door Opdrachtgevers een overzicht worden vastgesteld waaruit de over dat jaar verschuldigde prestatiebonus A en prestatiebonus B blijken. Opdrachtnemer wordt hier door Opdrachtgevers schriftelijk van in kennis gesteld. Indien blijkt dat prestatiebonus B lager is dan de door Opdrachtnemer ter zake in dat jaar gefactureerde voorschotten, is Opdrachtnemer verplicht om binnen veertien dagen na kennisgeving ter zake een creditnota aan Opdrachtgevers te verzenden, onder gelijktijdige betaling daarvan. Betaling door Opdrachtgevers vindt plaats binnen dertig dagen na vermelde kennisgeving. (…)

6 Geen arbeidsovereenkomst/onafhankelijkheid

6.1

Partijen verklaren dat zij uitdrukkelijk niet beogen om met elkaar een arbeidsovereenkomst te sluiten en uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht. (…)

6.4

Opdrachtnemer heeft de vrijheid om naast de werkzaamheden welke worden verricht ten behoeve van en/of ten verzoeke van Opdrachtgevers ook ten behoeve van en/of ten verzoeke van andere partijen in welke vorm dan ook werkzaam of betrokken te zijn of daarbij in welke vorm dan ook direct of indirect zijn bemiddeling te verlenen. Geenszins is Opdrachtnemer verplicht al de tijd ten behoeve van Opdrachtgevers aan te wenden. Eén en ander mits zulks niet ten koste gaat van de gerechtvaardigde belangen van Opdrachtgevers op basis van deze Overeenkomst en dit geen werkzaamheden betreffen voor klanten, Relaties of potentiële klanten en Relaties van Opdrachtgevers waaronder ook de Specifieke Klanten als gespecificeerd in bijlage 1 bij deze Overeenkomst, anders dan uit hoofde van deze Overeenkomst. (…)

6.5

Opdrachtnemer dan wel [gedaagede 2] , dient te beschikken over een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR-dga: “VAR”) die is afgegeven voor de in artikel 2 van deze Overeenkomst vermelde te verrichten diensten. Opdrachtnemer dient Opdrachtgevers jaarlijks een afschrift van deze geldige VAR te verstrekken. (…)

10 Relatiebeding

Het is Opdrachtnemer en [gedaagede 2] niet toegestaan om gedurende de looptijd van deze Overeenkomst, anders dan uit hoofde van deze Overeenkomst alsmede gedurende twee jaren na het einde van deze Overeenkomst direct, dan wel indirect werkzaamheden te verrichten, dan wel werkzaam te zijn voor klanten en Relaties, dan wel potentiële klanten en Relaties van Opdrachtgevers waaronder ook de Specifieke Klanten als gespecificeerd in Bijlage 1 bij deze overeenkomst.

11 Boete

In geval van overtreding van het bepaalde in (….) artikel 10 (Relatiebeding) is Opdrachtnemer respectievelijk [gedaagede 2] een boete aan Opdrachtgevers verschuldigd die direct opeisbaar is en zonder dat daartoe een ingebrekestelling vereist is, ad € 5.000,= voor iedere overtreding van deze bepalingen, alsmede € 5.000,= per dag dat Opdrachtnemer in overtreding is. Deze boete is verschuldigd onverminderd alle andere eventuele rechten of vorderingen van Opdrachtgevers, daaronder in elk geval te begrijpen het recht van Opdrachtgevers op vergoeding van de werkelijk geleden schade. (…)”

2.5.

Bijlage 3 bij de koopovereenkomst betreft een “klantenlijst” als bedoeld in artikel 6.4 en artikel 10 van de managementovereenkomst.

2.6.

[eiseres 1] heeft bij brief van 2 februari 2015 onder meer het volgende aan [gedaagede 2] en Veno bericht:

“(…) Het spijt ons u te moeten mededelen dat u vanaf heden niet meer welkom bent op onze vestigingen te Breda en Ridderkerk. Wij hebben hiervoor de volgende redenen.

In de afgelopen maanden hebben wij getracht op constructieve wijze de verschillen van inzicht tussen u en ons te overbruggen inzake de afhandeling van financiële afspraken welke zijn gemaakt in de met u afgesloten management overeenkomst. U stelde zich echter op een standpunt dat in onze ogen niet reëel was, terwijl er bovendien van uw kant geen enkele houding te bespeuren was dat u actief naar een oplossing zocht.

Verder hebben wij geconstateerd dat u het Non-concurrentiebeding in artikel 12 van de koopovereenkomst en het Relatiebeding in artikel 10 van de managementovereenkomst, beiden van 21 december 2012, hebt overtreden door buiten ons kantoor om voor eigen rekening te werken voor in de koopovereenkomst genoemde klanten en voor potentiële klanten en relaties van ons kantoor.

Wij nemen het voorgaande zeer hoog op en wensen om voorgaande redenen de managementovereenkomst met ingang van heden te ontbinden.

Tevens beraden wij ons welke boete en schadevergoeding wij van u zullen vorderen en houden u op voorhand aansprakelijk voor alle schade welke wij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van uw handelen c.q. nalaten. Hoewel ons dat niet waarschijnlijk voorkomt, zeggen wij de overeenkomst op met een opzegtermijn van drie maanden overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.2 van de managementovereenkomst, uitsluitend voor zover in rechte vast mocht komen te staan dat wij niet gerechtigd zouden zijn de overeenkomst te ontbinden. (…)”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] hebben, na vermeerdering van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: te verklaren voor recht dat de managementovereenkomst bij brief van 2 dan wel 3 februari 2015 rechtsgeldig is ontbonden door [eiseres 1] ;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de managementovereenkomst door opzegging is geëindigd per 2 dan wel 3 mei 2015, dan wel per een in goede justitie te bepalen datum;

meer subsidiair: de managementovereenkomst bij vonnis te ontbinden;

2. [gedaagde 1] te veroordelen om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiseres 1] te betalen:

  1. een bedrag van € 200.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de verschuldigde boetes wegens overtreding van het non-concurrentiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2015;

  2. een bedrag van € 4.060,32, althans in een goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de wettelijke rente over het onder a) genoemde bedrag vanaf de datum van verbeuren tot en met 30 juli 2015;

  3. een bedrag van € 47.002,15, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake onderhanden werk, afvloeiingskosten en verzekeringspremies, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014;

3. [gedaagede 2] te veroordelen om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiseres 1] te betalen:

  1. een bedrag van € 250.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de verschuldigde boetes wegens overtreding van het non-concurrentiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2015;

  2. een bedrag van € 5.326,33, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de wettelijke rente over het onder a) genoemde bedrag vanaf de datum van verbeuren tot en met 30 juli 2015;

4. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van artikel 12 van de koopovereenkomst (het non-concurrentiebeding) en daarbij te bepalen dat [gedaagden] ieder voor zich een dwangsom verbeuren van € 10.000,00 per tekortkoming, alsmede een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de tekortkoming voortduurt;

5. [gedaagede 2] en Veno hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiseres 1] te betalen:

  1. een bedrag van € 250.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de verschuldigde boetes (geleden schade) wegens overtreding van het relatiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juli 2015;

  2. een bedrag van € 5.326,33, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de wettelijke rente over het onder a) genoemde bedrag vanaf de datum van verbeuren tot en met 30 juli 2015;

6. [gedaagede 2] en Veno hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van artikel 10 van de managementovereenkomst (relatiebeding) en daarbij te bepalen dat [gedaagede 2] en Veno ieder voor zich een dwangsom verbeuren van € 10.000,00 per tekortkoming, alsmede een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de tekortkoming voortduurt;

7. Veno te veroordelen om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiseres 1] te betalen € 14.400,00 ter zake teveel betaalde managementfee en/of bonussen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 december 2014;

8. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na het te wijzen vonnis aan [eiseres 1] te betalen € 5.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

9. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

[gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van de procedure, de nakosten daarin begrepen.

in reconventie

3.3.

[gedaagden] hebben, na vermeerdering van eis, gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [eisers] gehouden zijn tot betaling aan [gedaagden] van alle bedragen uit de managementovereenkomst voortvloeiend, alsmede tot vergoeding van alle schade die aanvullend door [gedaagden] is en nog zal worden geleden, alsof de overeenkomst naar behoren zou zijn doorgelopen tot 1 januari 2017;

  2. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om aan [gedaagden] de correcte afrekening als bedoeld in artikel 4.6 van de managementovereenkomst, alsmede de correcte eindafrekening met betrekking tot bonus A als bepaald in artikel 4.8 van de managementovereenkomst te verstrekken, alsmede een kopie van het volledige e-mailbestand van de e-mailbox die [gedaagede 2] bij [eiseres 1] in gebruik had, binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat [eisers] hiermee in gebreke blijven;

  3. [eisers] hoofdelijk te veroordelen om:

  1. an [gedaagden] (althans [gedaagde 1] en [gedaagede 2] ) te betalen € 36.250,12, te vermeerderen met de contractuele (boete)rente van 2% per maand (met een minimum van € 113,45 per maand), alsmede € 2.135,90, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum;

  2. aan [gedaagden] (althans Veno) te betalen € 88.803,25, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen;

met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure, de nakosten daarin begrepen.

3.4.

[eisers] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen in reconventie en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de kosten van de procedure.

in conventie en in reconventie

3.5.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Zowel in conventie als in reconventie hebben partijen hun eis gewijzigd. Ter gelegenheid van de op 25 mei 2016 gehouden comparitie van partijen hebben zowel [eisers] als [gedaagden] verklaard geen bezwaar te hebben tegen de eiswijziging van hun wederpartij. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om de eiswijzigingen buiten beschouwing te laten. Bij de beoordeling wordt daarom uitgegaan van de gewijzigde vorderingen, zoals weergegeven onder 3.1 en 3.3.

in conventie

4.2.

In conventie is in de eerste plaats de vraag aan de orde of [gedaagden] het non-concurrentiebeding in artikel 12 van de koopovereenkomst (zie onder 2.3) en het relatiebeding in artikel 10 van de managementovereenkomst (zie onder 2.4) hebben overtreden en of zij uit dien hoofde boetes verschuldigd zijn aan [eisers] Als producties 9 en 10 bij dagvaarding (en productie 23 bij conclusie van antwoord in reconventie) hebben [eisers] overzichten van de door hen gestelde overtredingen in het geding gebracht. Wat betreft het non-concurrentiebeding gaat het om 40 gestelde overtredingen door [gedaagde 1] (een totale boete van € 200.000,00) en 50 gestelde overtredingen door [gedaagede 2] (een totale boete van € 250.000,00). Wat betreft het relatiebeding is volgens [eisers] sprake van 50 door [gedaagede 2] begane overtredingen en wordt betaling van [gedaagede 2] gevorderd van een totaalbedrag van € 250.000,00 aan boetes. Datzelfde bedrag wordt van Veno gevorderd, waartoe [eisers] hebben aangevoerd dat zij schade lijden omdat [gedaagede 2] in gebreke blijft met betaling van de verbeurde boetes en Veno daarvoor aansprakelijk is.

4.3.

Partijen twisten over de manier waarop het non-concurrentiebeding en het relatiebeding moeten worden uitgelegd.

4.3.1.

[eisers] hebben aangevoerd dat het [gedaagden] op grond van het non-concurrentiebeding verboden was om werkzaamheden te verrichten die gelijk of concurrerend zijn aan de activiteiten die [eiseres 1] van [gedaagde 1] heeft overgenomen. Dat betrof belastingadvies-, accountancy- en registerwerkzaamheden, aldus [eisers] Op grond van het relatiebeding was het [gedaagden] voorts niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten dan wel werkzaam te zijn voor (potentiële) klanten en relaties van [eiseres 1] , waaronder de specifieke klanten als genoemd op de bij de overeenkomsten gevoegde klantenlijst. Artikel 6.4 is volgens [eisers] in de managementovereenkomst opgenomen met het uitgangspunt dat er geen concurrerende werkzaamheden in algemene zin zouden worden verricht door [gedaagden] Het stond Veno - en dus niet [gedaagde 1] - vrij om ook voor andere opdrachtgevers dan [eiseres 1] werkzaam te zijn, maar dat betekent niet dat Veno voor relaties van [eiseres 1] mocht werken of [eiseres 1] mocht beconcurreren, aldus [eisers] Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagede 2] zijn gebruikelijke werkzaamheden zou voortzetten vanuit Veno, tegen betaling van een managementfee door [eiseres 1] . [eiseres 1] zou dat werk dan bij de klant in rekening brengen en aldus omzet genereren. [gedaagden] hebben die omzet echter bewust bij [eiseres 1] weggehouden. Het was [gedaagden] niet toegestaan om te werken voor zelf geworven klanten, voormalige relaties van [eiseres 1] en personen die [gedaagede 2] privé kent. Een dergelijke uitleg vindt geen steun in de tekst van de bedingen en is in strijd met de strekking van de overeenkomsten. Partijen zijn immers expliciet overeengekomen dat [gedaagede 2] zich zou inspannen om het bedrijfsdebiet van [eiseres 1] in stand te houden en te vergroten en daarmee is niet in overeenstemming dat [gedaagede 2] zelf klanten heeft bediend die ook door [eiseres 1] hadden kunnen worden bediend, aldus [eisers]

4.3.2.

Volgens [gedaagden] is het nooit de bedoeling van partijen geweest om [gedaagede 2] te verbieden elders en/of voor derden te werken. Integendeel, het was juist de bedoeling dat [gedaagede 2] naast zijn werk voor [eiseres 1] ook andere werkzaamheden zou verrichten. In de managementovereenkomst is vermeld dat partijen uitdrukkelijk niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst te sluiten en dat Veno/ [gedaagede 2] dient te beschikken over een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Bovendien was het de bedoeling dat [gedaagede 2] een eigen praktijk zou opbouwen, omdat de samenwerking tussen partijen slechts tijdelijk zou zijn. [gedaagede 2] verkocht zijn klanten en personeel aan [eiseres 1] (voor een zeer bescheiden prijs) en zou nog enige tijd aanblijven om de zaken goed over te dragen en te proberen extra werk voor het accountantskantoor van [eiseres 1] binnen te halen in de regio Breda. [gedaagede 2] mocht echter ook zelf klanten werven en werken voor klanten die al geen relatie meer waren van [eiseres 1] . Sprake was van een samenwerking waarmee wederzijds voordeel werd beoogd: de fiscale werkzaamheden zouden bij [gedaagden] blijven - [gedaagede 2] kan ook geen ander beroep uitoefenen dan dat van belastingadviseur - en het accountancygedeelte ging naar [eiseres 1] . Door de overeengekomen bonusregelingen had [gedaagede 2] ook belang bij het succes van de activiteiten onder de vlag van [eiseres 1] . [gedaagden] hebben verder nog aangevoerd dat artikel 6.4 van de managementovereenkomst niet alleen gold voor Veno en/of [gedaagede 2] als natuurlijk persoon die de werkzaamheden in en voor Veno verrichtte, maar ook voor [gedaagede 2] in het kader van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] was immers nog (met medeweten en zelfs op kosten van [eisers] ) verzekerd tegen beroepsaansprakelijkheid voor die werkzaamheden, beschikte over een bepaalde bekendheid bij het publiek (waaronder via de website) en het bordje van [gedaagde 1] zat nog op de gevel van het pand dat door [eisers] werd gehuurd. Bovendien is Veno de bestuurder van [gedaagde 1] en moeten de werkzaamheden van [gedaagde 1] alleen al om die reden worden toegerekend aan Veno, aldus [gedaagden]

4.4.

Nu het de uitleg van een zuiver commerciële overeenkomst betreft - gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen - komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe. Bij de uitleg zijn voorts van belang de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de contractsbevestiging, de wijze van totstandkoming (waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door deskundige raadslieden) en de overige bepalingen. Maar ook wanneer bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Doorslaggevend blijft uiteindelijk de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5.

De rechtbank stelt in het onderhavige geval voorop dat de koop- en de managementovereenkomst niet los van elkaar kunnen worden gezien. Met de koopovereenkomst zijn de bedrijfsactiviteiten van [gedaagde 1] overgedragen aan [eiseres 1] voor een bedrag van € 15.000,00. Partijen zijn daarbij tevens een samenwerking aangegaan, in welk kader - op dezelfde dag - de managementovereenkomst is gesloten.

Op grond van die overeenkomst zou Veno (en dus feitelijk [gedaagede 2] ) management- en belastingadviesdiensten verrichten ten behoeve van [eiseres 1] , waarbij een vergoeding van € 104,00 exclusief btw per uur is overeengekomen. Onder de te verrichten managementdiensten wordt onder meer verstaan het werven van nieuwe opdrachten voor [eiseres 1] door Veno ( [gedaagede 2] ). Met betrekking tot klanten die door [gedaagde 1] aan [eiseres 1] zijn overgedragen en klanten die nieuw door Veno ( [gedaagede 2] ) voor [eiseres 1] zijn geworven zijn partijen een bonusregeling (prestatiebonus A en B) overeengekomen.

4.6.

Het non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst verbiedt [gedaagde 1] , Veno en [gedaagede 2] om gedurende een periode van vier jaar vanaf 1 januari 2013 in Nederland werkzaamheden te verrichten die gelijk of concurrerend zijn aan de werkzaamheden van [gedaagde 1] , anders dan voortvloeiend uit de managementovereenkomst. In de managementovereenkomst is expliciet vermeld (in artikel 6.4) dat Veno ( [gedaagede 2] ) naast de management- en belastingadvieswerkzaamheden voor [eiseres 1] ook werkzaamheden voor andere partijen mag verrichten en geenszins verplicht is al de tijd ten behoeve van [eiseres 1] aan te wenden. Achtergrond van deze bepaling is volgens partijen dat zij nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst wilden aangaan en het daarom noodzakelijk was dat Veno ( [gedaagede 2] ) ook voor andere opdrachtgevers werkzaam zou zijn. In de managementovereenkomst is wat betreft de aard van de door Veno ( [gedaagede 2] ) voor andere opdrachtgevers te verrichten werkzaamheden geen beperking opgenomen. Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg meebrengt dat ook belastingadvieswerkzaamheden mochten worden verricht voor andere (nieuwe) opdrachtgevers. [gedaagede 2] heeft onweersproken gesteld dat hij geen ander beroep kan uitoefenen dan dat van belastingadviseur. [eisers] hebben weliswaar gesteld dat artikel 6.4 van de managementovereenkomst is opgenomen met het uitgangspunt dat er geen concurrerende werkzaamheden in algemene zin zouden worden verricht door [gedaagden] , maar zij hebben die stelling niet nader toegelicht. Mede in aanmerking genomen dat de overeenkomst is opgesteld door de advocaat van [eisers] en partijen over dit punt volgens [eisers] niets specifiek hebben uitgewisseld bij de onderhandelingen, heeft [gedaagede 2] (artikel 6.4 van) de managementovereenkomst aldus mogen opvatten dat het in beginsel, behoudens de hierna onder 4.7 e.v. te bespreken restricties, niet verboden was om belastingadvieswerkzaamheden voor andere partijen te verrichten. Deze uitleg brengt mee dat het non-concurrentiebeding in de eerste zin van artikel 12.1 van de koopovereenkomst, door de verwijzing naar de gelijktijdig met de koopovereenkomst gesloten managementovereenkomst, haar werking heeft verloren. Het non-concurrentiebeding kan dan ook niet dienen als grondslag voor de vorderingen van [eisers] De hiervoor onder 3.1 sub 2 onder a) en b), sub 3 en sub 4 weergegeven vorderingen kunnen bij gebreke van een grondslag dan ook niet worden toegewezen.

4.7.

De mogelijkheden voor Veno ( [gedaagede 2] ) om (belastingadvies)werkzaamheden voor andere partijen dan [eiseres 1] te verrichten, zijn in artikel 6.4 van de managementovereenkomst beperkt door de gerechtvaardigde belangen van [eiseres 1] op basis van de managementovereenkomst. Verder is in artikel 6.4 en artikel 10 van de managementovereenkomst bepaald dat het Veno en [gedaagede 2] niet is toegestaan om gedurende de looptijd van de overeenkomst en twee jaar nadien werkzaamheden te verrichten voor klanten en relaties, dan wel potentiële klanten en relaties van [eiseres 1] , waaronder ook de specifieke klanten als gespecificeerd op de klantenlijst. De rechtbank is van oordeel dat er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat het tot twee jaar na het einde van de managementovereenkomst verboden was om werkzaam te zijn voor de specifieke klanten die op de klantenlijst zijn vermeld. Wat betreft de vraag wat - los van de specifieke klanten - moet worden verstaan onder (potentiële) klanten of relaties van [eiseres 1] , sluit de rechtbank aan bij de definitie van het begrip “relatie” die in de managementovereenkomst is opgenomen: “alle (natuurlijke en rechts-)personen waarmee Opdrachtgevers [rechtbank: [eisers] ] zakelijke contacten onderhouden, daaronder ook begrepen (natuurlijke en rechts-)personen waarmee Opdrachtgevers in onderhandeling zijn (geweest) om diensten te verlenen”. Partijen hebben ter zitting verklaard dat bij de onderhandelingen niet is gesproken over de vraag wanneer sprake is van een potentiële klant of relatie. Een redelijke uitleg brengt mee dat het moet gaan om (rechts)personen die al in het vizier van [eiseres 1] waren. Als dat anders zou zijn, zou iedere willekeurige (rechts)persoon als potentiële klant of relatie kunnen worden aangeduid. Er is geen enkele aanwijzing dat partijen dat voor ogen zou hebben gestaan. Integendeel, Veno ( [gedaagede 2] ) mocht juist werken voor andere partijen. Een redelijke uitleg van het relatiebeding brengt voorts mee dat het verbod om te werken voor (specifieke) klanten en relaties van [eiseres 1] zich ook uitstrekt tot de (specifieke) klanten en relaties die gedurende de werking van het relatiebeding hun relatie met [eiseres 1] hebben opgezegd en vervolgens [gedaagede 2] hebben benaderd. In de managementovereenkomst is het immers expliciet verboden om tot twee jaar na het einde van die overeenkomst te werken voor klanten en relaties van [eiseres 1] en [gedaagede 2] diende dat te respecteren, ook als de (specifieke) klanten/relaties uit eigen beweging wilden overstappen van [eiseres 1] naar [gedaagede 2] . De rechtbank merkt in dit kader ten slotte op dat het er bij de beantwoording van de vraag of het relatiebeding is overtreden op aan komt of door [gedaagede 2] werkzaamheden zijn verricht voor (potentiële) klanten en relaties van [eiseres 1] waar hij ingevolge de managementovereenkomst niet voor mocht werken. Op welke wijze deze werkzaamheden vervolgens door [gedaagede 2] zijn gefactureerd (via Veno of via [gedaagde 1] ), is bij de beantwoording van deze vraag niet van belang.

4.8.

Dat [gedaagede 2] voor andere partijen mocht werken - en in dat kader nieuwe opdrachtgevers voor zichzelf mocht werven - is op zichzelf niet goed te rijmen met zijn taak om nieuwe opdrachten te werven voor [eiseres 1] (ingevolge artikel 3.2 van de managementovereenkomst). Dat partijen zich bij de onderhandelingen bewust zijn geweest van deze tegenstrijdigheid en daarover hebben gesproken, is niet gebleken. [gedaagden] hebben gesteld dat [gedaagede 2] een keuzevrijheid had om een klant al dan niet bij [eiseres 1] onder te brengen of zelf te bedienen, maar de rechtbank kan hen daarin niet zonder meer volgen. Per geval zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een potentiële klant of relatie van [eiseres 1] . Voorts ligt het voor de hand dat indien een nieuwe (door [gedaagede 2] geworven) klant naast belastingadviesdiensten ook accountancydiensten wenste af te nemen, deze klant bij [eiseres 1] werd ondergebracht. Ook [gedaagden] gaan daar blijkens hun stellingen van uit. Consequentie daarvan is wel dat de betreffende klant een klant van [eiseres 1] werd en daarmee onder de werking van het relatiebeding komt te vallen.

4.9.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank de door [eisers] gestelde overtredingen van het relatiebeding bespreken. Als productie 6 bij dagvaarding hebben [eisers] het dossier overgelegd dat zij hebben gevormd van alle stukken (waaronder facturen, e-mails en andere correspondentie) die zij hebben aangetroffen en waaruit volgens hen blijkt dat werkzaamheden voor relaties van [eiseres 1] zijn verricht. Als producties 26 tot en met 52 hebben [eisers] deze zelfde producties nogmaals in het geding gebracht, maar dan uitgesplitst per (potentiële) relatie. De rechtbank stelt voorop dat ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eisers] , die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen, de stelplicht - en zo nodig de bewijslast - rust van de gestelde overtredingen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat [eisers] niet kunnen volstaan met een verwijzing naar producties, maar moeten aanduiden welke delen daarvan relevant zijn voor de verschillende vorderingen. Het is niet de taak van de rechtbank om uit producties te destilleren welke - specifieke - stellingen [eisers] hadden kunnen en moeten innemen ter motivering van hun vorderingen.

4.10.

BASE Chemical Foundation en NPK Chemical Foundation

Ter comparitie heeft [gedaagede 2] verklaard dat tussen partijen is overeengekomen dat de werkzaamheden voor BASE Chemical Foundation buiten de samenwerking met [eiseres 1] zouden blijven, als eerste voorbeeld van eigen activiteiten van [gedaagede 2] die de fiscale zelfstandigheid van zijn onderneming moesten waarborgen. Van de zijde van [eiseres 1] is ter comparitie erkend dat [gedaagede 2] zelfstandig aan BASE Chemical Foundation mocht factureren. In zoverre kan van een overtreding van het relatiebeding dus geen sprake zijn. Dat NPK Chemical Foundation - in afwijking van de gemaakte afspraken - wél als (potentiële) relatie van [eiseres 1] moet worden aangemerkt, is niet (voldoende) door [eisers] gesteld. Dat geldt temeer, daar [eisers] ter comparitie hebben verklaard dat, omdat [gedaagede 2] zelfstandig aan BASE mocht factureren, de facturen van 2 januari 2013 zijn verrekend en blijkens haar overzicht (producties 9 en 23) ook sprake is van een factuur van 2 januari 2013 aan NPK Chemical Foundation. Ook in zoverre kan dus geen overtreding van het relatiebeding worden aangenomen.

4.11.

Oasis Group

Oasis Group is als specifieke klant vermeld op de klantenlijst. Uitgangspunt is dus, dat het gedurende de werking van het relatiebeding voor [gedaagede 2] niet was toegestaan om werkzaamheden te verrichten of werkzaam te zijn voor Oasis Group (zie hiervoor onder 4.7). In het overzicht van [eisers] is vermeld dat [gedaagede 2] voor Oasis Group heeft gewerkt op 17 en 18 december 2014 (“emailcorrespondentie”), 23 december 2014 (“emailcorrespondentie”), 24 december 2014 (“formulieren KvK”) en op 29 december 2014 (“emailbericht”). [gedaagede 2] heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist deze werkzaamheden voor Oasis Group te hebben verricht, zodat daarvan in rechte moet worden uitgegaan. Dat brengt mee dat sprake is van overtreding van het relatiebeding. In artikel 11 van de managementovereenkomst is op overtreding van het relatiebeding een boete gesteld van € 5.000,00 voor iedere overtreding, alsmede € 5.000,00 per dag dat Opdrachtnemer in overtreding is. Het in dit kader door [eisers] gevorderde bedrag van € 20.000,00 is dan ook toewijsbaar.

4.12.

Oasis Group (vennootschappen behorende tot Oasis Group)

[gedaagede 2] heeft erkend (management)werkzaamheden te hebben verricht voor tien vennootschappen behorende tot Oasis Group (Artifex, Aerofin, Verbraak, REI Breda, Occhi Beheer, Kelson, E-press Investments, Censta Holding, Beleggingsmaatschappij Meijbeer en Beleggingsmaatschappij Arti). Volgens [gedaagede 2] was dat echter niet verboden, onder meer omdat deze vennootschappen geen (potentiële) relaties van [eiseres 1] waren. Gelet op dat verweer had het op de weg van [eisers] gelegen om nader te onderbouwen dat de werkzaamheden voor de betreffende vennootschappen onder de werking van het relatiebeding vallen. [eisers] hebben dat niet gedaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat met de vermelding van “Oasis Group” op de klantenlijst is bedoeld ook de betreffende vennootschappen - die niet afzonderlijk op de lijst zijn vermeld - aan te merken als specifieke klanten waarvoor niet mocht worden gewerkt. Dat geldt temeer, daar [eisers] in de onderhavige procedure “Oasis Group” enerzijds en “vennootschappen behorende tot Oasis Group” anderzijds als afzonderlijke relaties beschouwen. Een en ander brengt mee dat in zoverre niet komt vast te staan dat sprake is van overtreding van het relatiebeding.

4.13.

Mevrouw [persoon] , [B.V.] , Matze Advocatuur, Aelan Advocaten B.V., de heer [persoon] , de heer [persoon] en SDM Dienstverlening/de heer [persoon]

De hiervoor weergegeven (rechts)personen zijn niet als specifieke klanten vermeld op de klantenlijst. Waar [gedaagden] hebben aangevoerd dat sprake is van werkzaamheden voor andere partijen, waartoe Veno ( [gedaagede 2] ) op grond van artikel 6.4 van de managementovereenkomst gerechtigd was, had het op de weg van [eisers] gelegen om concreet en gemotiveerd te stellen en aan de hand van de overgelegde stukken te onderbouwen dat sprake is van (potentiële) klanten of relaties van [eiseres 1] . [eisers] hebben dat niet gedaan. In rechte kan daarom niet worden vastgesteld dat het relatiebeding is overtreden.

4.14.

Raadviseurs/de heer [persoon] , Decatel/de heer [persoon] , Secure One/Hulshof, Whitfieldd.com en CNR Portugal

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven (rechts)personen, die evenmin als specifieke klanten zijn vermeld op de klantenlijst, hebben [gedaagden] betwist dat het tot daadwerkelijke werkzaamheden is gekomen. Volgens [gedaagden] zijn er slechts offertes uitgebracht of voorschotten gefactureerd, soms zelf namens [eiseres 1] op het papier van [eiseres 1] , en kan van overtreding van het relatiebeding dus ook in zoverre geen sprake zijn. [eisers] hebben vervolgens niets gesteld om dat verweer te weerleggen. Zij hebben niet toegelicht op welke werkzaamheden de gestelde overtredingen precies zien. De enkele vermelding van de werkzaamheden op de als producties 9 en 23 overgelegde overzichten en de enkele verwijzing naar het overgelegde dossier is daartoe onvoldoende. Nog los van de vraag of hier sprake is van (potentiële) klanten en relaties van [eiseres 1] , is dan ook niet vast komen te staan dat door [gedaagede 2] werkzaamheden zijn verricht waarmee het relatiebeding is overtreden.

4.15.

Great! Company

Great! Company staat op de klantenlijst. Gedurende de werking van het relatiebeding mocht [gedaagede 2] dus geen werkzaamheden verrichten voor deze rechtspersoon. [gedaagden] hebben evenwel betwist dat daadwerkelijk werkzaamheden zijn verricht voor Great! Company. Het had daarom op de weg van [eisers] gelegen om de gestelde overtredingen vervolgens toe te lichten en te concretiseren, maar dat hebben zij niet gedaan. De gestelde overtredingen zijn daarmee als onvoldoende onderbouwd niet vast komen te staan.

4.16.

[persoon] /de heer [persoon]

Tussen partijen is niet in geschil dat overleg heeft plaatsgevonden tussen [gedaagede 2] en [eiseres 2] over de heer [persoon] als potentiële nieuwe klant. [eisers] hebben aangevoerd dat zij ervan uitgingen dat [gedaagede 2] een nieuwe klant had geworven voor [eiseres 1] , terwijl [gedaagden] hebben aangevoerd dat het ging om een nieuwe klant voor hemzelf. Anders dan het geval was bij BASE (zie hiervoor onder 4.10), was er tussen partijen dus geen overeenstemming over de vraag of [gedaagede 2] zelfstandig aan de heer [persoon] mocht factureren, althans dat is onvoldoende door [gedaagden] gesteld. Mede in aanmerking genomen dat het op grond van de managementovereenkomst de taak van Veno ( [gedaagede 2] ) was om nieuwe opdrachten te werven voor [eiseres 1] , mocht [gedaagede 2] er niet zonder meer van uitgaan dat deze nieuwe klant - die kennelijk ook bij [eiseres 1] ondergebracht had kunnen worden - door hemzelf mocht worden bediend op grond van artikel 6.4 van de managementovereenkomst (zie hiervoor onder 4.8). Door [gedaagden] is dan ook onvoldoende betwist dat sprake is van een overtreding van het relatiebeding. De in dit kader gevorderde boete van € 5.000,00 is daarom toewijsbaar.

4.17.

Stichting RBCG en Fortune Financial Assessment/mr. [persoon]

[gedaagden] hebben gemotiveerd aangevoerd dat deze (rechts)personen geen potentiële klanten van [eiseres 1] kunnen zijn. Volgens [gedaagden] is stichting RBCG een samenwerkingsverband van registerbelastingadviseurs die haar fiscale werkzaamheden uitsluitend laat verrichten door haar leden. [gedaagede 2] is lid van deze vereniging; [eiseres 2] (de enige binnen [eiseres 1] die ook fiscale zaken doet) is lid van de “concurrerende” vereniging NOB, aldus [gedaagden] Zij hebben verder aangevoerd dat [persoon] lid is van stichting RBCG. Deze stellingen zijn niet weersproken door [eisers] , zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Dat brengt mee dat in zoverre zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet kan worden aangenomen dat sprake is van (potentiële) relaties van [eiseres 1] . Daarmee kan dus ook niet worden aangenomen dat sprake is van overtreding van het relatiebeding.

4.18.

Logimpro, [klant] , de heer en mevrouw [persoon] en Ritz Trading/Metalex/de heer [persoon]

Met betrekking tot deze (rechts)personen hebben [gedaagden] aangevoerd dat [gedaagede 2] werkzaamheden voor hen is gaan verrichten vanaf het moment dat zij niet langer een relatie waren van [eiseres 1] . Zoals hiervoor onder 4.7 is overwogen, moet het relatiebeding in redelijkheid aldus worden uitgelegd dat het verbod om te werken voor (specifieke) klanten en relaties van [eiseres 1] zich ook uitstrekt tot de (specifieke) klanten en relaties die gedurende de werking van het relatiebeding hun relatie met [eiseres 1] hebben opgezegd en vervolgens [gedaagede 2] hebben benaderd. In zoverre is dan ook sprake van overtreding van het relatiebeding. [gedaagden] hebben ook niet betwist de door [eisers] in het overzicht (producties 9/23) vermelde werkzaamheden te hebben verricht. De in dit kader gevorderde boetebedragen van € 10.000,00 (Logimpro), € 5.000,00 ( [klant] ), € 5.000,00 (de heer en mevrouw [persoon] ) en € 10.000,00 (Ritz Trading/Metalex/de heer [persoon] ) liggen dan ook voor toewijzing gereed.

4.19.

De heer en mevrouw [persoon] , [adviesbureau] en Promintur

De hiervoor weergegeven (rechts)personen staan op de klantenlijst. Gedurende de werking van het relatiebeding mocht [gedaagede 2] dus niet werken voor deze specifieke klanten van [eiseres 1] , ook niet als deze klanten gedurende de werking van het relatiebeding hun relatie met [eiseres 1] uit eigen beweging hebben opgezegd. De door [eisers] in dit kader gestelde werkzaamheden zijn niet (gemotiveerd) door [gedaagden] betwist en de gevorderde boetebedragen van € 5.000,00 (de heer en mevrouw [persoon] ), € 5.000,00 ( [adviesbureau] ) € 5.000,00 (Promintur) zijn dan ook toewijsbaar.

4.20.

Conclusie van het voorgaande is dat een totaalbedrag van € 70.000,00 aan boetes toewijsbaar is, behoudens voor zover de hierna te bespreken verweren van [gedaagden] slagen.

4.21.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat in bepaalde situaties sprake was van toestemming van [eiseres 1] tot verrichting van de werkzaamheden, althans dat [eiseres 1] met die werkzaamheden vanaf het begin bekend was en daartegen geen bezwaar heeft gemaakt en/of zelfs assistentie heeft verleend. Daarnaast is er over vrijwel alle klanten overleg geweest met [eiseres 1] , aldus [gedaagden] [eisers] hebben deze stellingen gemotiveerd weersproken. Volgens hen is van instemming nooit sprake geweest en kan die instemming ook niet worden afgeleid uit het tussen partijen gevoerde overleg, nu bij dat overleg voor [eisers] niet duidelijk was dat werd gehandeld in strijd met het relatiebeding. [gedaagden] hebben hun verweer vervolgens niet nader geconcretiseerd en onderbouwd, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan. De rechtbank volgt [gedaagden] ook niet in hun standpunt dat de bewijsstukken afkomstig zijn uit de e-mailbox van [gedaagede 2] bij [eiseres 1] en derhalve op ieder moment bekend zijn geweest bij [eiseres 1] , zonder dat daartegen toen bezwaar is gemaakt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [eisers] in een eerder stadium van de overtredingen op de hoogte waren of hadden moeten zijn. Het enkele feit dat gebruik werd gemaakt van de mailbox van [gedaagede 2] bij [eiseres 1] is daartoe niet voldoende. Voor zover [gedaagden] hebben aangevoerd dat de aanspraak van [eisers] op boete in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat [eisers] steeds vanaf het begin bekend waren met de feiten en omstandigheden die zij nu (althans pas in 2015) aanvoer(d)en als schending, faalt hun verweer gelet op het voorgaande eveneens.

4.22.

[gedaagden] hebben verder aangevoerd dat als gevolg van de ernstige en langdurige wanbetaling van [eiseres 1] (vanaf januari 2014 werd de huur niet meer betaald en vanaf augustus 2014 bleef [eiseres 1] ook in gebreke met betaling van de door [gedaagede 2] verrichte werkzaamheden) een noodtoestand ontstond, zodat [gedaagden] op grond daarvan een beroep op overmacht toekomt. Dit verweer kan evenmin slagen. Artikel 6:75 BW bepaalt dat een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De gestelde tekortkomingen van [eiseres 1] , waarover in reconventie zal worden geoordeeld, vormen geen rechtvaardiging voor de overtredingen van het relatiebeding.

4.23.

Ten slotte hebben [gedaagden] in dit kader een beroep gedaan op matiging van de boetes. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [gedaagede 2] ervan uitging dat hij ook voor andere opdrachtgevers mocht werken, dat hij altijd heeft geprobeerd de bedingen te respecteren, dat hij nooit is gewezen op enige overtreding en dus ook zijn gedrag niet heeft kunnen aanpassen en dat in veruit de meeste gevallen ook geen schade is veroorzaakt bij [eiseres 1] . Een bedongen boete kan ingevolge artikel 6:94 BW uitsluitend door de rechter worden gematigd, indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. Die maatstaf brengt mee dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is onvoldoende gesteld en evenmin gebleken. Het non-concurrentiebeding in de koopovereenkomst verloor door de verwijzing naar de managementovereenkomst weliswaar haar werking, maar in de managementovereenkomst zijn restricties opgenomen die de belangen van [eiseres 1] beogen te beschermen. Voor [gedaagede 2] moet duidelijk zijn geweest wat de grenzen van zijn bevoegdheden op grond van de managementovereenkomst waren en wat de consequenties zouden zijn als hij deze grenzen zou overschrijden. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat bij de vaststelling van de overeengekomen boeteclausule onder meer is gekeken naar het voordeel dat zou kunnen worden behaald indien in strijd met de bedingen zou worden gehandeld. Dat de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boetes onevenredig is, is onvoldoende gebleken.

4.24.

Nu de verweren van [gedaagden] niet slagen, kan de hiervoor onder 3.1 onder 5 sub a) weergegeven vordering worden toegewezen tot een bedrag van € 70.000,00. Aangezien Veno partij is bij de managementovereenkomst en het relatiebeding en de boeteclausule zich ook tot haar richten, kunnen [gedaagede 2] en Veno, zoals gevorderd, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van voormeld bedrag.

4.25.

[gedaagden] hebben betwist dat [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 4] als maten van [eiseres 1] een eigen vorderingsrecht hebben. Een maatschap heeft geen rechtspersoonlijkheid. Indien ten behoeve of ten laste van een maatschap een vordering in rechte wordt ingesteld, moet daarom worden geprocedeerd door of tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn. Indien, zoals in dit geval, de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, kan in de dagvaarding worden volstaan met vermelding van die naam in plaats van de namen van de afzonderlijke maten. In werkelijkheid procederen dan de gezamenlijke maten. Dat in het onderhavige geval in de dagvaarding zowel de maatschap als de afzonderlijke maten zijn vermeld, brengt dus niet mee dat die afzonderlijke maten geen vorderingsrecht hebben. [gedaagede 2] en Veno zullen dan ook worden veroordeeld om de gevorderde boetes te betalen aan [eisers]

4.26.

Nu in rechte is vastgesteld dat Veno en [gedaagede 2] toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun uit de managementovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, komt vervolgens de vraag aan de orde of het beroep van [eisers] op (primair) ontbinding en (subsidiair) opzegging van de managementovereenkomst slaagt. Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dat ontbinding in het onderhavige geval ondanks de hiervoor vastgestelde overtredingen van het relatiebeding niet gerechtvaardigd is, is onvoldoende door [gedaagden] gesteld en evenmin gebleken. Ingevolge artikel 6:265 lid 2 BW ontstaat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. Nu de overtredingen die ten tijde van de brief van [eisers] van 2 februari 2015 reeds hadden plaatsgevonden niet meer ongedaan konden worden gemaakt, was - anders dan [gedaagden] hebben betoogd - geen ingebrekestelling vereist. De rechtbank volgt [gedaagden] evenmin in hun stelling dat sprake is van schuldeisersverzuim in verband met de achterstallige betalingen ter zake van de huur en de managementfee (waarover in reconventie zal worden geoordeeld). Artikel 6:266 lid 1 BW bepaalt dat geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is. Niet geoordeeld kan worden dat [eisers] ten aanzien van de geschonden verplichting zelf in verzuim verkeerden. Een en ander brengt mee dat aan de vereisten voor ontbinding op zichzelf is voldaan. Ingevolge artikel 6:271 BW bevrijdt een ontbinding de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Partijen hebben hun stellingen niet op deze gevolgen ingericht. Uit de stellingen van [eisers] leidt de rechtbank af dat zij feitelijk hebben bedoeld om de managementovereenkomst op 2 februari 2015 met onmiddellijke ingang te beëindigen (op te zeggen). De rechtbank zal daar dan ook vanuit gaan. De hiervoor onder 3.1 sub 1 weergegeven vordering zal daarom aldus worden toegewezen, dat zal worden verklaard voor recht dat de managementovereenkomst bij brief van 2 februari 2015 met onmiddellijke ingang is opgezegd.

4.27.

Het relatiebeding heeft werking tot twee jaar na het einde van de managementovereenkomst. Nu de managementovereenkomst op 2 februari 2015 is geëindigd, heeft het relatiebeding dus werking gehad tot en met 2 februari 2017. Voor de gevorderde nakoming van het relatiebeding (zie hiervoor onder 3.1 onder 6) is daarom geen plaats meer.

4.28.

Onder 3.1 onder 2 sub c) hebben [eisers] veroordeling van [gedaagde 1] gevorderd tot betaling van € 47.002,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2014. Deze vordering is als volgt opgebouwd:

  1. € 26.000,00 ter zake van onderhanden werk;

  2. € 20.570,05 ter zake van afvloeiingskosten en

  3. € 2.568,00 ter zake van onverschuldigde betaling.

Op het totaalbedrag van € 49.138,05 hebben [eisers] een bedrag van € 2.135,90 in mindering laten strekken. Dit bedrag betreft door [gedaagde 1] aan [eiseres 1] voorgeschoten bedragen, zoals ook in reconventie door [gedaagden] gevorderd (zie hierna onder 4.43).

4.29.

Ad a): onderhanden werk

[eisers] hebben gesteld dat na uitvoerig overleg in mei 2014 is overeengekomen dat [gedaagde 1] ter zake van onderhanden werk een bedrag van € 26.000,00 zou betalen aan [eiseres 1] . [gedaagden] hebben erkend akkoord te zijn gegaan met een onderlinge afspraak en voorts erkend dat het onderhanden werk qua bedrag als zodanig akkoord was. Dit brengt mee dat het in dit kader gevorderde bedrag van € 26.000,00 toewijsbaar is.

4.30.

Ad b): afvloeiingskosten

Wat betreft de gevorderde afvloeiingskosten hebben [eisers] aangevoerd dat deze betrekking hebben op twee ex-werknemers en dat de verschuldigdheid daarvan voortvloeit uit artikel 5.4 van de koopovereenkomst (zie hiervoor onder 2.3). Op 27 augustus 2014 heeft [eiseres 1] een factuur ad € 20.570,00 gestuurd aan [gedaagde 1] , met als onderwerp “bijdrage in de afvloeiingskosten”. [gedaagden] hebben de vordering betwist en daartoe aangevoerd dat de kosten niet (volledig) aan hen zijn toe te rekenen. Het had, gelet op dat verweer, op de weg van [eisers] gelegen om inzichtelijk toe te lichten om welke kosten het precies gaat en op welke gronden die kosten ingevolge artikel 5.4 van de koopovereenkomst door [gedaagde 1] moeten worden gedragen. [eisers] hebben dat niet gedaan. De factuur van 27 augustus 2014 die zij als productie 19 bij de conclusie van antwoord in het geding hebben gebracht, is in het geheel niet gespecificeerd. De vordering is op dit punt dan ook als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar.

4.31.

Ad c): onverschuldigde betaling

4.31.1.

[eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij de volgende bedragen onverschuldigd hebben betaald aan [gedaagde 1] :

  • -

    € 1.765,92 (exclusief btw) ter zake van betaalde verzekeringspremies in 2013;

  • -

    € 194,32 (exclusief btw) ter zake van betaalde verzekeringspremies in 2014;

  • -

    € 607,76 ter zake van andere kosten die in strijd met de afspraken aan [eiseres 1] zijn doorbelast.

Volgens [eisers] is tussen partijen overeengekomen dat de verzekering al in 2013 zou worden opgezegd. Zij hebben verder aangevoerd dat [gedaagde 1] de vordering op dit punt gedeeltelijk heeft erkend en daartoe in oktober 2014 een creditfactuur van € 1.293,70

exclusief btw aan [eiseres 1] heeft verstrekt (productie 21 bij conclusie van antwoord in reconventie). Dat bedrag is echter nooit door [gedaagde 1] voldaan, aldus [eisers]

4.31.2.

[gedaagden] hebben ook deze vordering betwist. Volgens hen is bij de overdracht overeengekomen dat [eiseres 1] de verzekeringen (onder andere een doorlopende reisverzekering, beroepsaansprakelijkheidsverzekering en glasverzekering) zou overnemen en betalen en dat alleen met betrekking tot de glasverzekering is overeengekomen dat deze zou worden opgezegd.

4.31.3.

In artikel 3.2 sub d. van de koopovereenkomst is vermeld dat “de rechten onder de in Bijlage 4 omschreven vergunningen zullen overgaan door het wijzigen van de tenaamstelling van de Vergunningen, waartoe Partijen direct na tekening van deze Overeenkomst de daarvoor nodige handelingen zullen verrichten”. Op bijlage 4 bij de koopovereenkomst, die betrekking heeft op de lopende contracten/abonnementen, is onder meer een bedrag van € 237,59 per maand (exclusief btw) vermeld met als opmerking: “doorl.reisverz., beroepsaanspr.verz., glasverz.”. De rechtbank volgt [gedaagden] dan ook in hun standpunt dat in de overeenkomst is vastgelegd dat de verzekeringen door [eiseres 1] zouden worden overgenomen (en betaald). Partijen zijn het erover eens dat vervolgens is overeengekomen dat de glasverzekering zou worden opgezegd. Dat die afspraak ook betrekking heeft op de overige verzekeringen is, gelet op de betwisting daarvan door [gedaagden] , onvoldoende door [eisers] gesteld en onderbouwd. [eisers] hebben evenmin toegelicht waarop de “andere kosten die in strijd met de afspraken aan [eiseres 1] zijn doorbelast” betrekking hebben. Nu door [gedaagden] niet is betwist dat de creditfactuur d.d. 27 oktober 2014 ad € 1.293,70 betrekking heeft op de in dit kader gevorderde bedragen en evenmin is betwist dat voornoemd bedrag tot op heden niet daadwerkelijk is gecrediteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering op dit punt tot een bedrag van € 1.293,70 toewijsbaar te achten. Voor het overige moet de vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.32.

Wat betreft de vordering onder 3.1 onder d sub c) is dan ook toewijsbaar een bedrag van € 27.293,70.

4.33.

Vervolgens komt aan de orde de vordering als weergegeven onder 3.1 onder 7. [eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat zij een vordering van € 14.400,00 op Veno hebben ter zake van teveel betaalde managementvergoeding over 2013. Deze vordering hangt samen met de vordering in reconventie tot betaling van achterstallige managementvergoeding over 2013 ad € 2.934,18.

4.34.

Beide partijen hebben een berekening van het door hen gevorderde bedrag ter zake de eindafrekening over 2013 in het geding gebracht (productie 22 bij de conclusie van antwoord in reconventie en productie 3 bij de akte uitlating van de zijde van [gedaagden] ). Blijkens deze berekeningen zijn partijen het erover eens dat door [gedaagede 2] over 2013 528 uur ter zake van belastingadvieswerkzaamheden en 170 uur ter zake van managementdiensten in rekening mochten worden gebracht. De berekeningen verschillen met betrekking tot het gehanteerde afboekingspercentage. Verder is door [eisers] een bedrag van € 3.000,00 op de vergoeding in mindering gebracht, welk bedrag door [gedaagden] is betwist.

4.35.

[eisers] gaan uit van een gemiddeld afboekingspercentage van 36%. Zij hebben toegelicht dat de berekening ziet op de werkzaamheden van het team van [gedaagede 2] in Breda (aanvankelijk vijf werknemers) en niet op de eigen individuele werkzaamheden van [gedaagede 2] . Volgens [eisers] moet rekening gehouden worden met gemaakte lumpsumafspraken en gaan [gedaagden] er ten onrechte vanuit dat alle gewerkte uren kunnen worden gefactureerd. [gedaagden] hebben de berekeningsmethode van [eisers] gemotiveerd betwist en aan de hand van een voorbeeld toegelicht dat volgens hen moet worden uitgegaan van een afboekingspercentage van 16,34%. Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat het op de vergoeding van [gedaagede 2] in mindering te brengen afboekingspercentage alleen betrekking dient te hebben op de door [gedaagede 2] gefactureerde uren. Dat uren van de andere - van [gedaagde 1] overgenomen - medewerkers niet volledig aan de klanten kunnen worden doorberekend, is een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening en risico van [eiseres 1] dient te komen. [eisers] hebben niet toegelicht welk gedeelte van het afboekingspercentage betrekking heeft op (de uren van) [gedaagede 2] . De enkele, niet onderbouwde stelling dat de werkzaamheden van [gedaagede 2] zodanig vermengd waren met de werkzaamheden van andere teamleden dat het niet mogelijk was om deze te splitsen, vormt daarvoor geen (deugdelijke) rechtvaardiging. Wat betreft het afboekingspercentage zal de rechtbank dan ook uitgaan van de berekening van [gedaagden]

4.36.

Het bedrag van € 3.000,00 dat door [eisers] in mindering is gebracht op de vergoeding van [gedaagede 2] heeft betrekking op BASE (zie hiervoor onder 4.10). Uit de berekening van [eisers] blijkt dat het gaat om verrekening van omzet die buiten [eiseres 1] om is gefactureerd. Nu tussen partijen niet (langer) in geschil is dat [gedaagede 2] zelfstandig aan BASE mocht factureren, ziet de rechtbank niet in waarom voornoemd bedrag op de vergoeding van [gedaagede 2] in mindering moet strekken.

4.37.

Conclusie van het voorgaande is dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de berekening van [gedaagden] Dat betekent dat met betrekking tot de eindafrekening over 2013 het in conventie gevorderde bedrag van € 14.400,00 zal worden afgewezen en dat het in reconventie gevorderde bedrag van € 2.934,18 toewijsbaar is.

4.38.

[eisers] hebben ten slotte aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Volgens hen moeten deze kosten conform de staffel worden begroot op € 5.200,00. Nu door [eisers] in het geheel niet is gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding door [gedaagden] rechtvaardigen, is de vordering op dit punt niet toewijsbaar.

4.39.

De vorderingen in conventie zijn dus toewijsbaar tot een bedrag van € 70.000,00 (hoofdelijk verschuldigd door [gedaagede 2] en Veno) en tot een bedrag van € 27.293,70 (verschuldigd door [gedaagde 1] ). Over de gevorderde rente zal hierna onder 4.56 worden beslist.

4.40.

[gedaagden] hebben een beroep gedaan op verrekening van de in conventie toewijsbare bedragen met hun vorderingen in reconventie. Op dat beroep zal hierna onder 4.55 worden teruggekomen.

in reconventie

4.41.

Vervolgens komt de vordering in reconventie aan de orde. Deze heeft enerzijds betrekking op een vordering van [gedaagde 1] ad € 38.386,02 (zie onder 3.3 onder 3 sub a) en anderzijds op een vordering van Veno ad € 88.803,25 (zie onder 3.3 onder 3 sub b). De vorderingen zijn ingesteld tegen [eisers] Schuldeisers van een maatschap hebben zowel de mogelijkheid van het aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst partij waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun privévermogens).

4.42.

[gedaagde 1] heeft veroordeling van [eisers] gevorderd tot betaling van € 36.250,12 ter zake van achterstallige huur over de maanden januari tot en met juni 2014. Niet in geschil is dat tussen [gedaagde 1] en [eisers] een (onder)huurovereenkomst is gesloten met betrekking tot de door [gedaagde 1] gehuurde bedrijfsruimte. Deze huurovereenkomst is door opzegging door [eisers] geëindigd per 30 juni 2014. Evenmin is in geschil dat de huur over de maanden januari tot en met juni 2014 ad € 36.250,12 niet door [eisers] is voldaan. Dit bedrag is dan ook in beginsel toewijsbaar. Met [eisers] is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zogenaamde aardvordering, die ingevolge artikel 93 sub c Rv door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist. Nu beide partijen zich echter op het standpunt stellen dat deze vordering inmiddels is verrekend en daarmee teniet is gegaan (waarover hierna onder 4.55 meer), is er voor verwijzing naar de kantonrechter geen aanleiding meer.

4.43.

De vordering van [gedaagde 1] tot betaling van € 2.135,90 ter zake van voorgeschoten bedragen is eveneens erkend en daarmee toewijsbaar. Voor zover [eisers] zich op het standpunt hebben gesteld dat ook deze vordering inmiddels is verrekend, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna onder 4.55 is vermeld.

4.44.

De vorderingen van Veno hebben betrekking op afrekening van de managementovereenkomst. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat, zoals hiervoor onder 4.26 is overwogen, wegens de toerekenbare tekortkomingen van [gedaagede 2] en Veno in de nakoming van de managementovereenkomst, met ingang van 2 februari 2015 een einde aan die overeenkomst is gekomen. De afrekening dient dan ook per die datum plaats te vinden. Voor toewijzing van de hiervoor onder 3.3 onder 1 weergegeven vordering is daarom geen plaats.

4.45.

De vordering van Veno tot betaling van de eindafrekening over 2013 ad € 2.934,18 is, zoals hiervoor onder 4.33 e.v. is overwogen, toewijsbaar.

4.46.

Veno heeft voorts aanspraak gemaakt op een bedrag van € 68.062,50 ter zake van managementvergoeding over de periode augustus 2014 tot en met april 2015. Aan die vordering hebben [gedaagden] ten grondslag gelegd dat tussen partijen is overeengekomen dat Veno vanaf begin 2014 recht had op een vast maandelijks voorschot op de jaarlijkse eindafrekening ad € 6.250,00 exclusief btw/€ 7.562,50 inclusief btw. Vast staat dat het voorschot is betaald over de maanden januari tot en met juli 2014, maar nadien onbetaald is gebleven. [eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat de afspraak over de betaling van maandelijkse voorschotten geheel onverplicht is gemaakt en zou vervallen indien de voorschotten niet (meer) in verhouding zouden staan tot de verrichte werkzaamheden. Volgens [eisers] was van die situatie vanaf juli 2014 sprake en mochten daarom vanaf augustus 2014 geen voorschotnota’s meer in rekening worden gebracht. Als productie 15 bij de conclusie van antwoord in reconventie hebben [eisers] een e-mailbericht van [eiseres 3] aan [gedaagede 2] van 19 augustus 2014, met als onderwerp “productie juli versus facturatie” in het geding gebracht, waarin onder meer is vermeld: “(…) De vraag is hoe het (in grote lijnen) kan dat de facturatie € 10K is terwijl de productie € 34K bedraagt. Graag je reactie. (…)”. Volgens [eisers] heeft [gedaagede 2] niet op die e-mail gereageerd en is de onverplichte werkwijze teruggedraaid. Omdat Veno vervolgens in gebreke bleef om (op de juiste wijze) te factureren, heeft [eiseres 1] destijds haar betalingsverplichtingen opgeschort, aldus [eisers]

4.47.

Het komt de rechtbank niet onredelijk voor dat de begin 2014 gemaakte afspraak over de maandelijkse betaling van voorschotten zou kunnen komen te vervallen als de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden niet (meer) in verhouding zouden staan tot de (hoogte van de) voorschotten. Door [gedaagden] is niet gesteld dat sprake was van een onvoorwaardelijke afspraak. Op 27 augustus 2014 heeft [eiseres 3] [gedaagede 2] om een reactie gevraagd op zijn hiervoor weergegeven e-mail van 19 augustus 2014. Niet gesteld en evenmin gebleken is dat [gedaagede 2] vervolgens op de vraag van [eiseres 3] heeft gereageerd. [eisers] hebben de gemaakte afspraak daarom op goede gronden als vervallen kunnen beschouwen en waren vanaf augustus 2014 niet langer gehouden de voorschotten te betalen. Voor toewijzing van de door [gedaagden] gevorderde voorschotten is reeds daarom geen plaats.

4.48.

Nu de afspraak over de bevoorschotting is komen te vervallen, moest vanaf augustus 2014 weer worden gedeclareerd op de wijze als bedoeld in artikel 4.4 e.v. van de managementovereenkomst. Dat [gedaagede 2] in gebreke bleef met facturatie aan [eiseres 1] als bedoeld in artikel 4.4 van de managementovereenkomst, is niet (voldoende) door [eisers] gesteld en ook niet gebleken. Volgens [eisers] “werden wel uren geschreven” door Veno/ [gedaagede 2] . Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat uit de relevante bepalingen in de managementovereenkomst niet kan worden afgeleid dat het de plicht van Veno/ [gedaagede 2] was om te factureren aan klanten en om een jaaroverzicht te verstrekken aan [eiseres 1] . Integendeel, op grond van artikel 4.5 en 4.6 van de managementovereenkomst zijn dat verplichtingen van [eisers] Wat daar ook van zij, de rechtbank volgt [gedaagden] in hun standpunt dat door [eisers] nog eindafrekeningen moeten worden opgesteld over 2014 en over de periode januari 2015 tot en met 2 februari 2015, als bedoeld in artikel 4.6 van de managementovereenkomst. De hiervoor onder 3.3 sub 2 weergegeven vordering zal dienovereenkomstig worden toegewezen. Met betrekking tot de wijze waarop die eindafrekeningen moeten worden opgesteld verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.33 e.v. is overwogen in het kader van de eindafrekening over 2013. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het gematigd tot € 1.000,00 per dag en gemaximeerd tot € 10.000,00 in totaal. Aan [eisers] dient een termijn te worden gegund om aan de veroordeling te voldoen en de rechtbank zal daarom ingevolge artikel 611a lid 4 Rv bepalen dat de dwangsommen zullen worden verbeurd met ingang van 2 januari 2018.

4.49.

Ten slotte heeft Veno aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 2.681,57 ter zake van prestatiebonus A en een bedrag van € 15.125,00 ter zake van prestatiebonus B. Op grond van artikel 4.8 van de managementovereenkomst betreft prestatiebonus A een vergoeding van 10% van de over het voorgaande jaar behaalde omzet op doorlopende opdrachten van over dat jaar door Veno/ [gedaagede 2] in dat jaar nieuw voor [eisers] verworven klanten. [eisers] hebben aangevoerd dat de vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd is. Zij hebben voorts aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder een recht op deze bonus bestaat en dat er onterechte posten zijn opgevoerd. Klant [klant] mag bijvoorbeeld niet worden meegenomen, omdat deze klant al in 2012 de opdracht aan [eiseres 1] heeft verstrekt. Bovendien was de gerealiseerde omzet gemaakt met losse/eenmalige adviesopdrachten, terwijl bonus A slechts verschuldigd is indien het gaat om een doorlopende opdracht (langer dan een jaar) voor een betreffende klant, aldus [eisers]

4.50.

[gedaagden] hebben deze verweren onvoldoende weersproken. De rechtbank kan [gedaagden] niet volgen in hun standpunt dat de datum van de eerste factuur bepalend is voor de vraag of een klant onder bonusregeling A valt. Het gaat om klanten die in een bepaald jaar (in dit geval 2013) nieuw zijn verworven door Veno/ [gedaagede 2] voor [eiseres 1] en gelet op de betwisting daarvan door [eisers] had het op de weg van [gedaagden] gelegen om nader te onderbouwen dat klant [klant] de eerste opdracht in 2013 heeft gegeven. Op het verweer met betrekking tot de doorlopende opdrachten is in het geheel niet gereageerd door [gedaagden] Nu bovendien een specificatie van het gevorderde bedrag ontbreekt, kan het op dit punt gevorderde bedrag niet worden toegewezen. Wel is de rechtbank met [gedaagden] van oordeel dat, ingevolge artikel 4.11 van de managementovereenkomst, prestatiebonus A nog zal moeten worden afgerekend tot het moment dat de managementovereenkomst is geëindigd. Zoals gevorderd onder 3.3 onder 2 zal de rechtbank [eisers] dan ook veroordelen om een eindafrekening met betrekking tot bonus A op te stellen. De hiervoor onder 4.48 bedoelde dwangsom zal zich tevens tot deze veroordeling uitstrekken. Door [gedaagden] is geen afzonderlijke dwangsom gevorderd op dit punt.

4.51.

Tussen partijen is niet in geschil dat prestatiebonus B (zie artikel 4.9 en 4.10 van de managementovereenkomst) betaald is over de jaren 2013 en 2014. [gedaagden] maken aanspraak op betaling van bonus B over de jaren 2015 en 2016. [eisers] hebben de verschuldigdheid van bonus B op zichzelf niet betwist, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat de managementovereenkomst is geëindigd op 2 februari 2015 en dat [eisers] na die datum niets meer verschuldigd zijn. De rechtbank volgt [eisers] in dat standpunt. Niet betwist is dat de bonus € 3.781,25 inclusief btw per maand bedraagt. Dat bedrag is toewijsbaar over de maand januari 2015.

4.52.

Wat betreft de vordering om [eisers] te veroordelen om een kopie te verstrekken van het volledige e-mailbestand van de e-mailbox die [gedaagede 2] bij [eiseres 1] in gebruik had (zie onder 3.3 onder 2), hebben [gedaagden] aangevoerd dat zij daarbij belang hebben om tegenbewijs te kunnen leveren. De rechtbank begrijpt deze vordering dan ook als een voorwaardelijke vordering, namelijk voor het geval een bewijsopdracht wordt verstrekt. Nu daarvan geen sprake is, is de voorwaarde niet ingetreden en hebben [gedaagden] geen belang bij deze vordering.

4.53.

Conclusie van het voorgaande is dat in reconventie de volgende bedragen toewijsbaar zijn: € 36.250,12 (verschuldigd aan [gedaagde 1] ), € 2.135,90 (verschuldigd aan [gedaagde 1] ), € 2.934,18 (verschuldigd aan Veno) en € 3.781,25 (verschuldigd aan Veno).

4.54.

[eisers] hebben een beroep gedaan op verrekening van de in reconventie toewijsbare bedragen met hun vordering in conventie als hiervoor onder 3.1 onder 2 sub c) weergegeven. Dat beroep zal hierna worden besproken.

in conventie en in reconventie

4.55.

Beide partijen beroepen zich op verrekening. Volgens [eisers] moeten de vorderingen van [gedaagde 1] ter zake de huur en de voorgeschoten bedragen worden verrekend met de vordering van [eisers] op [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen over en weer dienen te worden verrekend, ongeacht uit welke rechtsverhoudingen deze voortvloeien. Artikel 6:127 lid 2 BW vereist wederkerig schuldenaarschap om te kunnen verrekenen. Deze bepaling is evenwel van regelend recht en partijen kunnen daarvan dus afwijken. Nu [eisers] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de door [gedaagden] voorgestelde wijze van verrekening, gaat de rechtbank ervan uit dat zij daarmee instemmen. De rechtbank zal de toewijsbare vorderingen in conventie en in reconventie dan ook over en weer verrekenen, waarbij - in aansluiting bij het standpunt van [eisers] - de vorderingen in reconventie eerst zullen worden verrekend met de vordering in conventie op [gedaagde 1] en vervolgens met de vordering in conventie op [gedaagede 2] en Veno.

4.56.

De totale toewijsbare vordering in reconventie bedraagt € 45.101,45. De totale toewijsbare vordering in conventie bedraagt € 97.293,70. Door de verrekening gaat de totale vordering in reconventie dus teniet, evenals de vordering in conventie van [eisers] op [gedaagde 1] . Na verrekening resteert in conventie een toewijsbaar bedrag van € 52.192,25 ter zake de hoofdelijk door [gedaagede 2] en Veno verschuldigde boetes. Over dat bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening.

4.57.

Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten zowel in conventie als in reconventie te compenseren op de in de beslissing vermelde wijze.

4.58.

[gedaagden] hebben verzocht het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een afweging van de belangen van partijen, in het licht van de omstandigheden van het geval, mee dat de door [eisers] gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet worden toegewezen. De partij die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. De door [gedaagden] gestelde ingrijpende gevolgen van de executie staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet in de weg.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de managementovereenkomst bij brief van 2 februari 2015 met onmiddellijke ingang is opgezegd door [eisers] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagede 2] en Veno hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 52.192,25 (tweeënvijftig duizendéénhonderdtweeënnegentig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 5 augustus 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie ten aanzien van de in 5.2 bedoelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6.

veroordeelt [eisers] om een eindafrekening met betrekking tot de verrichte diensten op te stellen over 2014 en over de periode januari 2015 tot en met 2 februari 2015, als bedoeld in artikel 4.6 van de managementovereenkomst, en deze aan Veno te verstrekken,

5.7.

veroordeelt [eisers] om een eindafrekening met betrekking tot prestatiebonus A op te stellen over 2013, 2014 en over de periode januari 2015 tot en met 2 februari 2015, als bedoeld in artikel 4.11 van de managementovereenkomst, en deze aan Veno te verstrekken,

5.8.

veroordeelt [eisers] om aan Veno een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij na 1 januari 2018 niet aan de in 5.6 en 5.7 bedoelde veroordelingen voldoen, met een maximum van € 10.000,00,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.10.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.

1977/1573