Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:10028

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
ROT 16/2870
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting, als bedoeld in artikel 25 WW. De rechtbank stelt op grond van artikel 27a, twaalfde lid, van de WW een hogere boete vast gezien de recidive.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/2870

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. I. Scheele,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 1 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 herzien en de te veel betaalde uitkering ter hoogte van € 3.709,60 bruto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete (boete) opgelegd van € 930,-.

Bij besluit van 31 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 20 januari 2017 te zittingsplaats Dordrecht. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. S. Roodenburg.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nieuwe berekening van de draagkracht van eiser te laten maken, indien er voor de rechtbank aanleiding zou bestaan een hogere boete op te leggen.

De rechtbank heeft op 21 februari 2017 een reactie van verweerder van 17 februari 2017 ontvangen. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 7 maart 2017.

De rechtbank heeft op 29 maart 2017 met toestemming van partijen bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Bij brief van 29 juni 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het onderzoek is heropend en dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 14 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F.J. Nojotaroeno.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft verweerder eiser met ingang van 7 maart 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Deze uitkering is bij besluit van 31 mei 2012 met ingang van 4 juni 2012 beëindigd, omdat eiser een nieuwe baan had gevonden. Bij drie besluiten van 1 augustus 2013 heeft verweerder achtereenvolgens de WW-uitkering over de periode van 14 mei 2012 tot en met 3 juni 2012 herzien omdat eiser in die periode heeft gewerkt of inkomsten heeft gehad, de te veel betaalde uitkering ter hoogte van
€ 1.204,50 bruto van eiser teruggevorderd en aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van
€ 130,-, wegens schending van de inlichtingenverplichting. Eiser heeft tegen deze besluiten van 1 augustus 2013 geen bezwaar gemaakt.

1.2

Op 15 december 2013 heeft eiser opnieuw een WW-uitkering bij verweerder aangevraagd. Bij besluit van 10 januari 2014 heeft verweerder eiser met ingang van 14 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Op 30 oktober 2014 heeft eiser met behulp van het ‘Wijzigingsformulier WW’ aan verweerder gemeld dat hij met ingang van 27 oktober 2014 volledig aan het werk gaat bij [naam] (de werkgever). Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 31 oktober 2014 de WW-uitkering met ingang van 27 oktober 2014 beëindigd.

1.3

Bij brief van 26 november 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat uit informatie van de werkgever is gebleken dat eiser in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 heeft gewerkt of inkomsten heeft gehad. Eiser zou dat niet juist en te laat hebben doorgegeven en zich daarmee niet aan de inlichtingenverplichting hebben gehouden. Eiser zou hierdoor in die periode € 3.709,60 bruto te veel aan WW-uitkering hebben ontvangen, wat hij, als deze gegevens juist zijn, zal moeten terugbetalen. Verweerder heeft eveneens meegedeeld dat hij voornemens is om aan eiser een boete ter hoogte van € 930,- op te leggen. Eiser is vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het voornemen te geven, wat hij heeft gedaan op 27 november 2015.

1.4

Vervolgens heeft verweerder de beide primaire besluiten genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser heeft erkend dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 te veel WW-uitkering heeft ontvangen en heeft aangegeven dat de uitkering over die periode dan ook terecht wordt teruggevorderd. Hiernaast bestaat volgens verweerder aanleiding voor het opleggen van een boete, omdat sprake is geweest van een schending van de inlichtingenverplichting. Daarbij heeft verweerder betrokken dat aan eiser reeds eerder een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting is opgelegd. Verweerder heeft bij het bepalen van de hoogte van de boete aanleiding gezien uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid, omdat eiser, ondanks de omstandigheid dat de wijziging niet geheel juist en tijdig door hem is gedaan, wel heeft gemeld dat hij volledig aan het werk ging en bij aanvang van zijn dienstverband in een onduidelijke situatie verkeerde, omdat de werkplek nog niet geheel gereed was.

3. Eiser, die zich met het bestreden besluit niet kan verenigen, heeft toegegeven dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, maar zich op het standpunt gesteld dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Eiser wijst er in dit verband op dat de situatie bij aanvang van zijn werkzaamheden onduidelijk was. De arbeidsovereenkomst is weliswaar ingegaan op
15 september 2014, maar de eerste betaling van het loon is pas voldaan op 4 november 2014. Eiser heeft de loonstroken tevens later ontvangen. Eiser had zodoende geen inzicht in wat er was betaald en op welke periode die betaling zag. Eiser stelt daarom dat hij verweerder zo volledig als mogelijk heeft geïnformeerd met behulp van de informatie die hem op dat moment ter beschikking stond. Van verwijtbaar handelen is daarom geen sprake, aldus eiser.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser wel verwijtbaar heeft gehandeld. Eiser heeft niet voldaan aan de verplichting om direct uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet/had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op zijn uitkering. Pas op 30 oktober 2014 heeft eiser aangegeven dat hij is gaan werken per 27 oktober 2014, wat in strijd is met de werkelijkheid. Uit de door eiser overgelegde arbeidsovereenkomst volgt dat hij op 15 september 2014 in dienst is getreden en uit de door hem overgelegde loonstrook volgt dat hij reeds vanaf 1 september 2014 loon genoot. Hierom is 30 oktober 2014 hoe dan ook te laat, aldus verweerder.

Verweerder heeft voorts opgemerkt dat hem bij nadere bestudering van het primaire besluit II is gebleken dat hij geen rekening heeft gehouden met de recidive. Aan eiser is al eerder bij besluit van 1 augustus 2013 een boete opgelegd voor eenzelfde gedraging. Verweerder heeft de rechtbank verzocht hiermee alsnog rekening te houden bij de beoordeling van de oplegde boete.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 te veel WW-uitkering heeft ontvangen en dat verweerder de WW-uitkering over die periode terecht heeft herzien en van eiser
€ 3.709,60 heeft teruggevorderd. Daarnaast is niet in geschil dat eiser de inlichtingen- verplichting, bedoeld in artikel 25 van de WW, heeft geschonden. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of, en zo ja, in welke mate dit aan eiser kan worden verweten en daarmee samenhangend over het antwoord op de vraag of verweerder terecht een (passende) boete heeft opgelegd.

6.1

De rechtbank merkt op dat sinds het bestreden besluit door verweerder is genomen de regels over de hoogte van een op te leggen boete bij overtreding van de inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW, die zijn neergelegd in de WW, het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) en de Beleidsregel boete werknemer 2013 (de rechtbank: thans de Beleidsregel boete werknemer 2017 (Beleidsregel)), zijn gewijzigd in verband met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van
24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754. Hieruit volgt dat de hoogte van de boete in dit geval dient te worden vastgesteld met toepassing van het recht zoals dat per 1 januari 2017 geldt, waarbij de nadruk meer wordt gelegd op de omstandigheden van het geval.

6.2

Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW legt het UWV een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25.

Op grond van het tweede lid van artikel 27a van de WW wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

Op grond van het vijfde lid legt het UWV een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.

Op grond van het achtste lid kan verweerder afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Op grond van het tiende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.

Op grond van het twaalfde lid kan de rechter in afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de werknemer wijzigen.

6.3

In het Boetebesluit zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de boete.

In artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht worden genomen.

In artikel 2, vijfde lid, van het Boetebesluit is bepaald dat indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.

Op grond van het zesde lid wordt bij recidive het percentage genoemd in het vijfde lid toegepast op het benadelingsbedrag vermenigvuldigd met 150 procent van dit bedrag.

In artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit is bepaald dat bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid leiden:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

6.4

In de Beleidsregel is het beleid bij de oplegging van een boete als bedoeld in het Boetebesluit vastgelegd.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de bestuurlijke boete, behoudens de gevallen waarin het UWV geen gebruik maakt van de schriftelijke waarschuwingsbevoegdheid en de bestuurlijke boete vaststelt op basis van een gefixeerd bedrag of het UWV de bestuurlijke boete verlaagt in verband met draagkracht, berekend door middel van een percentage van het basisboetebedrag. Het basisboetebedrag is gelijk aan het benadelingsbedrag of, indien er sprake is van recidive, gelijk aan 150 procent van het benadelingsbedrag.

In artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel is bepaald dat om tot een evenredige boete te komen de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval, zoals bedoeld in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat in de wet de maximale boete is vastgesteld en in het Boetebesluit uitgangspunten zijn gegeven voor een evenredige boeteoplegging. In aanvulling hierop hanteert het UWV de in het derde lid genoemde uitgangspunten.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting in beginsel een ernstige overtreding oplevert. Verweerder is als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet bekend geweest met het feit dat eiser in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, wat ertoe heeft geleid dat eiser te veel WW-uitkering heeft ontvangen. Op grond van het bepaalde in artikel 27a, eerste lid, van de WW was verweerder daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen.

7.2

Verweerder heeft in beroep naar voren gebracht dat bij de boeteoplegging geen rekening is gehouden met recidive. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder ingezonden op de zaak betrekking hebbende stukken onmiskenbaar blijkt dat er sprake is van recidive, wat door eiser ook niet bestreden is. Eiser heeft in 2012 de inlichtingenverplichting geschonden en is daarvoor beboet. Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval passend en geboden om daarmee rekening te houden. Voor zover dat leidt tot een hogere boete dan in het bestreden besluit is vastgesteld, zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 27a, twaalfde lid, van de WW, waarin de bevoegdheid van de rechtbank om een hogere boete vast te stellen is vastgelegd.

7.3

Uit artikel 27a, eerste lid, van de WW, in samenhang bezien met artikel 2 van het Boetebesluit en artikel 3 van de Beleidsregel, volgt dat het basisboetebedrag in beginsel gelijk is aan het benadelingsbedrag. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de hoogte van het basisboetebedrag ook vastgesteld op € 3.709,60, dat gelijk is aan het benadelingsbedrag. Nu sprake is van recidive, ziet de rechtbank echter aanleiding om het basisboetebedrag overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel vast te stellen op 150 procent van het benadelingsbedrag, te weten € 5.564,40.

7.4

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag welke hoogte van de boete evenredig is met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid, waarbij zij acht slaat op de bij de vaststelling daarvan in acht te nemen uitgangspunten neergelegd in artikel 2, tweede tot en met het tiende lid, van het Boetebesluit en artikel 4 van de Beleidsregel.

7.5

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om geen verwijtbaarheid aan te nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser in het besluit van 10 januari 2014, waarbij hij in aanmerking is gebracht voor de WW-uitkering, is gewezen op zijn rechten en plichten, waaronder de inlichtingenverplichting. Hoewel eiser op 30 oktober 2014 op eigen initiatief melding heeft gemaakt van zijn werkhervatting per 27 oktober 2014, had het hem duidelijk kunnen en moeten zijn dat het aangaan van de arbeidsovereenkomst per 1(5) september 2014 reeds op dat moment van belang was voor zijn recht op WW-uitkering en dat hij dit direct aan verweerder had moeten melden. Dat de eerste loonbetaling is voldaan op 4 november 2014 en dat eiser bij gebrek aan de desbetreffende loonstrook dacht dat die betaling zag op de gewerkte periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 oktober 2014, maakt dit oordeel niet anders. Uit de bij die betaling behorende loonstrook, waarover eiser op enig moment kwam te beschikken, blijkt dat deze ziet op de periode van 1 september 2014 tot en met 30 september 2014. Eiser heeft hiervan vervolgens evenmin melding gemaakt. In de geschetste feiten en omstandigheden aan de zijde van de werkgever, waarop eiser geen invloed heeft gehad, ziet de rechtbank wel aanleiding om met verweerder uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid.

7.6

Uit het voorgaande volgt in beginsel dat het opleggen van een boete van € 1.391,10,-, te weten 25 procent van het basisboetebedrag, evenredig is met de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid.

7.7

Nu uit verweerders reactie van 17 februari 2017 blijkt dat eiser (ten tijde van die reactie) € 2.015,- heeft afgelost en daarmee, gelet op artikel 9 van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen, de boete reeds heeft voldaan, vormt wat eiser ten aanzien van zijn draagkracht heeft aangevoerd geen reden om het bedrag van de boete naar beneden bij te stellen (vergelijk de uitspraken van de Raad van 11 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4198, en 13 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2725).

7.8

Voor zover eiser heeft gesteld dat het opleggen van een hogere boete leidt tot schending van het zogenoemde verbod van reformatio in peius, gaat de rechtbank hieraan voorbij, omdat de wetgever met artikel 27a, twaalfde lid, van de WW de bestuursrechter uitdrukkelijk de bevoegdheid heeft gegeven het verbod van reformatio in peius te doorbreken (Kamerstukken II, vergaderjaar 1994-1995, 23909, nr. 3, pagina 62, betreffende artikel 27f van de WW (oud)). De rechtbank merkt overigens op dat voor de afronding van de op te leggen boete op een veelvoud van € 10,-, zoals door verweerder wordt voorgestaan, nu geen wettelijke grondslag meer bestaat.

8. Gezien het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de opgelegde boete en het primaire besluit II herroepen.

9. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf de boete bepalen op het bedrag van € 1.391,10 en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen deel van het bestreden besluit.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu de gronden van eiser niet slagen en de hoogte van de boete ten nadele van eiser wordt gewijzigd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de opgelegde boete;

  • -

    herroept het primaire besluit II;

  • -

    stelt de boete vast op € 1.391,10 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van der Sluis, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en mr. D. Brugman, leden, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Rijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.