Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:1002

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
10/741413-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het illegaal voorhanden hebben en verhandelen van medicijnen waaronder Methylfenidaat, Diazepam, Oxazepam en Temazepam.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Opiumwet 2
Opiumwet 3
Opiumwet 10
Opiumwet 11
Geneesmiddelenwet
Geneesmiddelenwet 61
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2017/10 met annotatie van Schutjens en Lisman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/741413-16

Datum uitspraak: 8 februari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam 1] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De periode aangeduid in de feiten 4 en 5 wordt in zoverre als een kennelijke verschrijving opgevat dat daar gelezen moet worden ‘tot’ 11 oktober 2016 in plaats van ‘tot en met’ 11 oktober 2016, nu niet aannemelijk is dat de steller van de tenlastelegging heeft beoogd de feiten - voor zover begaan op 11 oktober 2016 - tweemaal ten laste te leggen, te weten zowel onder 2 en 3 als onder 4 en 5. De rechtbank zal de dagvaarding dienovereenkomstig verbeterd lezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging is geschaad.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 11 oktober 2016 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad, 60 tabletten te weten twee dozen van elk 30 tabletten met de productnaam HCI Mylan 5 mg, elk bevattende het middel Methylfenidaat, zijnde Methylfenidaat een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 11 oktober 2016 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten met de productnaam Diazepam PCH 10 mg, elk bevattende de werkzame stof Diazepam en

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten met de productnaam Oxazepam Teva 50 mg, elk bevattende de werkzame stof Oxazepam, en

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten met de productnaam Temazepam CF 20 mg, elk bevattende de werkzame stof Temazepam,

zijnde Diazepam en Oxazepam en Temazepam middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 11 oktober 2016 te Rotterdam, niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en niet zijnde een huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en niet zijnde ee daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon of instantie in de in de regeling bedoelde omstandigheden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk UR-geneesmiddelen, te weten

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten Diazepam PCH 10 mg, elk bevattende de werkzame stof Diazepam en

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten Oxazepam Teva 50 mg, elk bevattende de werkzame stof Oxazepam en

- 300 tabletten te weten 30 dozen van elk 10 tabletten Temazepam CF 20 mg, elk bevattende de werkzame stof Temazepam,

ter hand heeft gesteld.

In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

4.

hij op 16 augustus 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

- een hoeveelheid tabletten bevattende de werkzame stof Oxazepam en

- een hoeveelheid tabletten bevattende de werkzame stof Temazepam,

zijnde Oxazepam en Temazepam middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op 16 augustus 2016 te Rotterdam ,niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en niet zijnde een huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en niet zijnde een daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon of instantie in de in de regeling bedoelde omstandigheden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk UR-geneesmiddelen, te weten :

- een hoeveelheid tabletten Oxazepam,elk bevattende de werkzame stof Oxazepam, en

- een hoeveelheid tabletten Temazepam, elk bevattende de werkzame stof Temazepam,

ter hand heeft gesteld;

6.

hij op 26 oktober 2016 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 15,1 gram MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

Vaststaande feiten

Eind juli 2015 heeft [naam TV produktie bedrijf] een melding gekregen over illegale medicijnverkoop via internet. [naam TV produktie bedrijf] heeft naar aanleiding daarvan via een advertentie op de website [naam 2] contact gezocht met de adverteerder die zichzelf [naam 3] noemt, die medicijnen te koop aanbood welke normaal alleen op doktersrecept verkrijgbaar zijn. Via de contactgegevens op de website heeft [naam TV produktie bedrijf] tot twee keer toe een afspraak gemaakt met deze “ [naam 3] ” in de buurt van station Rotterdam Centraal, te weten op 16 augustus 2016 en op 11 oktober 2016. Op beide afspraken heeft een medewerker van [naam TV produktie bedrijf] medicijnen afgenomen van een man die daar, conform afspraak, aanwezig was. Vast staat dat op 11 oktober 2016 verdachte deze man was.

Standpunt van de officier van justitie

Feiten 4 en 5 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte vóór 11 oktober 2016 niet betrokken is geweest bij het verhandelen van medicijnen. Indien er vóór die datum medicijnen via [naam 2] bij de aanbieder [naam 3] ” zijn gekocht, was de verdachte daarbij niet betrokken.

De foto’s in het dossier die volgens [naam TV produktie bedrijf] de eerste levering van medicijnen aan een van hun medewerkers laten zien op 16 augustus 2016, zijn niet gedateerd. Deze foto’s kunnen ook zijn gemaakt op 11 oktober 2016, althans op een andere datum dan 16 augustus 2016.

Beoordeling

De afnemer van medicijnen waarop de melding aan [naam TV produktie bedrijf] zag, heeft nog telefonisch contact gehad met deze [naam 3] ” toen de verdachte zich in hechtenis bevond. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de [naam 3] ” die adverteert op de website [naam 2] en de verdachte een en dezelfde persoon is.

De rechtbank stelt echter, op basis van de eigen waarneming van die foto’s en van de verdachte ter zitting, vast dat op de foto’s van [naam TV produktie bedrijf] van een ontmoeting bij Rotterdam Centraal de verdachte is te zien. Op de foto’s is verder een tweede (voor de rechtbank niet-identificeerbare) persoon te zien in de auto op de bijrijdersstoel. Volgens [naam TV produktie bedrijf] betrof dit de vriendin van de verdachte. Vast staat dat toen de verdachte werd aangehouden op 11 oktober 2016 er geen tweede persoon bij de verdachte in de auto zat. Deze foto’s kunnen daarom niet zijn gemaakt op 11 oktober 2016.

Dat de foto’s in het dossier van [naam TV produktie bedrijf] zien op een eerdere levering van medicijnen aan een van hun medewerkers, wordt ondersteund door de verklaring van de vriendin van de verdachte die bij de politie heeft verklaard dat zij een keer bij de verdachte in de auto heeft gezeten toen hij bij Rotterdam Centraal medicijnen verkocht aan iemand, en dat hij haar toen zei dat het voor het eerst was. Er is ten slotte ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vermelding in de schriftelijke ‘Achtergrondinformatie’ van [naam TV produktie bedrijf] dat bedoelde foto’s zijn gemaakt bij gelegenheid van een eerdere medicijnlevering door de verdachte op 16 augustus 2016. Daarom kan worden bewezenverklaard – kort gezegd – dat de verdachte ook op 16 augustus 2016 in strijd met de wet in nader genoemde geneesmiddelen heeft gehandeld.

Hoewel het dossier ook nog aanwijzingen bevat die erop duiden dat de verdachte ook eerder al enige bemoeienis heeft gehad met deze medicijnhandel, zijn er onvoldoende aanknopingspunten gevonden om hem daadwerkelijk ook toen als verkoper/leverancier van die middelen aan te kunnen merken.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de aan hem onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd op 16 augustus 2016.

Ten aanzien van feit 6

Standpunt van de verdediging

Vrijspraak is bepleit, omdat niet zou zijn voldaan aan het bewijsminimum. Het enige bewijs dat de aangetroffen pillen van de verdachte zijn is de verklaring van zijn vriendin. De pillen waren mogelijk van haar of van iemand anders.

Beoordeling en conclusie

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op de telefoon van de verdachte zijn foto’s aangetroffen van pillen die qua kleur, opdruk en vorm overeenkomen met de bij de doorzoeking aangetroffen pillen. Dit ondersteunt de verklaring van de vriendin van de aangever dat de pillen van de verdachte waren.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Eendaadse samenloop van

2.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

3.

medeplegen van een opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61 van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd

Eendaadse samenloop van

4.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

5.

medeplegen van een opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61 van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd

6.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Samen met anderen heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het illegaal voorhanden hebben en verhandelen van medicijnen waaronder Methylfenidaat, Diazepam, Oxazepam en Temazepam. De verdachte heeft bij deze activiteiten slechts oog gehad voor geldelijk gewin. De verdachte heeft die medicijnen, die uitsluitend op doktersrecept via de apotheek verkrijgbaar zijn, onbevoegd ter hand gesteld.

Het ongecontroleerd in het vrije verkeer brengen van deze geneesmiddelen vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik daarvan in een verkeerde dosering en zonder voorafgaande diagnose door een arts kan fatale gevolgen hebben.

Daarnaast heeft de verdachte ruim vijftien gram MDMA voorhanden gehad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 1, 2, 6 en 39 van de Wet op de Economische Delicten.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,

en mrs. M.C. Franken en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. de Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 februari 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2016 te Rotterdam, in elk geval (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad,

60 tabletten (te weten twee dozen van (elk) 30 tabletten), althans een

hoeveelheid tabletten (met de productnaam HCI Mylan 5 mg), (elk) bevattende

het middel Methylfenidaat, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende Methylfenidaat,

zijnde Methylfenidaat een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

(artikel 2B/C jo. artikel 10 Opiumwet)

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op 11 oktober 2016 te Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd

en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten), althans een

hoeveelheid tabletten (met de productnaam Diazepam PCH 10 mg), (elk)

bevattende de werkzame stof Diazepam en/of

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten), althans een

hoeveelheid tabletten (met de productnaam Oxazepam Teva 50 mg), (elk)

bevattende de werkzame stof Oxazepam, en/of

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten), althans een

hoeveelheid tabletten (met de productnaam Temazepam CF 20 mg), (elk)

bevattende de werkzame stof Temazepam,

zijnde Diazepam en/of Oxazepam en/of Temazepam (telkens) (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(artikel 3B/C jo. artikel 11 Opiumwet)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 11 oktober 2016 te Rotterdam, in elk geval (elders) in

Nederland,

niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en/of niet

zijnde een huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste

of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en/of niet zijnde een

daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en/of instantie in de in

de regeling bedoelde omstandigheden

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk UR-geneesmiddelen, te weten

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten) Diazepam PCH 10 mg,

(elk) bevattende de werkzame stof Diazepam, althans geneesmiddelen bevattende

de werkzame stof Diazepam en/of

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten) Oxazepam Teva 50

mg, (elk) bevattende de werkzame stof Oxazepam, althans geneesmiddelen

bevattende de werkzame stof Oxazepam en/of

- 300 tabletten (te weten 30 dozen van (elk) 10 tabletten) Temazepam CF 20 mg,

(elk) bevattende de werkzame stof Temazepam, althans geneesmiddelen bevattende

de werkzame stof Temazepam,

althans een hoeveelheid pillen Diazepam en/of Oxazepam en/of Temazepam,

te koop heeft aangeboden en/of ter hand heeft gesteld;

(artikel 61 Geneesmiddelenwet jo. artikel 1 sub 1 Wet Economische Delicten)

art 61 lid 1 Geneesmiddelenwet

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot 11 oktober 2016

te Rotterdam en/of Losser, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

meermalen, althans éénmaal,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd

- een hoeveelheid tabletten bevattende de werkzame stof Oxazepam en/of

- een hoeveelheid tabeltten bevattende de werkzame stof Temazepam,

zijnde Oxazepam en/of Temazepam (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst II;

(artikel 3B/C jo. artikel 11 Opiumwet)

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot 11 oktober 2016

te Rotterdam en/of Losser, in elk geval in Nederland,

niet zijnde een apotheker die zijn beroep in een apotheek uitoefent en/of niet

zijnde een huisarts in het bezit van een vergunning als bedoeld in het achtste

of negende lid van artikel 61 van de Geneesmiddelenwet en/of niet zijnde een

daartoe bij ministeriële regeling aangewezen persoon en/of instantie in de in

de regeling bedoelde omstandigheden

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen,

althans éénmaal, opzettelijk UR-geneesmiddelen, te weten (telkens):

- een hoeveelheid tabletten Oxazepam,(elk) bevattende de werkzame stof

Oxazepam, althans geneesmiddelen bevattende de werkzame stof Oxazepam en/of

- een hoeveelheid tabletten Temazepam, (elk) bevattende de werkzame stof

Temazepam, althans geneesmiddelen bevattende de werkzame stof Temazepam,

te koop heeft aangeboden en/of ter hand heeft gesteld;

(artikel 61 Geneesmiddelenwet jo. artikel 1 sub 1 Wet Economische Delicten)

art 61 lid 1 Geneesmiddelenwet

6.

hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 15,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

(artikel 2C jo. 10 Opiumwet)

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet