Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9881

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
10/810285-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor grooming en ontuchtige handelingen gepleegd door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht; 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/810285-16

Datum uitspraak: 15 december 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. M. Faouzi, advocaat te Zoetermeer.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 01 december 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Kuiper heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, alsmede het volgen van een ambulante behandeling voor seksueel grensoverschrijdend gedrag bij een forensische polikliniek, alsmede een contactverbod met [slachtoffer] .

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het groomen van [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) gedurende de periode van 26 mei 2014 tot 6 oktober 2014 en de periode van 1 januari 2015 tot 7 juli 2015, alsmede aan ontuchtige handelingen gedurende de periode van 26 mei 2014 tot 6 oktober 2014 en de periode van 6 oktober 2015 tot 27 juni 2016, waarbij de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Daarbij is van belang dat [slachtoffer] in mei 2014 de leeftijd van 14 jaar had en dat zij 15 jaar was vanaf [geboortedatum slachtoffer]

4.1.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat er voor bewezenverklaring van het eerste feit een uitvoeringshandeling moet zijn geweest die gericht was op het realiseren van een ontmoeting. Volgens de verdediging was daar geen sprake van. De verdachte zou alleen hebben gezegd wanneer hij in [plaatsnaam] zou zijn en [slachtoffer] was vervolgens degene die voorstellen heeft gedaan om elkaar te ontmoeten. Ook heeft de verdachte nimmer het oogmerk gehad om ontuchtige handelingen met [slachtoffer] te plegen. De verdachte zou dan ook voor dit feit moeten worden vrijgesproken.

Subsidiair bepleit de verdediging dat de pleegperiode onjuist ten laste is gelegd. Bij een bewezenverklaring moet de periode worden beperkt tot de maanden september en oktober 2014.

Wat het tweede feit betreft refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de verdachte moet worden vrijgesproken wat betreft het bestanddeel “door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” en de daarbij behorende gedachtestreepjes, met uitzondering van het onderdeel “het leeftijdsverschil tussen hem en die [slachtoffer] ”.

4.1.3.

Beoordeling

Feit 1

Artikel 248e Sr is in 2009 ingevoerd ter uitvoering van art. 23 van het Verdrag van Lanzarote. De Memorie van Toelichting bij art. 248e Sr houdt onder meer het volgende in:

“De in het Verdrag opgenomen strafbaarstelling richt zich nadrukkelijk op het grijze gebied waarin nog geen sprake is van het plegen van daadwerkelijk seksueel misbruik, maar waar wel misbruik wordt gemaakt van de open communicatiemogelijkheden op internet om kinderen te benaderen en tot misbruik te verleiden. De strafbaarstelling in het Verdrag vereist wel dat het gedrag van de dader zich concretiseert tot een voorstel voor een ontmoeting met het kind gevolgd door ‘material acts leading to a meeting’. Er is voor strafbaarheid derhalve meer nodig dan het uitsluitend op internet communiceren met een kind en het daarbij maken van seksuele toespelingen. Voor de strafwaardigheid is het wezenlijk dat de communicatiefase uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Vanuit het oogpunt van een effectieve bescherming van kinderen is het zaak dat tegen deze gedragingen strafrechtelijk kan worden opgetreden.”

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte meerdere keren tijdens seksueel getinte chatsessies aan - de destijds 15 jarige - [slachtoffer] heeft laten weten dat hij naar Rotterdam moest voor zijn werk en daarmee aanstuurde op een ontmoeting. Het is weliswaar [slachtoffer] die vervolgens een concrete datum voorstelt, maar naar het oordeel van de rechtbank is gezien de bijdrage van de verdachte aan het chatgesprek toch voldaan aan het wettelijke vereiste dat door de verdachte een ontmoeting moet zijn voorgesteld.
Het blijft vervolgens niet bij het doen van een voorstel. De verdachte probeert de ontmoeting ook te realiseren. Dat blijkt uit de chat waarin [slachtoffer] en de verdachte op 17 september 2014 afspreken om op "maandag over een week" voor de eerste keer af te spreken. De verdachte kan die dag niet, waarop wordt afgesproken om dan de maandag daarna af te spreken. Indien de ontmoeting zou hebben plaatsgevonden, dan zou dat op 6 oktober 2014 zijn geweest.

De verdachte heeft hiermee alle gelegenheid gecreëerd om de ontmoeting te laten plaatsvinden en dat is precies wat artikel 248e Sr beoogt te voorkomen. Dat het uiteindelijk niet tot een ontmoeting heeft geleid, is omdat [slachtoffer] uiteindelijk (tijdelijk) het contact met de verdachte heeft verbroken.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte “enige handeling heeft ondernomen, gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting”.

Het verweer wordt verworpen.

Ook het verweer dat uit het dossier niet af te leiden is dat de verdachte de ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met [slachtoffer] te verrichten, wordt verworpen. Uit de diverse chatgesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer] wordt duidelijk dat een deel van deze gesprekken een overduidelijke seksuele lading had. Dit valt onder andere op te maken uit het chatgesprek dat plaatsvond op 28 augustus 2014. Daarin werd door de verdachte dingen gezegd als:

- “ heerlijke string heb jij aan, dat kan ik zien”

- “ k ben geil…”

- “ k zou je willen strelen…”

- “ laat die tepels zien…maak ze hard”

- “ WOW”

- “ heerlijke tepels”

- “ mmmm lekker stijf”

- “ k zou ze met mn penis nat makn”

Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd dan dat er tijdens dit chatgesprek via de webcam ontuchtige handelingen zijn gepleegd. De verdachte heeft op zitting ook erkend dat er in augustus en september 2014 ‘webcamseks’ plaatsvond. Gelet hierop, en mede omdat er in de chats over wordt gesproken of verdachte een nachtje zou blijven slapen bij [slachtoffer] , moet geoordeeld worden dat de verdachte (mede) het oogmerk had om bij gelegenheid van de voorgestelde ontmoeting ontuchtige handelingen met [slachtoffer] te verrichten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de onder 1 ten laste gelegde “grooming” wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte in de periode van 26 mei 2014 tot en met 6 oktober 2014 ontuchtige handelingen heeft gepleegd door misbruik van zijn uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Destijds was er wellicht een flink leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] , maar de rechtbank acht dat op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen voor de genoemde periode. De verdachte zal daarom voor dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op basis van de verklaringen van de verdachte, de verklaringen van [slachtoffer] en de overige bewijsmiddelen wel bewezen dat de verdachte vanaf 8 juli 2015 ontucht met [slachtoffer] heeft gepleegd, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van zijnuit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

in de periode van 26 mei 27 augustus 2014 tot 6 oktober 2014 en/of 1januari 2015 tot en met 7 juli 2015, te Zevenhuizen, gemeente Zuidpias en/of te Nijmegen en/of te Rotterdam en/of te Spijkenisse, althans in Nederland,

door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een

communicatiedienst (te weten Skype) met een persoon van wie hij, verdachte weet of

redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet

heeft bereikt (te weten [slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] ontmoetingen heeft

voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen (zoals gemeenschap, vingeren,

pijpen en/of aftrekken) met die [slachtoffer] voornoemd te plegen, terwijl hij, verdachte,

(daarbij) enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die

ontmoeting, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] concrete voorstellen gedaan wat

betreft tijd (vrijdag 26 september 2014 en/of maandag 29 september 2014 en/of 6 oktober

2014) en/of plaats ( [plaatsnaam] van die ontmoeting;

2.

hij

in of omstreeks de periode van 26 mei 2014 tot 6 oktober 2014 en/of

8 juli 2015 tot en met 27 juni 2016 te Rotterdam en /of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of Zevenhuizen, gemeente Zuidplas en/of te Nijmegen, althans in Nederland,

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht,

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , van wie verdachte wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat deze [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren

nog niet had bereikt,

opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, of zodanige

handelingen van verdachte te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit:

- het voor de webcam laten tonen en/of betasten van haar borsten en/of tepel(s)

door die [slachtoffer] en/of

- het zich laten pijpen en/of het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het plaatsen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger en/of penis in de

vagina van die [slachtoffer]

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of

- het feit dat hij voor die [slachtoffer] fungeerde als ware hij een mentor en/of

- het feit dat die [slachtoffer] woonachtig was bij een crisisopvang van de Stichting

Lindenhof vanwege problemen in haar thuissituatie en/of

- het feit dat die [slachtoffer] geen of weinig contact had met haar ouders, waardoor een

afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en die [slachtoffer] was ontstaan en/of

- haar kwetsbaarheid en/of beïnvloedbaarheid en/of psychische gesteldheid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 1: Door middel van een geautomatiseerd werk of gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, welk voorstel tot ontmoeting is gevolgd door enige handelingen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting;

feit 2: Door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon, waarvan de dader weet dat deze de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van hem te dulden, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grooming. Hij heeft via zijn computer door middel van een chatprogramma’s contact gelegd met de destijds 15- jarige [slachtoffer] . Tijdens de chatgesprekken werd er veelvuldig gesproken over seksuele handelingen die de verdachte bij [slachtoffer] wilde verrichten als zij elkaar zouden ontmoeten. De verdachte heeft erop aangestuurd om elkaar te ontmoeten, waarbij hij de bedoeling had om seksuele handelingen met [slachtoffer] te plegen. In eerste instantie (in 2014) is het niet tot een ontmoeting gekomen, omdat [slachtoffer] het contact met de verdachte (tijdelijk) heeft verbroken.

Na enige tijd geen contact te hebben gehad, hebben de verdachte en [slachtoffer] weer contact gekregen via Skype. Uiteindelijk is dit gedurende een langere periode uitgemond in ontmoetingen waarbij [slachtoffer] en de verdachte seks met elkaar hebben gehad. Het is de verdachte zeer kwalijk te nemen dat hij daarbij misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij had door (het grote leeftijdsverschil, door het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had en door haar kwetsbaarheid als jong meisje met de nodige problemen in haar thuissituatie en psychische gesteldheid) . De verdachte meende haar te helpen en steunen, maar heeft [slachtoffer] daardoor afhankelijk van hem gemaakt, waardoor zijn machtspositie des te sterker werd en hij daardoor gedurende langere tijd misbruik van [slachtoffer] heeft kunnen maken. Dat de verdachte hier wel bij stil heeft gestaan, maar vervolgens, volledig bewust van zijn handelen, zijn eigen belangen en lustgevoelens voorop heeft gesteld en door is gegaan met het misbruik, maakt zijn handelen des te erger.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 november 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 september 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

De persoonlijke omstandigheden van de heer [verdachte] verlopen niet zonder de nodige problematiek, deels als gevolg van onderhavige kwestie. Zo bestaat zijn huisvesting momenteel uit het (ingeschreven) inwonen bij zijn oudste zus, heeft de heer [verdachte] nog geen eigen inkomen, en is hij reeds meerdere jaren werkloos.

Wel heeft betrokkene een goed contact met zijn vijf volwassen kinderen, vooralsnog alsmede met zijn gezin van herkomst en vrienden en kennissen maar is zijn meest recente huwelijk, dat reeds onderhevig was aan spanningen en frustratie, definitief stukgelopen op onderhavige kwestie.

Wel staat de heer [verdachte] reeds sinds september 2015 onder behandeling van een vrijgevestigde psycholoog en zou binnen dit behandelcontact zijn gedrag jegens het meisje in kwestie onderwerp van gesprek zijn en tenminste geadresseerd worden middels het aanpakken van hieraan ten grondslag liggen problematiek.

Gezien betrokkene ondanks het weer kunnen geven van vele redenen die zijn gedrag grensoverschrijdend en ontoelaatbaar hebben gemaakt, niet weer weet te geven waarom dit hem ten tijde van zijn handelen niet heeft afgeremd en hier ook anderszins geen concreet zicht op is gekomen, valt de kans op herhaling momenteel niet uit te sluiten.

Gelet op de eerder genoemde realisatie van ontoelaatbaarheid en (ware het zelfverklaarde) wens antwoord te krijgen op het naar eigen zeggen ontbreken van zicht op de reden dat deze realisatie hem niet heeft afgeremd in zijn handelen, is de verwachting dat betrokkene eventuele bijzondere voorwaarden zoals een eventuele behandelverplichting in het verlengde hiervan tegemoet zal treden.

In het verlengde van de inschatting recidivekans kan een gevaar op dit vlak voor minderjarigen vooralsnog niet worden uitgesloten, ware het niet in hoge mate aanwezig zo het lijkt.

Geadviseerd wordt om naast de meldplicht de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen.

De heer [verdachte] wordt verplicht om zich te laten behandelen voor zijn gedrag in onderhavige kwestie, middels de reeds ingezette behandeling dan wel behandeling anderszins of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Adviseur wenst ten aanzien van het voornoemde te benadrukken dat er binnen de geadviseerde meldplicht zal worden bezien of de reeds ingezette psychologische behandeling door de vrijgevestigde (niet forensische) geestelijke gezondheidszorg in voldoende mate aansluit op de binnen dit advies beoogde (recidivekans verlagende) resultaten zoals omschreven, alsmede of de communicatie met de instelling/behandelaar in kwestie in voldoende mate naar behoren mogelijk zal blijken en voldoende inzicht zal verschaffen in het verloop van de behandeling in kwestie.

Indien noodzakelijk op grond van het voornoemde kan derhalve door Reclassering Nederland worden besloten de zorg elders onder te brengen en te zorgen voor de overdracht van behandeling naar een forensische polikliniek, dan wel anderszins geschikt geachte vormen van behandeling

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Psycholoog dr. R.A.R. Bullens heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 5 september 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

Nadat zijn vrouw is overleden, heeft betrokkene naar zijn idee jarenlang voor anderen gezorgd, zonder daarbij stil te staan bij zijn eigen behoeften. Hij voelde zich instabiel, maar heeft die signalen

'weggeduwd' en heeft zichzelf in die zin jarenlang verwaarloosd, terwijl hij wel degelijk warmte en steun nodig had. In het ten laste gelegde is verder terug te zien dat er bij hem sprake is geweest van een vermijdende copingstijl: hij heeft geen hulp gezocht voor de problemen die hij had, en heeft hier met niemand over willen praten, waardoor hij zich in de loop van de tijd meer 'slachtoffer' is gaan voelen. In het contact met [slachtoffer] voelde hij voor het eerst sinds lange tijd erkenning voor zijn eigen emoties en verdriet, waardoor hij zich prettig in het contact met haar voelde en hij affectieve en later ook seksuele gevoelens voor haar is gaan koesteren. Daarnaast voelde hij ook dat [slachtoffer] zijn steun nodig had, waardoor hun relatie inniger is geworden en voor hem de 'voorwaarden' voor seksueel contact waren geschapen. Onder de dekmantel voor haar te zorgen, heeft hij zijn eigen behoefte aan erkenning en zorg op een egocentrische manier bevredigd en is het contact met haar geseksualiseerd. Hij heeft daarbij de normen en waarden, én empathische gevoelens, die hij met een nog zo relatief jong meisje zou moeten hebben, overboord gegooid en is hij daarbij over belangrijke grenzen heengegaan. Hij heeft eerder niet stilgestaan bij de mogelijke impact van zijn handelen op [slachtoffer] , noch heeft hij stilgestaan bij de mogelijke nadelige gevolgen van zijn handelen voor hemzelf. Vanwege

het feit dat er in zijn geval geen sprake is van een ziekelijke stoornis, noch van een gebrekkige

ontwikkeling van de geestvermogens, wordt geadviseerd om - bij bewezen geachte feiten - hem volledig toerekeningsvatbaar te achten

Uit de Static-99R komt – samenvattend - een laag recidiverisico naar voren. Uit de Stable-2007 komt – samenvattend - een laag recidiverisico naar voren. Vanuit klinisch oogpunt wordt de kans op recidive, mede vanwege het schrikeffect, op zowel de korte termijn als lange termijn eveneens als laag geschat.

Gezien de afwezigheid van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de

geestvermogens én het lage recidiverisico, lijkt een behandeling bij een forensische psychiatrische

polikliniek niet direct geïndiceerd. Wel lijkt betrokkene baat te kunnen hebben bij het continueren van zijn behandeling bij zijn eigen psycholoog.

Vanwege het feit dat betrokkene voldoende lijdensdruk ervaart en gemotiveerd is voor behandeling, zou hij die behandeling in een vrijwillig kader kunnen volgen. Voor wat de strafrechtelijke

afdoening betreft, lijkt vanuit psychologisch oogpunt het opleggen van een deels voorwaardelijke,

deels onvoorwaardelijke straf, in overeenstemming met de ernst van het delict (indien bewezen), geïndiceerd.

Een laag frequent toezichtcontact vanuit de reclassering (in de vorm van 'meldplicht') zou, tot slot, een 'vinger aan de pols' functie kunnen hebben.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.2.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten en een taakstraf op te leggen. Een taakstraf doet naar het oordeel van de rechtbank echter geen recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht en de rechtbank deze noodzaak onderschrijft, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Mede omdat het er sterk op lijkt dat de verdachte met een aantal minderjarige meisjes contact heeft gehad via chatsites, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, (een contactverbod, een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en het op te leggen reclasseringstoezicht) dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 248a en 248e van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering verantwoord vindt;

2. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

3. de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling (blijven) stellen middels de reeds ingezette behandeling bij een psycholoog voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar verantwoord vindt, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mr. E.M. Havik en mr. K. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Koppenaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 december 2016.

Bijlage I

tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in de periode van 26 mei 2014 tot 6 oktober 2014 en/of 1januari 2015 tot en met 7 juli

2015, te Zevenhuizen, gemeente Zuidpias en/of te Nijmegen en/of te Rotterdam en/of te

Spijkenisse, althans in Nederland,

door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een

communicatiedienst (te weten Skype) met een persoon van wie hij, verdachte weet of

redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet

heeft bereikt (te weten [slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] ontmoetingen heeft

voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen (zoals gemeenschap, vingeren,

pijpen en/of aftrekken) met die [slachtoffer] voornoemd te plegen, terwijl hij, verdachte,

(daarbij) enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die

ontmoeting, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] concrete voorstellen gedaan wat

betreft tijd (vrijdag 26 september 2014 en/of maandag 29 september 2014 en/of 6 oktober

2014) en/of plaats ( [plaatsnaam] van die ontmoeting;

art 248e Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 26 mei 2014 tot 6 oktober 2014 en/of

8 juli 2015 tot en met 27 juni 2016

te Rotterdam en /of te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, en/of

Zevenhuizen, gemeente Zuidplas en/of te Nijmegen, althans in Nederland,

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht,

[slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] , van wie verdachte wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat deze [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren

nog niet had bereikt,

opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, of zodanige

handelingen van verdachte te dulden, bestaande die handelingen onder meer uit:

- het voor de webcam laten tonen en/of betasten van haar borsten en/of tepel(s)

door die [slachtoffer] en/of

- het zich laten pijpen en/of het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- het plaatsen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger en/of penis in de

vagina van die [slachtoffer]

bestaande dat uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht uit:

- het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of

- het feit dat hij voor die [slachtoffer] fungeerde als ware hij een mentor en/of

- het feit dat die [slachtoffer] woonachtig was bij een crisisopvang van de Stichting

Lindenhof vanwege problemen in haar thuissituatie en/of

- het feit dat die [slachtoffer] geen of weinig contact had met haar ouders, waardoor een

afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en die [slachtoffer] was ontstaan en/of

- haar kwetsbaarheid en/of beïnvloedbaarheid en/of psychische gesteldheid;

art. 248a Wetboek van Strafrecht