Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
C/10/490032 / HA ZA 15-1208
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van vennootschap jegens minderheidsaandeelhouder. Vennootschap heeft geen eigen belang, maar beoogt kennelijk het belang van haar meerderheidsaandeelhouder te dienen. Uitleg van overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3961
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/490032 / HA ZA 15-1208

Vonnis van 23 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOLLENHOVEN OLIE GROEP B.V.,

gevestigd te Tilburg ,

eiseres,

advocaat mr. R.G.B. Hermsen te Tilburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LINGSFORT HOLDING B.V.,

gevestigd te Tilburg,

gedaagde,

advocaat mr. R.S. Namjesky te Breda.

Partijen zullen hierna VOG en DLH genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 november 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 25 mei 2016, met producties;

  • -

    de brief van 15 juni 2016 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de brief van 15 augustus 2016 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de comparitie van partijen;

  • -

    de akte houdende producties van 4 oktober 2016 van VOG;

  • -

    de pleitnotitie van mr. Hermsen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 oktober 2016;

  • -

    de brief van 31 oktober 2016 van mr. Hermsen;

  • -

    de brief van 2 november 2016 van de rechtbank aan partijen;

  • -

    het faxbericht van 3 november 2016 van mr. Hermsen, met bijlagen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

VOG is een holdingvennootschap. Zij heeft diverse dochtervennootschappen. Het Vollenhoven -concern houdt zich ruim 120 jaar bezig met de handel in olieproducten en de exploitatie van benzinestations. Het is een familiebedrijf.

2.2.

Aandeelhouders van VOG zijn DLH voor 35% en [DOB] (hierna: DOB) voor 65%.

2.3.

[A] en [B] zijn broers. [A] is bestuurder van DLH. [B] is bestuurder van DOB. Naast [B] zijn ook zijn zoons [B kind 1] en [B kind 2] bestuurder van DOB.

2.4.

De aandelen in DLH worden gehouden door een Stichting Administratie Kantoor (hierna: STAK DLH). Bestuurders van die stichting zijn [A] en zijn echtgenote [echtgenote] .

2.5.

Ook de aandelen in DOB worden gehouden door een Stichting Administratie Kantoor (hierna: STAK DOB). Bestuurders van die stichting zijn [B] en zijn echtgenote [echtgenote] .

2.6.

De certificaathouders van STAK DLH zijn besloten vennootschappen van de drie kinderen van [A] : [A kind 1] ( [A kind 1 BV] ), [A kind 2] ( [A kind 2 BV] ) en [A kind 3] ( [A kind 3 BV] ). Zij houden ieder 1/3 deel van de certificaten.

2.7.

De certificaathouders van STAK DOB zijn besloten vennootschappen van de vier kinderen van [B] : [B kind 1] ( [B kind 1 BV] ), [B kind 3] ( [B kind 3 BV] ), [B kind 2] ( [B kind 2 BV] ) en [B kind 4] ( [B kind 4 BV] ). [B kind 1 BV] houdt 12,49% van de certificaten, [B kind 3 BV] en [B kind 4 BV] ieder 28,38% en [B kind 2 BV] 30,76%.

2.8.

Bestuurders van VOG zijn [B kind 2] (zoon van [B] ) en [A kind 1] (zoon van [A] ).

2.9.

VOG heeft een Raad van Commissarissen, bestaande uit [B] , de heer [VOG commissaris 1] en, sinds 31 augustus 2015, de heer [VOG commissaris 2] .

2.10.

[A kind 1] was tot 23 januari 2014 naast zijn vader [A] ook bestuurder van DLH. Per die datum is hij teruggetreden.

2.11.

Op 25 juli 2005 is een overeenkomst gesloten tussen dertien partijen waaronder VOG, DOB en DLH (productie 7 bij dagvaarding). De achtergrond daarvan was dat [B kind 1] de binnen het Vollenhoven-concern ontwikkelde Swing Happy Hours-activiteiten in een aparte dochteronderneming van het Vollenhoven-concern zou voortzetten met het uitzicht op verzelfstandiging van die activiteiten. [B kind 1] , die net als zijn broer [B kind 2] en zijn neef [A kind 1] enige tijd na afronding van zijn opleiding bij het Vollenhoven-concern was gaan werken, zou dan geen deel meer uit gaan maken van de directie van VOG. In de overeenkomst zijn afspraken vastgelegd met betrekking tot de uitvoering van die plannen. [B kind 1] , althans zijn persoonlijke holding [B kind 1 BV] , zou aandelen moeten kunnen verwerven in de besloten vennootschap Swing Fuel Stations B.V. (SFS B.V.), de dochteronderneming van VOG waarin de relevante activiteiten en activa waren ondergebracht.

2.12.

Artikel 11.1 van de overeenkomst vermeldt dat eventueel noodzakelijke financiering zal plaatsvinden uit middelen die worden verkregen uit een evenredige vermindering van het indirecte belang van [B kind 1 BV] in VOG (via certificaten van aandelen in DOB).

2.13.

Artikel 11.3 vermeldt dat indien en voor zover de overige certificaathouders DOB niet geïnteresseerd zijn in overname van de certificaten van aandelen, het bestuur van de STAK DOB in overleg met de directie van DOB zal besluiten een gedeelte van de certificaten in te kopen. Indien de financiering van de inkoop door DOB niet mogelijk of wenselijk is, zullen volgens artikel 11.3 'partijen' hun medewerking verlenen aan een besluit tot inkoop van een zodanig aantal aandelen in het kapitaal van VOG in het bezit van DOB dat DOB voldoende vrije reserves verkrijgt om de inkoop van de certificaten in bezit van [B kind 1 BV] mogelijk te maken.

2.14.

In een algemene vergadering van aandeelhouders van VOG d.d. 21 augustus 2014 is gestemd over inkoop eigen aandelen vennootschap tot een bedrag groot € 1.000.000,00 door de vennootschap van DOB. DLH heeft tegengestemd waardoor de benodigde gekwalificeerde meerderheid van 2/3 deel niet werd behaald.

2.15.

Bij geldleningsovereenkomst van 30 september 2014 heeft VOG aan DOB een geldlening verstrekt van € 1.000.000,00 (productie 3 bij conclusie van antwoord). Artikel 2 vermeldt dat de geldlening door DOB uitsluitend mag worden aangewend ten behoeve van de inkoop van certificaten van aandelen van [B kind 1 BV] in het kader van de verkoop van de aandelen SFS door VOG aan [B kind 1 BV] .

2.16.

Bij akte van koop en levering van certificaten van aandelen d.d. 30 september 2014 heeft [B kind 1 BV] 82 certificaten verkocht en geleverd aan [B kind 2 BV] . Dit voor een koopprijs van € 300.666,94. Bij akte van dezelfde datum heeft [B kind 1 BV] 464 certificaten verkocht en geleverd aan DOB. Dit voor een koopprijs van € 1.701.334,88.

2.17.

In een algemene vergadering van aandeelhouders van VOG d.d. 31 augustus 2015 is nogmaals gestemd over inkoop eigen aandelen vennootschap tot een bedrag groot € 1.000.000,00 door de vennootschap van DOB. DLH heeft wederom tegengestemd.

3 Het geschil

3.1.

VOG vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'1. Te verklaren voor recht dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Overeenkomst 2005 door in afwijking van de Overeenkomst 2005 geen medewerking te verlenen aan de gevraagde machtiging voor het besluit tot inkoop als behandeld tijdens de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van Vollenhoven Olie Groep B.V. op 21 augustus 2014 en 31 augustus 2015 en aldus gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan eiseres te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2014 subsidiair vanaf de dag van dagvaarden tot de dag der algehele voldoening;

2. Gedaagde te gebieden in een daartoe door eiseres na het wijzen van dit vonnis bijeen te roepen Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders van eiseres te verschijnen en tijdens deze Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders vóór te stemmen bij het agendapunt waarbij de Algemene Vergadering van Aandeelhouders verzocht wordt machtiging te verlenen voor het voorstel om 150 aandelen in het aandelenkapitaal van eiseres in te kopen voor een bedrag groot € 1.000.000,-- onder oplegging van een dwangsom groot € 1.000.000,-- voor het geval gedaagde in strijd met voornoemd gebod handelt of nalaat conform het gebod te handelen;

3. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan eiseres de door eiseres gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.105,40 te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2014 subsidiair vanaf de dag van dagvaarden tot de dag der algehele voldoening;

4. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan eiseres de geliquideerde kosten, waaronder het salaris advocaat, het griffierecht en de na te melden exploitkosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na het vonnis;

5. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen aan eiseres de na dit vonnis te maken kosten, welke nakosten dienen worden te begroot op € 131,-- te vermeerderen met € 68,-- in geval van betekening, indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW daarover, te rekenen vanaf de 15e dag na het vonnis.'

3.2.

DLH voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van VOG in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

VOG grondt haar vorderingen op overeenkomst. Daartoe stelt zij - kort weergegeven - het volgende. Op grond van de overeenkomst van 25 juli 2005 is DLH verplicht mee te werken aan een besluit tot inkoop van eigen aandelen van VOG als dit relevant is in verband met de financiering van de koopsom die door [B kind 1 BV] voor 100% in de aandelen in SFS betaald moet worden. Ondanks herhaalde sommatie om in de algemene vergadering van aandeelhouders van VOG vóór een voorstel tot inkoop van eigen aandelen te stemmen, is DLH daartoe niet bereid gebleken. DLH heeft tot tweemaal toe tegengestemd. De consequentie daarvan is dat de inkoop van eigen aandelen niet mogelijk is. Artikel 31 lid 2 van de statuten VOG bepaalt dat een besluit tot machtiging tot verkrijging door VOG van aandelen of certificaten in haar eigen kapitaal slechts genomen kan worden met een meerderheid van tenminste twee/derden van de uitgebrachte stemmen in een algemene vergadering, waarin tenminste drie/vierden van het geplaatste kapitaal zijn vertegenwoordigd.

4.2.

De rechtbank zal de vorderingen van VOG afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3.

De rechtbank is met DLH van oordeel dat VOG geen rechtens relevant belang heeft bij haar vorderingen. Er is sprake van een geschil tussen de twee aandeelhouders in VOG, namelijk meerderheidsaandeelhouder DOB en minderheidsaandeelhouder DLH. DOB wenst dat DLH door middel van een bepaald stemgedrag in de algemene vergadering van aandeelhouders van VOG medewerking verleent aan de inkoop van eigen aandelen door VOG van (alleen) DOB opdat voor DOB een bedrag van € 1.000.000,00 ter beschikking komt. Bij nakoming van een eventueel door DLH in de overeenkomst van 25 juli 2005 op zich genomen verbintenis tot het verlenen van medewerking aan het nemen van een daartoe strekkend aandeelhoudersbesluit heeft VOG echter geen eigen belang. DLH wijst er terecht op (conclusie van antwoord onder 100), dat voor zover er sprake zou zijn van een conflict tussen de twee aandeelhouders van VOG, het aan hen is om dat conflict op te lossen.

4.4.

VOG stelt ter toelichting op haar visie dat zij (eigen) belang heeft bij de vorderingen dat in algemene zin overeenkomsten en dus ook de overeenkomst van 25 juli 2005 dienen te worden nagekomen. De rechtbank is echter van oordeel dat de algemene norm dat overeenkomsten behoren te worden nagekomen niet meebrengt dat een ieder als procespartij voldoende belang heeft om nakoming te vorderen jegens een ieder van wie zij meent dat die partij daarin tekortschiet. In beginsel zal de partij die ten behoeve van zichzelf nakoming vordert daarbij een eigen belang dienen te hebben. Dat VOG een eigen belang heeft, kan uit haar stellingen niet worden afgeleid. Uit hetgeen is gesteld en gebleken, kan de rechtbank slechts afleiden dat VOG met het voeren van deze procedure het belang van haar meerderheidsaandeelhouder DOB beoogt te dienen. Dat levert geen rechtens relevant eigen belang van VOG op. Temeer niet nu niet is gesteld of gebleken dat DOB niet in staat zou zijn om voor haar eigen belangen op te komen en - zo nodig - zelf rechtsmaatregelen tegen DLH te treffen.

4.5.

VOG stelt ter toelichting op haar visie dat zij belang heeft bij haar vorderingen verder dat DOB zich jegens haar op het standpunt heeft gesteld dat VOG een bedrag van € 1.000.000,00 diende te betalen op basis van de overeengekomen inkoop van eigen aandelen. VOG stelt voorts dat zij zich in het kader van de aandelenverkoop SFS verplicht heeft om ervoor zorg te dragen dat de inkoop van eigen aandelen (in dit geval tot een bedrag groot € 1.000.000,00) zou plaatsvinden en dat - nu DLH daaraan ten onrechte haar medewerking onthoudt - VOG dit in rechte dient af te dwingen. Ook uit deze stellingen vloeit niet voort dat VOG een eigen belang heeft. Het is de algemene vergadering van aandeelhouders van VOG die beslist over de inkoop van eigen aandelen VOG. Een dergelijk besluit is niet genomen en zolang dat niet het geval is, is VOG ook niet gehouden om ter zake van inkoop van eigen aandelen € 1.000.000,00 aan DOB te betalen.

4.6.

De stelling van VOG dat er voor haar een verplichting jegens DOB bestaat om in rechte af te dwingen dat VOG voor een bedrag van € 1.000.000,00 aan eigen aandelen van DOB mag inkopen, is anderszins onvoldoende onderbouwd. Uit de stellingen van VOG is niet op te maken waaruit die verplichting voortvloeit. DLH heeft er bij conclusie van antwoord onder 117 op gewezen niet in te zien op grond waarvan VOG meent ertoe gehouden te zijn rechtsmaatregelen tegen haar aandeelhouder DLH te treffen. Het lag in de gegeven omstandigheden op de weg van VOG om duidelijk te stellen door welke rechtshandeling(en) een verplichting van VOG jegens DOB in het leven is geroepen om rechtsmaatregelen tegen DLH te treffen.

4.7.

VOG stelt ter onderbouwing van haar stelling dat zij een belang heeft voorts dat zij om de aandelenoverdracht SFS (die op 30 september 2014 heeft plaatsgevonden) te kunnen realiseren een "voorlopige lening" aan DOB heeft verstrekt ten bedrage van € 1.000.000,00. Daardoor kon DOB de koopsom voor de inkoop eigen certificaten van [B kind 1 BV] betalen en kon [B kind 1 BV] dat bedrag aan VOG betalen in verband met de koop van de aandelen SFS. Hierdoor zit VOG met een 'voorlopige lening' in de boeken. Zij acht dat een onwenselijke situatie. VOG stelt dat de controlerend accountant van VOG heeft aangegeven duidelijkheid op dit vlak te willen hebben. VOG heeft voorts gesteld dat DOB aan haar heeft aangegeven dat zij niet bereid is te eniger tijd rente te betalen over de 'voorlopige lening', nu zij haars inziens recht heeft op het bedrag van € 1.000.000,00 middels de inkoop van eigen aandelen. De rechtbank is van oordeel dat ook uit deze stellingen niet voortvloeit dat VOG een eigen belang heeft bij haar vorderingen.

4.8.

Dat tussen DOB en VOG een geldleningsovereenkomst is gesloten, is niet in geschil. DLH heeft die overeenkomst overgelegd (productie 3 bij conclusie van antwoord). Uit artikel 3 onder c van die overeenkomst vloeit voort dat die geldlening rentedragend is indien komt vast te staan dat goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders voor de inkoop van aandelen door VOG van DOB niet zal worden verkregen. Het komt de rechtbank voor dat de overeenkomst ook overigens is gesloten op marktconforme voorwaarden. Het bestaan van deze overeenkomt levert voor VOG geen eigen belang op bij het voeren van deze procedure, althans dat kan uit hetgeen is gesteld en gebleken niet worden afgeleid. Indien DOB de contractueel overeengekomen rente niet aan VOG wenst te betalen omdat zij meent dat DLH verplicht is om medewerking te verlenen aan de door DOB gewenste inkoop van eigen aandelen door VOG van DOB, ligt het in de rede dat DOB DLH daarop aanspreekt. Daar staat VOG in beginsel buiten.

4.9.

Afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen over het ontbreken van een rechtens relevant belang bij VOG, wijst de rechtbank op de volgende zelfstandige grond voor afwijzing van de vorderingen. VOG grondt de door haar gestelde verplichting van DLH tot het verlenen van medewerking aan de inkoop van aandelen op artikel 11.3 van de overeenkomst van 25 juli 2005. Artikel 11.3 bepaalt echter dat 'partijen' hun medewerking verlenen aan een besluit tot inkoop van een zodanig aantal aandelen in het kapitaal van VOG in het bezit van DOB dat DOB voldoende vrije reserves verkrijgt om de inkoop van de certificaten in bezit van [B kind 1 BV] mogelijk te maken indien de financiering van de inkoop door DOB niet mogelijk of wenselijk is. Bij uitleg van de bewoordingen die zijn gebruikt bij het opstellen van een bepaling als de onderhavige komt het aan op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Over de uitleg van de hiervoor door de rechtbank gecursiveerde bewoordingen hebben partijen niet gedebatteerd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de betekenis van de bewoordingen zoals zij die in de context van de overeenkomst begrijpt.

4.10.

Dat de financiering van de inkoop door DOB 'niet mogelijk of wenselijk is', kan uit de stellingen van VOG niet worden afgeleid. In praktische zin is de financiering mogelijk gebleken. Het lag op de weg van VOG om duidelijk toe te lichten waarom de financiering van de inkoop door DOB niet wenselijk was. In dit verband is van belang dat DLH bij conclusie van antwoord onder 132 e.v. gemotiveerd heeft betwist dat de financiering van de inkoop door DOB niet mogelijk of wenselijk was. DLH heeft in dat verband bijvoorbeeld gewezen op de mogelijkheid om dividend uit te keren. In de visie van DLH had vanaf 2005 een veel ruimer dividendbeleid gevoerd kunnen worden dan feitelijk is gevoerd. DOB had het als meerderheidsaandeelhouder daarheen kunnen leiden dat VOG daartoe zou zijn overgegaan. Op die wijze had DOB in 2014 over de liquiditeiten kunnen beschikken om de inkoop van de certificaten rechtstreeks uit eigen middelen te betalen. Een andere mogelijkheid was financiering van de inkoop door middel van een geldlening zoals feitelijk is geschied.

4.11.

VOG heeft zich ter onderbouwing van haar visie dat financiering van de inkoop door DOB niet mogelijk of wenselijk was beroepen op door haar overgelegde gepubliceerde gegevens uit de jaarrekening van DOB (productie 12 bij de akte houdende producties van 4 oktober 2016). Volgens die gegevens was er bij DOB per 31 december 2013 sprake van een eigen vermogen van € 9.661.262,00. Er waren geen langlopende schulden en de kortlopende schulden bedroegen € 4.576,00. Bij gebreke van een toelichting kan de rechtbank daar niet uit afleiden dat financiering van de inkoop door DOB - die in 2014 heeft plaatsgevonden - niet mogelijk of niet wenselijk was.

4.12.

Naar de rechtbank begrijpt wenste DOB een deel van de voor de inkoop van de certificaten van [B kind 1 BV] noodzakelijke middelen door middel van inkoop van aandelen aan VOG te onttrekken (op zodanige wijze dat alleen voor DOB en niet ook voor DLH liquiditeiten ter beschikking zouden komen) in plaats van die inkoop op andere wijze te financieren. Dat DOB dat wenste, betekent echter niet zonder meer dat het op andere wijze financieren in de zin van artikel 11.3 van de overeenkomst van 25 juli 2005 in meer objectieve zin niet wenselijk was. De wensen en belangen van DOB lopen op dit punt niet parallel met die van DLH. Voor zover VOG zich op het standpunt heeft willen stellen dat artikel 11.3 van de overeenkomst van 25 juli 2005 zo moet worden uitgelegd dat de subjectieve visie van DOB doorslaggevend is bij het antwoord op de vraag of financiering van de inkoop door DOB niet wenselijk is, miskent zij dat de tekst van de bepaling voor een dergelijke uitleg geen houvast biedt, terwijl zij evenmin heeft gesteld op grond waarvan een dergelijke uitleg niettemin zou kunnen worden gerechtvaardigd.

4.13.

Nu hetgeen hiervoor is overwogen ertoe leidt dat de vorderingen van VOG dienen te worden afgewezen, zal de rechtbank de overige door DLH gevoerde verweren niet behandelen.

4.14.

VOG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DLH worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 8.331,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt VOG in de proceskosten, aan de zijde van DLH tot op heden begroot op € 8.331,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. P. Volker en mr. J.A. Moolenburgh en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2016.

[1729;2221;901]