Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:980

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
ROT 15/7679
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Verweerder heeft de verbeurde dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 van de Awb vastgesteld op het maximale bedrag. Voor eisers stelling dat uit een oogpunt van billijkheid verweerder over de periode tussen het indienen van zijn beroep tot en met de datum van de beslissing op het bezwaar, eveneens een dwangsom verschuldigd is, ontbreekt een grondslag in de Awb. De dwangsom waaraan eiser lijkt te refereren heeft betrekking op de dwangsom als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:55d van de Awb, waarin is bepaald dat de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Die situatie doet zich thans niet voor.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:19
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/7679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2016 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J. Berkouwer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 7 december 2015 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaarschrift van 20 februari (lees: maart) 2015, gericht tegen verweerders beslissing van 18 maart 2015.

Overwegingen

1.1.

Bij besluit van 17 december 2015 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard en de proceskosten vergoed tot een bedrag van € 490,00.

1.2.

Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260,00, omdat de beslistermijn met meer dan 42 dagen is overschreden.

2. Desgevraagd heeft eiser het beroep niet ingetrokken, omdat hij van mening is dat de dwangsom niet juist is vastgesteld. Daartoe heeft hij - samengevat - gesteld dat gelet op de lange termijn tussen het einde van de maximumtermijn en de daadwerkelijke beslissing van verweerder, het billijk is om over de periode van het indienen van dit beroep en de datum van de beslissing op het bezwaar ook een vergoeding vast te stellen. Deze zou overeenkomstig het beleid van de rechtbank moeten worden vastgesteld op € 100,00 per dag.

3. Artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag bedraagt.

Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voorzover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

4. Nu inmiddels de onder 1.1. en 1.2. genoemde besluiten zijn genomen, is het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk. Verweerder is met het onder 1.1. genoemde besluit voorts geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiser, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, van de Awb.

5.1.

Ten aanzien van het onder 1.2. genoemde besluit is sprake van een situatie als bedoeld in de artikelen 6:20, derde lid, althans 4:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

5.2.

Verweerder heeft de verbeurde dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 van de Awb vastgesteld op het maximale bedrag. Voor eisers stelling dat uit een oogpunt van billijkheid verweerder over de periode tussen het indienen van zijn beroep op 7 december 2015 tot en met de datum van de beslissing op het bezwaar van 17 december 2015, eveneens een dwangsom verschuldigd is, ontbreekt een grondslag in de Awb. De dwangsom waaraan eiser lijkt te refereren heeft betrekking op de dwangsom als bedoeld in het tweede lid van artikel 8:55d van de Awb, waarin is bepaald dat de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Die situatie doet zich thans niet voor. Het beroep van eiser is in zoverre kennelijk ongegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

6. Omdat verweerder eerst heeft beslist nadat eiser beroep heeft ingesteld, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank ziet eveneens aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 124,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 496,00 en wegingsfactor 0,25).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep ten aanzien van het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk,

 verklaart het beroep tegen het onder 1.2. vermelde besluit ongegrond,

 bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,00 vergoedt,

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 124,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van

J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.