Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:976

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
C/10/492629 / KG ZA 16-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsrecht. Motiveringsplicht. Nieuwe gunningscriteria? Eiseres legt eigen inschrijving niet over.

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Aanbestedingswet 2012 2.130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2016/62
Module Aanbesteding 2016/395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/492629 / KG ZA 16-19

Vonnis in kort geding van 10 februari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AEVO B.V.,

gevestigd te Halsteren,

eiseres,

advocaten mr. ir. M.B. Klijn en mr. S.E. Landheer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. de Rooij.

en met als tussenkomende partij

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ISTIMEWA ELEKTROTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Ritthem,

advocaat mr. M. van Stigt Thans.

Partijen zullen hierna AEVO, de gemeente Rotterdam en Istimewa genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de incidentele conclusie tot tussenkomst/ voeging van Istimewa,

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de beslissing van de voorzieningenrechter ter zitting om de vordering tot tussenkomst toe te staan (om na te melden reden)

  • -

    de pleitnota van AEVO

  • -

    de pleitnota van de gemeente Rotterdam

  • -

    de pleitnota van Istimewa.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente Rotterdam heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor elektrotechnisch en hydraulisch onderhoud aan bruggen, tunnels en

sluizen. De procedure van de aanbesteding is vastgelegd in een Beschrijvend Document, gedateerd 25 september 2015. Gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI), onderverdeeld in de subgunningscriteria prijs (GC-1) en kwaliteit (GC-2).

2.2.

Het gunningcriterium ten aanzien van het onderdeel kwaliteit (GC-2) bestaat uit vier onderdelen:

GC-2A Storingsorganisatie

GC-2B Inventarisatieronde eerste halfjaar

GC-2C Plan van aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan

GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een OMS onderhoudssysteem.

2.3.

In het Beschrijvend Document worden deze vier onderdelen als volgt uitgewerkt:

“De inschrijver dient inzake Kwaliteit in te gaan op de volgende aspecten:

Beoordelingsaspecten/ sub-subcriteria:

GC-2A Storingsorganisatie weging 250 pnt

GC-2B Inventarisatieronde eerste halfjaar weging 250 pnt

GC-2C Plan van Aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan weging 250 pnt

GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een weging 250 pnt

OMS systeem

Ad GC-2A.)

Inschrijver dient te beschrijven hoe het verhelpen van storingen georganiseerd zal worden, waarbij aandacht dient te worden besteed aan:

• de wijze waarop wordt geborgd dat aan de gevraagde aanrijdtijden wordt voldaan

• de procedures en organisatie rond het aannemen van storingen en het opschalen van

capaciteit

• de wijze waarop een afgehandelde storingsmelding wordt teruggekoppeld aan de

opdrachtgever

GC-2B.)

Inschrijver [dient] te beschrijven hoe hij zorgt dat de 1e inventarisatieronde binnen 6 maanden wordt

afgerond en de rapportage met resultaten uiterlijk op 1 juli 2016 aangeleverd aan de

opdrachtgever. De inventarisatieronde betekent dat ieder object voor 1 juli minimaal één keer

geïnventariseerd dient te zijn. De inschrijver [dient in] een realistische planning voor de eerste 6

maanden. Hierbij dient aandacht worden besteed aan:

• een realistische planning

• de methodiek die gebruikt wordt voor de inventarisatie

• de inspanning die van de opdrachtgever gevraagd wordt

• de opbouw van de rapportage

GC-2C.)

Inschrijver dient een Projectskwaliteitsplan in hoe de [tekst lijkt deels weggevallen, toevoeging voorzieningenrechter] uitgevoerd zullen worden.

• hoe de onderhouds- en storingsorganisatie er uitziet

• hoe de kwaliteitsorganisatie er uitziet

• hoe de contractrealisatie er uitziet

• een taak risicoanalyse

Het betreft een volwaardig niet vrijblijvend Projectkwaliteitsplan dat na een eventuele gunning

onderdeel wordt van het contract en geldt voor alle werkzaamheden.

GC-2D.)

Het voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens omschrijft de wijze hoe de

opdrachtnemer omgaat met het verbeteren en actualiseren van objectgegevens en het OMS

systeem. Het voorstel dient geschreven te worden vanuit de best practice en de ervaring van

de aannemer en dus diens eigen ideeën en opvattingen te weerspiegelen. In het verbeterplan

dient aan de volgende onderwerpen aandacht te worden besteed:

• organisatie van het actualiseren van objectgegevens

• overdracht van kennis, hoe worden objectgegevens aangevuld met de opgedane ervaring

• voorstellen voor verbeteringen in het OMS systeem

• hoe denkt de inschrijver de actualisering van gegevens en het OMS systeem op niveau te

houden gedurende de looptijd van de overeenkomst

• innovaties (die momenteel niet door de Opdrachtgever zelf zijn geïntegreerd) die het

proces kunnen verbeteren en versnellen.

Beoordeling:

Om een zo hoog mogelijke score te behalen dient de Inschrijver, voor elk van de sub-

subgunningcriteria GC2-A t/m D een relevante, heldere, concrete, praktische, gerichte en

logische beschrijving te geven refererend aan de genoemde aspecten, eventueel met

verwijzing naar praktijkvoorbeelden. Uit de beschrijving moet blijken dat de inschrijver zich

verdiept heeft in de organisatie van de opdrachtgever en tot zover mogelijk in de te

onderhouden objecten. Naarmate de beschrijving van de aspecten beter aan het voornoemde

voldoet wordt de inschrijving op kwaliteit beter beoordeeld. De beoordeling vindt als volgt

plaats:

Voor ieder kwalitatief aspect wordt een score gegeven. Er worden alleen hele cijfers

toegekend door de individuele leden van het beoordelingsteam.

Omschrijving

Rapportcijfer

Uitmuntend beantwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie wordt door de inschrijver meer dan de gestelde vragen beantwoord en de informatie oogt uiterst

gedegen in de perceptie van de beoordelingscommissie (zoals overkomend als

betrouwbaar, open, transparant, creatief en vooruitstrevend en biedt aanzienlijke

meerwaarde middels praktijkvoorbeelden).

10

Goed beantwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie wordt door de

inschrijver volledig beschreven in de perceptie van de beoordelingscommissie en

biedt meerwaarde.

8

Voldoende beantwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie komt neutraal

terug in de beschrijving van de inschrijver in de perceptie van de

beoordelingscommissie, dit biedt geen meerwaarde.

6

Onvoldoende beantwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie wordt door

de inschrijver deels beschreven in de perceptie van de beoordelingscommissie. Zoals

ontbreken van belangrijke elementen of elementen die inhoudelijk niet relevant zijn.

4

Slecht beantwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie wordt door de

inschrijver te summier beschreven, te onvolledig, niet transparant in de perceptie van

de beoordelingscommissie en inhoudelijk niet relevant.

2

Geen antwoord, wat gevraagd en aangereikt is aan informatie komt geheel niet terug in de beschrijving van de inschrijver in de perceptie van de beoordelingscommissie.

0

2.4.

De rapportcijfers worden omgerekend via de formule: cijfer beoordelaar / 10 x 150 punt. Per subsubcriterium kunnen maximaal 250 punten worden behaald. De scores worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal beoordelaars.

2.5.

AEVO is de huidige contractpartij van de gemeente Rotterdam voor het werk waarvoor de onderhavige aanbesteding is uitgeschreven.

2.6.

AEVO heeft op de aanbesteding ingeschreven. Bij brief van 9 december 2015 heeft de gemeente Rotterdam aan AEVO medegedeeld dat de inschrijving van AEVO als tweede is geëindigd en dat de gemeente Rotterdam voornemens is de opdracht te gunnen aan Istimewa. In deze brief staat onder meer:

“De gemeente Rotterdam heeft 5 inschrijvingen ontvangen.

Uw inschrijving is als 2e geëindigd.

De gemeente Rotterdam is voornemens de opdracht te gunnen aan Istimewa Elektrotechniek.

De inschrijvingen zijn beoordeeld conform het beschrijvend document. Dit heeft in de volgende rangorde geresulteerd:

Ranking

Naam

Inschrijver

Puntentotaal

1

Istimewa

2,38

2

AEVO

2,34

In de tabel in de bijlage zijn uw scores en de scores van Istimewa opgenomen en hieronder

kunt u onze motivering teruglezen op de door u behaalde scores.

GC-2A Storingsorganisatie

Uw inschrijving behaalde op grond van de beoordeling voor dit onderdeel 170 van de

maximaal 250 haalbare punten. De beoordelingscommissie is van oordeel dat de beschrijving

van de storingsaanpak:

• Weliswaar een garantie geeft inzake de aanrijtijd en ook wel aandacht besteed aan

beheermaatregelen, maar desondanks niet heel concreet en helder beschrijft op welke

manier wordt geborgd dat aan de aanrijtijden wordt voldaan. Het feit dat monteurs in

Rotterdam wonen is geen structurele borging.

• De procedure rond het aannemen van storingen is goed en volledig beschreven. Het

idee van de groepsapp wordt gezien als een meerwaarde. De manier waarop wordt

opgeschaald is duidelijk.

• De terugkoppeling via een inlogcode online voldoet, maar biedt geen meerwaarde. Uit de beschrijving blijkt onvoldoende dat er sprake is van interactie in de terugkoppeling.

Bovendien is de terugkoppeling/ rapportage weliswaar standaard, maar een

rapportage op basis van actuele gegevens is niet in de aanbieding inbegrepen.

Minpunt.

Samenvattend is in de werkgroep van mening dat het de beschrijving bij GC-2A voldoet

zonder dat er sprake is van een duidelijke meerwaarde op alle gevraagde punten.

GC-2B Inventarisatieronde eerste half jaar

Uw inschrijving behaalde op grond van de beoordeling voor dit onderdeel 170 van de

maximaal 250 haalbare punten. De beoordelingscommissie is van oordeel dat de beschrijving

van de inventarisaties:

• De planning wordt als realistisch gezien. Wel is de omschrijving, bijvoorbeeld een

nadere duiding van de personele inzet, ter onderbouwing van de haalbaarheid

summier.

• De beschrijving van de planningsmethodiek is voldoende, concreet en helder.

• Dat er weinig inspanning van vanuit de opdrachtgever noodzakelijk is komt uit de

planning duidelijk naar voren. Maat onvoldoende duidelijk is wat er dan wel verwacht

wordt, behalve weinig. Voldoende beantwoord, geen meerwaarde.

• De beschrijving van de opbouw van de rapportage is als voldoende, maar door de

commissie niet als helder ervaren. Bovendien vallen delen van de rapportage niet

binnen de inschrijving, hetgeen als een minpunt wordt ervaren.

Samenvattend is in de werkgroep van mening dat het de beschrijving bij GC-2B voldoet zonder dat er sprake is van een duidelijke meerwaarde op alle gevraagde punten.

GC-2C Plan van Aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan

Uw inschrijving behaalde op grond van de beoordeling voor dit onderdeel 180 van de

maximaal 250 haalbare punten. De beoordelingscommissie is van oordeel dat de beschrijving

van de punten in het kwaliteitsplan:

• De omschrijving van de storingsorganisatie is goed, transparant en concreet.

• De omschrijving van de kwaliteitsorganisatie is als voldoende beoordeeld. De gegeven informatie is duidelijk en gericht. De kwaliteitsorganisatie is degelijk en voldoet.

• De wijze waarop het contract gerealiseerd en geïmplementeerd wordt is uitgebreid

beschreven. De beoordelingscommissie is van oordeel dat de beschrijving voldoet,

alhoewel de bevinding ook was dat er de beschrijving weliswaar uitgebreid is, maar

niet altijd duidelijk en concreet.

• De taak-risicoanalyse is beoordeeld als uitgebreid, gericht, concreet en meet dan

voldoende.

Samenvattend is in de werkgroep van mening dat het de beschrijving bij GC-2C op sommige

punten meer dan voldoende is (zoals de taak-risicoanalyse), maar over het geheel genomen

voldoet de beschrijving.

GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens een OMS

Uw inschrijving behaalde op grond van de beoordeling voor dit onderdeel 100 van de

maximaal 250 haalbare punten. De beoordelingscommissie is van oordeel dat de beschrijving

van de punten inzake het OMS:

• Inzake het actualiseren van de objectgegevens is de input voldoende zonder echte

meerwaarde.

• De overdracht van kennis en hoe de objectgegevens worden aangevuld is beoordeeld

als voldoende, maar mager. Binnen de beoordelingscommissie was er geen goed

beeld van de wijze waarop de overdracht van gegevens of het aanvullen zou

plaatsvinden.

• De genoemde verbetervoorstellen zijn volgens de beoordelingscommissie als matig

beoordeeld. Het is onvoldoende duidelijk of de verbetervoorstellen aansluiten bij de

gemeentelijke organisatie en bovendien werden ze als weinig innovatief beoordeeld.

• De beoordelingscommissie vindt de voorstellen inzake de actualisering van gegevens

in het OMS weinig innovatief en ziet er geen meerwaarde in. Bovendien blijkt niet uit

de beschrijving of rekening gehouden is of wordt met de systemen die door de

gemeente gehanteerd worden.

• De genoemde innovaties dragen volgens de beoordelingscommissie niet bij aan het

verbeteren en het versnellen van het proces De genoemde decompositie waarover

wordt gesproken is reeds gemaakt en in gebruik bij de gemeente.

Samenvattend is in de werkgroep van mening dat het de beschrijving bij GC-2D op sommige

punten voldoet, maar over het geheel genomen mager is, weinig innovatief en niet overtuigend.

De beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van Value for Money. Kwalitatief heeft de

winnende inschrijving beter gescoord dan uw inschrijving. Dit is met name het geval voor wat

betreft het beheer van de objectgegevens. De commerciële inschrijving van Istimewa was

bovendien hoger dan uw inschrijving.

Istimewa heeft niet als hoogste, maar voldoende gescoord op de kwaliteitscriteria. Conform de

Value for Money methodiek heeft Istimewa wel de beste score op de prijs/kwaliteitsverhouding.”

2.7.

AEVO heeft bij brief van 18 december 2015 de gemeente Rotterdam onder meer medegedeeld zich niet kunnen vinden in de motivering van haar afwijzing en daarbij verzocht om over te gaan tot een herbeoordeling van haar inschrijving. In deze brief staat:

“Wij ontvingen uw brief van 9 december 2015 in het kader van de aanbestedingsprocedure voor Elektronisch en hydraulisch onderhoud Bruggen, tunnels en sluizen. Daarin geeft u aan dat onze inschrijving als tweede is geëindigd en dat u voornemens bent de opdracht te gunnen aan Istimewa.

Wij kunnen ons niet verenigen met de voorgenomen gunningsbeslissing. De motivering is op een aantal punten evident onjuist. Daarnaast schiet uw motivering ook overigens op diverse onderdelen te kort. Zo wordt onder meer onvoldoende inzicht gegeven in de kenmerken en voordelen van de inschrijving van Istimewa. Gelet hierop is de opschortende termijn als bedoeld in artikel 2.127 Aanbestedingswet 2012 nog niet aangevangen.

Wij zullen hieronder per subsubcriterium onze op- en aanmerkingen op uw motivering

toelichten.

1 GC-2A Storingsorganisatie

1.1.

Op dit onderdeel is een puntenaantal van 170 behaald op een maximum van 250

punten. Dit betekent dat er, uitgedrukt in een rapportcijfer, gemiddeld een 6,8 is

gescoord. Wij begrijpen uit het Beschrijvend Document dat door ieder van de vijf

beoordelaars een heel (even) cijfer wordt toegekend. Als het onderdeel voldoet aan

het gevraagde, zonder meerwaarde te bieden, wordt het cijfer 6 toegekend. Indien

het onderdeel voldoet en meerwaarde wordt geboden, zou dit moeten leiden tot het

cijfer 8. In de motivering bij GC-2A staat dat de werkgroep van mening is dat de

beschrijving voldoet. Onder de tweede bullet point staat dat het idee van de

groepsapp wordt gezien als een meerwaarde. Wij begrijpen daarom niet waarom er

geen 8 is toegekend, maar gemiddeld slechts een 6.8. Kunt u dit nader toelichten?

1.2

In onze aanbieding garanderen wij binnen 30 minuten na melding van een storing ter plaatse te zijn. Dit is twee keer sneller dan de gevraagde 60 minuten. Kunt u uitleggen waarom u hiervoor geen meerwaarde heeft toegekend?

1.3.

Wij hebben in het Plan van Aanpak inzichtelijk gemaakt hoe wij de aanrijtijd borgen. Wij hebben 24/7 twee 1ste-lijns monteurs beschikbaar die woonachtig zijn in Rotterdam, kennis hebben van de regio, over een goed ingericht telefoonsysteem beschikken en de groepsapp. Daarnaast beschikken wij over vier 2e-lijns storingsmonteurs die direct oproepbaar zijn bij meerdere storingen en een 2e-lijns ondersteuning. Als aannemer van het huidige onderhoud

- waarin een aanrijtijd van 30 minuten vereist is - hebben wij ook bewezen een aanrijtijd van 30 minuten waar te maken, wat wij ook hebben aangegeven in het Plan van Aanpak. U

geeft in uw brief aan dat het feit dat monteurs in Rotterdam wonen geen structurele borging

is. Zonder nadere toelichting valt dit niet te begrijpen. Uit uw motivering blijkt bovendien niet dat (volledig) rekening is gehouden met ons Plan van Aanpak, omdat u niet ingaat op de andere punten die door ons genoemd worden ter borging van de aanrijtijd. Kunt u uitleggen waarom u een ander geen structurele borging vindt en wat in uw ogen dan wel structurele borging zou bieden?

1.4.

U schrijft dat het bieden van online inzicht in storingsstatussen geen meerwaarde

biedt, zonder dit te motiveren. Kunt u dit toelichten?

1.5.

In uw brief geeft u aan dat er volgens u onvoldoende sprake is van interactie in de terugkoppeling. In ons Plan van Aanpak is aangegeven dat dagelijks een actueel storingsrapport ter goedkeuring aan de projectdirectie wordt voorgelegd. Kunt u toelichten waarom u dit onvoldoende interactie vindt en wat zou u wel als voldoende interactie beschouwen? Overigens is in het Beschrijvend Document ‘interactie niet als vereiste terug te vinden. U heeft zich bij de beoordeling dus bediend van nieuwe beoordelingsmodaliteiten, die niet vooraf kenbaar waren.

1.6.

Bij de aanbieding is een actueel storingsrapport dat dagelijks wordt opgesteld en aan de projectdirectie wordt voorgelegd inbegrepen. Uitsluitend de extra beschikbaarstelling van een online versie van dit rapport hebben wij als optie aangeboden. Ten onrechte heeft u

ons een minpunt toegekend, omdat u meent dat een rapportage op basîs van actuele gegevens niet in de aanbieding is inbegrepen. Uw beoordeling bevat dus een evidente inhoudelijke onjuistheid.

1.7.

Dit subsubcriterium is nader onder verdeeld in drie kwalitatieve aspecten. Kunt u aangeven hoe de onderlinge weging hiervan is?

2 GC-2B Inventarisatieronde eerste half jaar

2.1

In het Beschrijvend Document is vermeld dat bij dit onderdeel aandacht dient te worden besteed aan een realistische planning. U geeft aan dat onze planning als realistisch wordt gezien, maar dat de omschrijving van de personele inzet, ter onderbouwing van de haalbaarheid, summier is. Een omschrijving van de personele inzet was echter niet vereist. Ook op dit punt heeft u zich dus bediend van nieuwe beoordelingsmodaliteiten, die niet vooraf kenbaar waren. Kunt u uitleggen waar u de beoordeling van de omschrijving van de personele inzet op baseert?

2.2

In het Plan van Aanpak staat dat de inspanningen van de gemeente zich beperken tot wat daaromtrent in het Beschrijvend Document is geschreven en dat daarbuiten geen aanvullende inspanning van de gemeente wordt vereist. Het verbaast ons dat u in uw brief schrijft dat onvoldoende duidelijk is welke inspanning van u wordt verwacht, terwijl wij aangeven het Beschrijvend Document geheel te zullen volgen.

Kunt u dit nader toelichten?

2.3

Wij hebben zes acties (genummerd 7 t/m 12) benoemd, die niet van de gemeente

worden gevraagd. Wij hebben daarbij aangegeven dat u op deze punten wel

inspanning zult moeten verrichten als u met een nieuwe partij in zee gaat. U geeft

aan dat duidelijk is dat van de gemeente weinig inspanning wordt verwacht, maar

dat dit geen meerwaarde biedt. Kunt u dit nader toelichten en aangeven op welke

manier er nog meerwaarde zou kunnen worden gecreëerd nu op basis van het

Beschrijvend Document al weinig inspanning van de gemeente kan worden

verwacht? Hoe heeft u de andere inschrijvingen op dit punt beoordeeld?

2.4

Tot onze verbazing schrijft u dat de commissie de opbouw van de rapportage niet als helder heeft ervaren. Wij hebben ons juist verdiept in de gemeentelijke organisatie en een voorstel gedaan om het onderhoudsmodel op de bedrijfswaarden van de gemeente te laten aansluiten. In een figuur hebben wij met pijlen de vertaling weergegeven van uw Bedrijfswaardemodel naar ons model. Wij hebben dit in het kader van het uitvoeren van het huidige onderhoud al eens gepresenteerd aan in ieder geval één lid van de beoordelingscommissie. Dit werd toen positief ontvangen, maat de gemeente gaf toen aan er nog niet aan toe te zijn, maar er te zijner tijd naartoe te willen groeien. Om die reden hebben wij dit voorstel opgenomen in het Plan van Aanpak. Kunt u motiveren waarom dit nu als “niet helder” wordt ervaren?

2.5

In het Beschrijvend Document staat dat in de aanbieding moet worden beschreven hoe ervoor wordt gezorgd dat uiterlijk op 1 juli 2016 een rapportage is aangeleverd. In het Plan van Aanpak geven wij aan de resultaten per object binnen 10 werkdagen na afronding van de inspectie te rapporteren. Naast een rapportage conform bestek, hebben wij als optie een managementrapportage per object aangeboden. Uit het Beschrijvend Document volgt niet dat u minpunten kunt toekennen voor aangeboden opties. Wij begrijpen dan ook niet dat een minpunt is toegekend, omdat volgens u delen van de inschrijving niet binnen de rapportage vallen. Kunt u motiveren waarom een minpunt is toegekend voor een optie, terwijl wij een rapportage conform bestek hebben aangeboden?

2.6

Dit subsubcriterium is nader onder verdeeld in vier kwalitatieve aspecten. Kunt u aangeven hoe de onderlinge weging hiervan is?

3 GC-2C Plan van aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan

3.1

U geeft aan dat de omschrijving van de kwaliteitsorganisatie slechts als voldoende

is beoordeeld en de omschrijving van de contractsrelatie voldoet. Kunt u dit nader

toelichten en daarbij aangeven wat volgens u op deze punten het verschil zou

hebben gemaakt tussen een rapportcijfer 6 en 8?

3.2

U geeft aan dat de omschrijving van de storingsorganisatie “goed, transparant en concreet” is. De gegeven informatie in het kader van de kwaliteitsorganisatie is volgens u “duidelijk en gericht” en ook de taak-risicoanalyse is beoordeeld als “uitgebreid, gericht, concreet en meer dan voldoende”. Kortom, bij drie van de vier bullet points zou conform de omschrijving van de rapportcijfers in het Beschrijvend Document het cijfer 8 moeten worden toegekend. Toch hebben wij op dit onderdeel in totaal maar 180 van de 250 punten behaald; omgerekend een rapportcijfer 7,2. Dit zou - uitgaande van gelijke wegingsfactoren - impliceren dat het vierde punt (de facto) met een 4,8 zou zijn beoordeeld. Kunt u aangeven hoe de afzonderlijke bullet points hier zijn becijferd en hoe de beoordelaars tot deze cijfers zijn gekomen?

3.3

Dit subsubcriterium is nader onder verdeeld in vier kwalitatieve aspecten. Kunt u

aangeven hoe de onderlinge weging hiervan is?

4 GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een OMS

systeem

4.1.

In het Beschrijvend Document worden voor dit onderdeel vijf onderwerpen genoemd waaraan aandacht moet worden besteed in de inschrijving. Bij het eerste punt, de organisatie van het actualiseren van objectgegevens, zijn in het Beschrijvend Document geen verdere vereisten opgenomen. In uw brief geeft u aan dat onze inschrijving op dit punt voldoet, maar geen meerwaarde biedt. Kunt u uitleggen aan de hand van welke criteria u tot dit oordeel bent gekomen?

4.2

Het tweede punt, de overdracht van kennis, heeft u beoordeeld als voldoende, waarbij u aangeeft dat er bij de beoordelingscommissie geen goed beeld was van de wijze waarop de overdracht van gegevens of het aanvullen van gegevens zou plaatsvinden. Gelet op de beschrijving van alle stappen van het proces van de kennis- en gegevensoverdracht die in het PvA is gegeven, is het ons niet duidelijk wat u hiermee bedoelt. Kunt u dit toelichten?

4.3

De voorstellen voor verbeteringen in het OMS-systeem worden als matig beoordeeld. U geeft daarbij aan dat de verbetervoorstellen als “weinig innovatief’ zijn beoordeeld. Wij begrijpen niet waarom u innovatie meeweegt in uw beoordeling op dit punt. Innovatie wordt hier - anders dan bij de vijfde bullet point - namelijk niet genoemd en uit het Beschrijvend Document blijkt niet dat u ook bij dit punt mag toetsen op de mate van innovatie. U heeft zich bij de beoordeling dus bediend van nieuwe beoordelingsmodaliteiten, die niet vooraf kenbaar waren. Kunt u motiveren waarom u innovatie op dit punt heeft meegewogen?

4.4

Bij onze voorstellen over het actualiseren van gegevens in het OMS heeft u eveneens geoordeeld dat deze voorstellen “weinig innovatief” zijn. Net als bij het vorige punt was innovatie niet als vereiste genoemd in het Beschrijvend Document. Verder geeft u aan dat u geen meerwaarde ziet in onze voorstellen. Kunt u aangeven waarom niet?

4.5

U geeft aan dat de voorgestelde decompositie conform NEN 2767 reeds in gebruik

is bij de gemeente. Dit is onjuist. Als aannemer van het huidige onderhoud weten

wij dat het thans door de gemeente gehanteerde systeem — onder meer voor de

inspectielijsten — niet voldoet aan de NEN 2767 norm. Uw beoordeling bevat dus

een evidente inhoudelijke onjuistheid.

4.6

Dit subsubcriterium is nader onder verdeeld in vijf kwalitatieve aspecten. Kunt u

aangeven hoe de onderlinge weging hiervan is?

5 Istimewa voorgenomen winnaar

5.1

Over de inschrijving van Istimewa merkt u slechts op dat deze kwalitatief beter heeft gescoord dan onze inschrijving, maar niet als hoogste heeft gescoord op de

kwaliteitscriteria. Verder schrijft u nog dat de commerciële inschrijving van

Istimewa hoger was dan onze inschrijving en legt u de puntentabel over waarin

onze score en de score van Istimewa is opgenomen. Hiermee heeft u onvoldoende

inzicht gegeven in de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving en is

het voor ons niet mogelijk om een goede vergelijking te maken. Wij verzoeken u

daarom om ons een kopie van de brief aan Istimewa met de beoordeling van haar

inschrijving toe te zenden.

Om beter te kunnen begrijpen hoe u tot onze eindscore bent gekomen, vragen wij u daarnaast

ons de onderliggende definitieve beoordelingen van de individuele beoordelaars toe te sturen.

Al met al menen wij dat de voorgenomen gunningsbeslissing onvoldoende is gemotiveerd en

een aantal evidente onjuistheden bevat. Gelet hierop verzoeken wij u met inachtneming van

het voorgaande over te gaan tot een herbeoordeling van onze inschrijving, afhankelijk van de

uitkomsten daarvan uw gunningsvoornemen al dan niet te wijzigen en ons een nieuwe, althans

nadere schriftelijke motivering te verstrekken die voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

Wij ontvangen één en ander graag uiterlijk woensdag 23 december a.s. om 12.00 uur, met

daarbij tevens uw bevestiging dat de termijn als bedoeld in artikel 2.127 Aanbestedingswet

2012 eerst aanvangt de dag na de datum waarop de nieuwe, althans nadere motivering aan

ons is verzonden.”

2.8.

De gemeente Rotterdam heeft bij e-mailbericht van 23 december 2015 de termijn waarbinnen AEVO een kort geding kon entameren verlengd tot 8 januari 2016.

2.9.

De gemeente Rotterdam heeft bij brief van 31 december 2015 een toelichting gegeven op haar eerder gegeven motivering van de voorlopige gunningsbeslissing en daarbij medegedeeld dat zij geen aanleiding zag om de door AEVO behaalde eindscore aan te passen. In deze brief staat onder meer:

"Met betrekking tot uw vragen t.a.v. GC-2A tot en met GC-2D ontvangt u hierbij een

toelichting op de eerder gegeven motivering.

GC-2A Storingsorganisatie

Vraag 1.1: Het is juist dat de beoordelaars ieder afzonderlijk een rapportcijfer hebben

gegeven op basis van hun individuele beoordeling. Dat kan betekenen dat de ene

beoordelaar heeft geoordeeld dat er sprake is van meerwaarde en de andere niet. Met de

betreffende zin wordt bedoeld dat de groepsapp door één of meer beoordelaars als

meerwaarde is beschouwd, maar dat het gemiddelde rapportcijfer niet tot het cijfer 8 heeft

geleid. Bovendien wordt er één rapportcijfer toegekend aan subgunningscriterium GC-2A

in het geheel en niet afzonderlijk per beschreven aandachtspunt. Wij zien geen aanleiding

de score aan te passen.

Vraag 1.2: In de beschrijving diende te worden ingegaan op de wijze waarop geborgd

wordt dat aan de gevraagde aanrijdtijden wordt voldaan. Het gaat hier dus om de wijze

waarop de gevraagde aanrijdtijd van 60 minuten door de inschrijver wordt geborgd. Dat in

uw aanbieding een kortere aanrijdtijd wordt gegarandeerd dan is gevraagd is in dat

verband niet relevant.

Vraag 1.3: Het feit dat medewerkers in Rotterdam wonen wil niet zeggen dat ze altijd in

Rotterdam of in de buurt van Rotterdam aanwezig zijn of werken. Bovendien kunnen

medewerkers tijdens de contractduur verhuizen, waardoor dit argument vervalt. Daarnaast

is de beoordelingscommissie van mening dat onvoldoende duidelijk is gemaakt op welke

wijze de aanrijtijd reden zeker zijn gesteld. Om die reden acht de gemeente het geen borging

en biedt de beschrijving geen meerwaarde.

Vraag 1.4: Volgens de leeswijzer van AEVO is het bieden van een online inzicht in

storingsstatussen een voorstel dat bewust buiten de prijs is gehouden. Om die reden kan

het ook geen meerwaarde binnen de aanbieding bieden. Bovendien wordt er weliswaar

een online inzicht geboden, maar is er geen relatie met het BSB van de gemeente en is

het dus een op zich zelf staand systeem zonder meerwaarde.

Vraag 1.5: Met onze formulering bedoelen wij te zeggen dat het begrip interactie in een

logisch verband staat met het begrip terugkoppeling. Het is een aspect dat bij

terugkoppelen hoort en indien benoemd iets zegt over de wijze van terugkoppelen. Het is

uitdrukkelijk niet bedoeld en ook niet gebruikt als extra beoordelingsmodaliteit. De meeste

voorstellen in de terugkoppeling zijn bewust buiten de prijs gehouden en dus geen

onderdeel van de inschrijving. Bovendien is naar mening van de beoordelingscommissie

onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de terugkoppeling van de afgehandelde

storingsmeldingen aan de opdrachtgever plaatsvindt. Er wordt vooral over de eigen

storingsdatabase en systeem gesproken en niet zozeer over de terugkoppeling met de

gemeente en haar systemen.

Vraag 1.6: Er is geen minpunt in de zin dat er een bepaald aantal punten minder zijn

gegeven. Voor de beoordelingscommissie was het niet duidelijk dat er wel sprake was

van een actuele rapportage zonder de online optie. Om die reden heeft een aantal

beoordelaars aan uw beschrijving een lagere score toegekend.

Vraag 1.7: Het subcriterium is niet opgedeeld in drie gewogen kwalitatieve aspecten. Het

zijn punten waaraan aandacht moet worden besteed in de beschrijving, maar dit zijn

nadrukkelijk geen criteria die afzonderlijk worden meegewogen. Slechts aan het

subgunningscriterium in het geheel wordt een rapportcijfer toegekend zoals is

omschreven in paragraaf 5.8.2 van het Beschrijvend Document.

GC-2B Inventarisatieronde eerste half jaar

Vraag 2.1: Wij zijn van mening dat een onderwerp als personele inzet onlosmakelijk

verbonden is met een realistische planning. Ook hier is het onderwerp personele inzet

uitdrukkelijk niet bedoeld en ook niet gebruikt als een extra beoordelingsmodaliteit.

Vraag 2.2: Het antwoord dat er niets aanvullend verwacht wordt van de gemeente,

behalve hetgeen in het Beschrijvend Document staat, is te summier om tot meer dan een

voldoende te leiden. De beoordelingscommissie is van mening dat het niet realistisch is

dat er niets aanvullend verwacht wordt van de gemeente, er zal altijd sprake zijn van

samenwerkingen tussen opdrachtnemer en opdrachtgever, waaruit dus enige aanvullende

inspanning van de opdrachtgever voortvloeit buiten hetgeen omschreven is in het

Beschrijvend Document.

Vraag 2.3: Zie het antwoord op 2.2.

Vraag 2.4: De beoordelingscommissie acht de rapportage te abstract en niet concreet. Er

wordt wel een simpel model en matrix gegeven, maar er is geen sprake van een

uitgewerkte opbouw of beschrijving. De verwijzing naar het feit dat een van de leden van

de beoordelingscommissie een presentatie in het verleden als positief ervaren heeft doet

niet ter zake.

Vraag 2.5: Er is geen minpunt in de zin dat er een bepaald aantal punten minder is

gegeven. Het feit dat delen van de rapportage bewust buiten de prijs zijn gehouden

betekent dat die delen om die reden ook geen meerwaarde binnen de aanbieding kunnen

bieden.

Vraag 2.6: Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.7. Het subcriterium is niet opgedeeld

in vier gewogen kwalitatieve aspecten. Het zijn punten waaraan aandacht moet worden

besteed in de beschrijving, maar dit zijn nadrukkelijk geen criteria die afzonderlijk worden

meegewogen. Slechts aan het subgunningscriterium in het geheel wordt een rapportcijfer

toegekend zoals is omschreven in paragraaf 5.8.2 van het Beschrijvend Document.

GC-2C Plan van Aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan

Vraag 3.1: Ook hier benadrukken wij dat er één rapportcijfer wordt toegekend aan

subgunningscriterium GC-2C in het geheel en niet afzonderlijk per beschreven

aandachtspunt. Ook hier zien wij geen aanleiding de score aan te passen.

Vraag 3.2: Voor deze vraag geldt hetzelfde. Het subcriterium is niet opgedeeld in vier

gewogen kwalitatieve aspecten. Het zijn punten waaraan aandacht moet worden besteed

in de beschrijving, maar dit zijn nadrukkelijk geen criteria die afzonderlijk worden

meegewogen. Slechts aan het subgunningscriterium in het geheel wordt een rapportcijfer

toegekend zoals is omschreven in paragraaf 5.8.2 van het Beschrijvend Document.

Vraag 3.3: Zie het antwoord op vraag 3.2.

GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een OMS systeem

Vraag 4.1: De beoordelingscommissie is van oordeel dat het plan aansluit bij het huidige

proces, maar dat er in onvoldoende mate sprake is van een daadwerkelijke verbetering

van het huidige proces. Belangrijk punt hierbij is dat Aevo het verbetervoorstel

traditioneel/ klassiek insteekt. De beoordelingscommissie is van mening dat er een visie

ontbreekt om het gehele informatiemanagement als het ware naar een hoger niveau te

tillen.

Vraag 4.2: De beoordelingscommissie beoordeelt e.e.a. in het licht van het feit dat dit punt

een onderdeel van het verbetervoorstel is. Ook hier geldt dat er in onvoldoende mate

sprake is van een daadwerkelijke verbetering op het huidige proces zijn. Naar het oordeel

van de beoordelingscommissie ontbreken er ook hier aanknopingspunten om het gehele

informatiemanagement naar een hoger niveau te tillen.

Vraag 4.3: De formulering van onze motivering is ongelukkig. Met ‘weinig innovatief wordt

hier bedoeld dat de verbetervoorstellen onvoldoende als een verbetering zijn beschouwd

door de beoordelingscommissie. Het is uitdrukkelijk niet als een nieuwe

beoordelingsmodaliteit gebruikt. Een betere formulering van de betreffende zin zou zijn:

Het is onvoldoende duidelijk of de verbetervoorstellen aansluiten bij de gemeentelijke

organisatie en bovendien werden de voorstellen als zodanig ook hier onvoldoende als

daadwerkelijke verbetering beschouwd. Innovatie was overigens wel een aandachtspunt

dat moest terugkomen in de omschrijving van subgunningscriterium GC-2D in het geheel.

Vraag 4.4: Hiervoor geldt hetzelfde als bij het antwoord op de vorige vraag. De

formulering van onze motivering is ongelukkig. Ook hier moet de motivering in de context

worden gelezen van subgunningscriterium GC-2D in het geheel, waarbij innovaties een

aandachtspunt zijn, maar niet een afzonderlijk kwalitatief aspect.

De beoordelingscommissie beoordeelt e.e.a. in het licht van het feit dat dit punt een

onderdeel van het verbetervoorstel is. Ook hier geldt dat er in onvoldoende mate sprake is

van een daadwerkelijke verbetering op het huidige proces zijn. Naar het oordeel van de

beoordelingscommissie ontbreken er ook hier aanknopingspunten om het gehele

informatiemanagement naar een hoger niveau te tillen.

Vraag 4.5: Dat is niet zoals wij het in het antwoord hebben geformuleerd. We hebben de

decompositie en deze wordt ook gebruikt. Alleen voldoet de decompositie strikt genomen

nog niet aan de laatste versie van de gestelde NEN 2767 norm.

Vraag 4.6: Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.7. Het subcriterium is niet opgedeeld

in vijf gewogen kwalitatieve aspecten. Het zijn punten waaraan aandacht moet worden

besteed in de beschrijving, maar dit zijn nadrukkelijk geen criteria die afzonderlijk worden

meegewogen. Slechts aan het subgunningscriterium in het geheel wordt een rapportcijfer

toegekend zoals is omschreven in paragraaf 5.8.2 van het Beschrijvend Document.

Istimewa voorgenomen winnaar

Wat betreft uw vraag over de relevante kenmerken en voordelen van de uitgekozen

inschrijving, wordt hieronder een toelichting gegeven op de eerder gegeven motivering.

Bij deze toelichting richten wij ons uitsluitend op subgunningscriterium GC-2D, omdat uw

inschrijving ten opzichte van de winnaar op de andere subgunningscriteria hoger scoorde.

Inzake GC-2D zijn de relevante kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving:

• Een integrale visie op OMS met een werkend systeem waarbij alle werkzaamheden

aan de objectgegevens gekoppeld zijn

• Alle processen zijn work flow ondersteund

• Alle gegevens zijn te allen tijde 24/7 te monitoren door de gemeente

• Het systeem is aantoonbaar toekomstbestendig, ook in relatie tot ons BSB systeem

• Aandacht aan een work around voor een overgangssituatie

• De bovenstaande zaken zijn allen helder, concreet en praktisch beschreven

De gemeente Rotterdam acht zich er verder niet toe gehouden om aan u een kopie van de

gunningsbrief aan Istimewa toe te zenden.

Op grond van bovenstaande is de gemeente Rotterdam van mening dat zij naar behoren heeft

gemotiveerd.[…]”

3 Het geschil

3.1.

AEVO vordert:

1. de gemeente Rotterdam te verbieden vervolg te geven aan haar voornemen van 8 december 2015 tot gunning van de opdracht betreffende het elektrotechnisch en hydraulisch onderhoud van bruggen, tunnels en sluizen aan Istimewa;

2. indien de gemeente Rotterdam deze opdracht nog steeds wenst te gunnen,

(i) Primair: de gemeente Rotterdam te gebieden de opdracht te gunnen aan AEVO;

(ii) Subsidiair: de gemeente Rotterdam te gebieden over te gaan tot herbeoordeling

van de inschrijvingen, althans van de inschrijving van AEVO, conform de in het Beschrijvend Document bekendgemaakte beoordelingscriteria en methodiek en met inachtneming van deze uitspraak, door een nieuw samengestelde onafhankelijke beoordelingscommissie, die geen kennis draagt van de inschrijvingen;

(iii) Meer subsidiair: de gemeente Rotterdam te gebieden over te gaan tot heraanbesteding van de opdracht, met inachtneming van deze uitspraak;

3. De gemeente Rotterdam te gebieden tot betaling van een dwangsom van € 500.000,-

althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, indien de gemeente Rotterdam nalaat aan het gevorderde onder 1 en/ of 2 te voldoen;

4. De gemeente Rotterdam te gebieden tot betaling van de kosten van dit geding,

een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut in en op alle dagen en uren.

AEVO stelt daartoe, samengevat, het volgende.

3.2.

De door de gemeente Rotterdam verstrekte motivering en de nadere motivering van de gunningsbeslissing zijn ondeugdelijk. In de afwijzingsbrief en de nadere motivering wordt onvoldoende inzicht gegeven in de kenmerken en voordelen van de inschrijving van Istimewa. In de afwijzingsbrief is slechts opgemerkt dat de inschrijving van Istimewa kwalitatief beter heeft gescoord dan de inschrijving van AEVO, maar niet als hoogste heeft gescoord op de kwaliteitscriteria. Verder schreef de gemeente Rotterdam dat de commerciële inschrijving van Istimewa hoger was dan de inschrijving van AEVO en is een puntentabel overgelegd waarin de score van AEVO en de score van Istimewa is opgenomen. Omdat het op basis hiervan niet mogelijk was voor AEVO om een goede vergelijking te maken, heeft zij de Gemeente verzocht om de beoordeling van de inschrijving van Istimewa. In de nadere motivering heeft de gemeente Rotterdam slechts een korte toelichting gegeven op de score van Istimewa op het subsubcriterium GC-2D. Dit is onvoldoende. Niet valt in te zien waarom de kenmerken van de inschrijving van Istimewa op de andere subsubcriteria niet van belang zouden zijn. AEVO kan zich op geen der vier onderdelen van de gunningscriteria betreffende de kwaliteit vinden in de door de gemeente Rotterdam gegeven motivering.

3.3.

De gemeente Rotterdam en Istimewa voeren verweer tegen de vorderingen van AEVO.

3.4.

Istimewa vordert, als tussenkomende partij, voor zover van belang, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

- de vorderingen van AEVO af te wijzen,

- de gemeente Rotterdam te verbieden de inschrijving van AEVO te beoordelen als de

Economisch Meest Voordelige Inschrijving,

- met veroordeling van AEVO in de kosten van het geding aan de zijde van Istimewa, daaronder begrepen een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand zijdens Istimewa gemaakt.

3.5.

Op de (verdere) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen of daarin te mogen tussenkomen. Het belang van Istimewa als onderneming aan wie de gemeente Rotterdam voornemens is de opdracht te gunnen, is evident. Nu Istimewa een eigen vordering instelt tegen de gemeente Rotterdam (en zich dus niet slechts wenst te voegen aan de zijde van de gemeente Rotterdam) wordt de vordering toegewezen als zijnde een tussenkomst. De overige partijen hebben zich ook niet verzet tegen de vordering tot tussenkomst.

in de hoofdzaak

de vorderingen van AEVO

4.2.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard der zaak en is ook niet betwist.

4.3.

Bij de beoordeling hanteert de voorzieningenrechter navolgende uitgangspunten.

4.4.

De mededeling van een gunningsbeslissing dient op grond van artikel 2.130 lid 1 jo. lid 2 Aanbestedingswet 2012 de relevante redenen voor die beslissing te bevatten, waaronder in ieder geval de kenmerken en voordelen van de uitgekozen inschrijving worden verstaan. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een motivering aan de hand waarvan een afgewezen inschrijver niet kan vaststellen waaruit de verschillen tussen zijn inschrijving en die van de winnaar bestaan en aan de hand waarvan dus evenmin kan worden beoordeeld of die verschillen een verschil in waardering en daarmee de uitkomst van de aanbesteding kunnen rechtvaardigen, niet voldoet aan de wettelijke eisen.

4.5.

Als uitgangspunt geldt voorts dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van kwalitatieve criteria. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met het recht en/of die beginselen. Van belang is dat (i) zodanige criteria worden geformuleerd dat het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is aan welke kwaliteitseisen hij moet voldoen, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de aanbestedende dienst zijn uiteindelijke keuze motiveert op een wijze die het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk maakt om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt de rechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwaliteitscriteria. Aan de aangewezen – deskundige – beoordelaars moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund. Dit klemt te meer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts indien sprake is van procedurele en/of inhoudelijke onjuistheden dan wel van onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de voorlopige gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.

4.6.

In het aanbestedingsrecht is vereist is dat alle inschrijvers op gelijke wijze worden behandeld. Daarmee verhoudt zich niet als een der inschrijvers zich ter onderbouwing van haar standpunt beroept op feiten en omstandigheden buiten haar inschrijving om. Aan de stellingen van AEVO omtrent haar ervaring (als huidige contractant van de gemeente Rotterdam) komt derhalve in beginsel geen betekenis toe in deze procedure, behalve in het geval dat van een inschrijver gevraagd wordt, als onderdeel van een gunningscriterium, de inschrijving te onderbouwen met eerdere opgedane ervaringen (zoals hier in onderdeel GC-2D).

4.7.

Evenmin komt betekenis toe aan het beroep van AEVO op de “opties” die zij in haar inschrijving heeft verwerkt. Deze opties biedt AEVO aan tegen een meerprijs en maken als zodanig geen onderdeel uit van haar inschrijving. AEVO gaat er zelf ook van uit dat deze (extra) opties niet worden opgeteld bij de - in de eindscore mee te wegen - prijs waarvoor AEVO heeft ingeschreven.

4.8.

AEVO stelt dat meermaals een puntenaftrek heeft plaatsgevonden op haar inschrijving voor zover de gemeente Rotterdam heeft gemotiveerd dat enige onderdelen van haar inschrijving “een minpunt” bevatten. Volgens AEVO staat het beschrijvend document een puntenaftrek niet toe. Deze stelling is in zoverre feitelijk onjuist, dat er geen puntenaftrek heeft plaatsgevonden. De kwalificatie “minpunt” is duidelijk bedoeld als motivering voor een lager rapportcijfer, niet voor een puntenaftrek. Dit blijkt overigens ook al uit de motivering van de gemeente Rotterdam. AEVO heeft ook niet kunnen aanwijzen waaruit blijkt van een puntenaftrek.

4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat AEVO weliswaar veel stellingen poneert, maar deze niet steeds naar behoren onderbouwt. Het valt de voorzieningenrechter daarbij op dat AEVO haar eigen inschrijving niet heeft ingebracht in de onderhavige procedure. Dit maakt het bezwaarlijk, zo niet onmogelijk, om een deugdelijk oordeel te vellen over de juistheid van stellingen van AEVO dat haar inschrijving op enig onderdeel een hoger rapportcijfer zou verdienen dan de gemeente Rotterdam heeft toegekend. AEVO heeft ook in haar pleitnota slechts in beperkte mate teksten uit haar inschrijving geciteerd. Het komt voor risico van AEVO dat de voorzieningenrechter niet (goed) in staat is om een stelling van AEVO omtrent een gesteld gebrekkige motivering te beoordelen wanneer deze motivering niet kan worden gelezen in het licht van de tekst van de inschrijving van AEVO.

4.10.

Meer in het bijzonder wordt over de stellingen inzake de vier kwalitatieve gunningcriteria als volgt geoordeeld.

GC-2A Storingsorganisatie

4.11.

AEVO heeft ingeschreven met de garantie om binnen 30 minuten ter plaatse te zijn in geval van een storing. Dit is volgens AEVO twee keer sneller dan de gevraagde 60 minuten. Het stond de gemeente Rotterdam echter vrij om hiervoor geen meerwaarde toe te kennen. In het Beschrijvend Document is immers een hogere snelheid dan 60 minuten niet als gunningscriterium opgenomen. Uit zowel de tekst van het Beschrijvend Document als de motivering in de brief van 31 december 2015 (onder 1.3) volgt voldoende duidelijk dat niet zozeer de aanrijtijd, als wel de bórging van de vereiste aanrijtijd van 60 minuten van belang is.

4.12.

Volgens AEVO is het verwijt van de gemeente Rotterdam dat niet helder is omschreven hoe de aanrijtijd is geborgd, onterecht. De voorzieningenrechter onderschrijft deze stelling niet. De woonachtigheid van personeel van AEVO in de regio impliceert niet zonder meer dat dit personeel ook altijd inzetbaar is. Personeel kan ziek, verhuisd, elders werkzaam of ingezet of met vakantie zijn. Het stond de gemeente Rotterdam in redelijkheid vrij om woonachtigheid in de regio niet gelijk te stellen aan borging van inzetbaarheid.

4.13.

AEVO stelt dat in de afwijzingsbrief de kwalificatie “meerwaarde” is gegeven aan haar idee van een groepsapp. AEVO verbinding aan de conclusie dat zij op dit onderdeel een hoger rapportcijfer heeft verdiend. De voorzieningenrechter onderschrijft deze stelling niet. Het rapportcijfer is een optelsom van meerdere aspecten (“bullet points”) die gezamenlijk gewogen worden. Een van deze andere aspecten is de voormelde niet helder geworden borging door AEVO van de aanrijtijd. Er valt niet in te zien waarom AEVO per saldo een hoger rapportcijfer heeft verdiend op dit onderdeel.

4.14.

AEVO stelt dat zij, ten aanzien van de eis van terugkoppeling van een afgehandelde storingsmelding aan de opdrachtgever, heeft aangeboden om dagelijks een actueel storingsrapport ter goedkeuring aan de projectdirectie voor te leggen.

De gemeente Rotterdam heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat er onvoldoende sprake was van “interactie in de terugkoppeling.” De stellingname van AEVO is naar voorlopig oordeel onvoldoende duidelijk. Nu AEVO haar inschrijving niet heeft overgelegd is de voorzieningenrechter niet (goed) in staat om zich een beeld te vormen van de kwaliteit van de inschrijving van AEVO op dit onderdeel, respectievelijk over de motivering van de gemeente Rotterdam op dit onderdeel. AEVO voert aan dat onjuist is het standpunt van de gemeente Rotterdam dat de rapportage van AEVO niet is gebaseerd actuele gegevens. AEVO stelt dat dit feitelijk onjuist is omdat zij wel een actuele rapportage zou hebben aangeboden, die bij de prijs is inbegrepen, en dat slechts de on line versie van dit rapport als optie werd aangeboden. De gemeente Rotterdam maakt aan AEVO het verwijt dat de inschrijving van AEVO voor een aantal beoordelaars onduidelijk was omdat in de inschrijving van AEVO op verschillende pagina’s door elkaar diverse voorstellen zijn gedaan die wel, en voorstellen die niet in de inschrijving zijn inbegrepen, zodat onduidelijk was dat de actuele rapportage van AEVO ook zonder de on line optie werd aangeboden. De voorzieningenrechter acht dit verweer uit de pleitnota van de gemeente Rotterdam een adequate adstructie van haar motivering dat de opbouw van de rapportage van AEVO niet als helder werd ervaren. Bij gebreke van overlegging van haar inschrijving door AEVO valt niet te toetsen dat deze motivering onjuist is.

AEVO beroept zich voorts op rapportering aan de projectdirectie, maar het is niet duidelijk wat met “projectdirectie” wordt bedoeld. De term “projectdirectie” wordt niet door AEVO uitgelegd en valt ook niet terug te vinden onder de definities in het Beschrijvend Document.

4.15.

De voorzieningenrechter acht voorts duidelijk dat met “interactie in de terugkoppeling” bedoeld wordt: communicatie met de gemeente Rotterdam naar aanleiding van een storingsmelding. Dit is klare taal. Er valt niet in te zien waarom AEVO dit niet zou hoeven of kunnen begrijpen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gemeente Rotterdam zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat terugkoppeling via een inlogcode online voldoet, maar geen meerwaarde biedt. Ook de stelling van AEVO dat zij, anders dan de gemeente Rotterdam aanvoert, wél heeft ingeschreven met een actuele rapportage die bij de prijs is inbegrepen (waarbij slechts de online versie van het rapport als optie was aangeboden) dient te falen nu niet duidelijk is gemaakt met welke tekst AEVO heeft ingeschreven. Daardoor valt bijvoorbeeld niet te toetsen of de inschrijving van AEVO een voldoende duidelijk onderscheid bevat tussen de feitelijke inschrijving en de opties die tegen een meerprijs worden aangeboden. Deze opties komen overigens, zoals gezegd, geen betekenis toe bij de waardering van de inschrijving van AEVO.

GC-2B Inventarisatieronde eerste halfjaar

4.16.

In de afwijzingsbrief staat dat de planning van AEVO weliswaar realistisch is, maar dat de omschrijving van de personele inzet, ter onderbouwing van de haalbaarheid, summier is. Een (volledige) omschrijving van de personele inzet was volgens AEVO niet vereist. Deze stelling faalt. Het ligt -evident- in de rede dat een planning voor het soort werk als hier in geding een beschrijving bevat van de wijze van inzet van materieel én mens. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom AEVO mag menen dat personele inzet geen onderdeel uit zou mogen maken van de planning. De voorzieningenrechter onderschrijft dan ook de door de gemeente Rotterdam gegeven motivering.

4.17.

Over de eis tot beschrijving van "de inspanning die van de opdrachtgever gevraagd wordt” wordt als volgt geoordeeld. AEVO stelt in haar dagvaarding dat in haar inschrijving de inspanningen van de gemeente Rotterdam zich beperken tot wat daaromtrent in het Beschrijvend Document is beschreven en dat zij daarnaast zes acties heeft genoemd die niet van de gemeente Rotterdam worden gevraagd. De gemeente Rotterdam heeft in de afwijzingsbrief gesteld dat het haar onvoldoende duidelijk was wat van haar verwacht werd. In de nadere motivering heeft de gemeente Rotterdam verklaard dat het niet realistisch was dat er niets aanvullend van haar werd verwacht, omdat er altijd sprake zal zijn van samenwerking tussen opdrachtnemer en opdrachtgever, waaruit aanvullende inspanning van de gemeente Rotterdam voortvloeit. Dit antwoord is volgens AEVO onduidelijk. De voorzieningenrechter onderschrijft deze stelling niet. AEVO stelt zelf al in haar pleitnota dat zij, als huidige contractant van de gemeente Rotterdam, bekend is met alle ins en outs van de werkzaamheden in kwestie en dat zij precies weet welke inspanningen de gemeente Rotterdam dient te verrichten. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom AEVO deze grondige kennis over de door de gemeente Rotterdam te verrichten inspanningen dan niet heeft opgeschreven in haar inschrijving, in plaats van daarin op te nemen welke inspanningen nu juist niét van de gemeente Rotterdam verwacht werden (dat werd nu juist niet gevraagd).

De voorzieningenrechter kan derhalve uit de stellingen van AEVO niet afleiden wat onjuist is aan de motivering van de gemeente Rotterdam dat op zich wel duidelijk is dat er weinig inspanning van haar wordt gevergd in de inschrijving van AEVO maar dat onvoldoende duidelijk is wat er dan wél verwacht wordt (behalve weinig). Ook hier wreekt zich overigens dat de voorzieningenrechter geen beeld heeft van de tekst van de inschrijving van AEVO.

4.18.

Voorts stelt AEVO in dit verband dat de gemeente Rotterdam niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier dan nog wel meerwaarde had kunnen worden gecreëerd bij het beschrijven van de inspanningen die van de gemeente Rotterdam worden gevergd. Deze stelling faalt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het, uit de aard der zaak, niet aan de gemeente Rotterdam is om het (potentiële) in de markt aanwezige innovatieve vermogen vast te leggen in een Beschrijvend Document. Het is juist aan een inschrijver om haar eventuele innovatieve vermogen, waarmee zij zich positief kan onderscheiden van andere inschrijvers, te verwerken in haar inschrijving. Het ligt niet voor de hand om nog te kunnen spreken van een innovatie wanneer van tevoren een beschrijving wordt gegeven van die innovatie.

4.19.

AEVO stelt dat zij een gedetailleerde rapportage conform bestek heeft aangeboden. De gemeente Rotterdam heeft aangevoerd dat AEVO niet meer heeft gedaan dan een figuur met pijlen in haar inschrijving opgenomen, zonder dat sprake is van een heldere en concreet uitgewerkte beschrijving van de opbouw. De voorzieningenrechter kan niet tot het oordeel gekomen dat deze motivering van de gemeente Rotterdam onjuist is, nu AEVO haar inschrijving niet heeft overgelegd.

GC-2C Plan van aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan

4.20.

AEVO maakt aan de gemeente Rotterdam het verwijt dat de gemeente Rotterdam niet heeft aangegeven hoe AEVO het rapportcijfer 8 had kunnen scoren. AEVO miskent met dit verwijt dat zij zelf de stelplicht heeft. Het is aan AEVO om te stellen en te onderbouwen waarom haar een te laag rapportcijfer is toegekend.

Afgezien hiervan achter de voorzieningenrechter de (in dit vonnis onder De Feiten opgenomen) matrix uit het Beschrijvend Document (waarin de toe te kennen rapportcijfers worden weergegeven, vergezeld van een omschrijving welke voorwaarden er gelden voor toewijzing van ieder van deze rapportcijfers) duidelijk.

GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een OMS systeem

4.21.

De voorzieningenrechter herhaalt hier het oordeel dat het rapportcijfer een optelsom is van meerdere aspecten die gezamenlijk gewogen worden. Als AEVO ten aanzien van (slechts) twee van de vijf benoemde bullet points een voldoende scoort, dan wekt het geen bevreemding dat AEVO uiteindelijk een onvoldoende scoort. De andersluidende stelling van AEVO -dat zij hiermee wel een voldoende zou verdienen- faalt. De voorzieningenrechter onderschrijft ook niet de stelling van AEVO dat de door de gemeente Rotterdam gebezigde termen ‘matig’ en ‘weinig innovatief’ niet gelijk zouden mogen worden gesteld aan ‘(duidelijk) onvoldoende.’ Al deze woorden wijzen erop dat de inschrijving niet voldoet.

4.22.

AEVO stelt ten aanzien van het eerste punt (de organisatie van het actualiseren van objectgegevens) dat in het Beschrijvend Document geen verdere vereisten hierover zijn opgenomen en dat de gemeente Rotterdam in de nadere motivering heeft aangegeven dat “een visie ontbreekt om het gehele informatiemanagement als het ware naar een hoger niveau te tillen.” Volgens AEVO is deze voorwaarde niet als vereiste opgenomen in het Beschrijvend Document. Deze stelling faalt. Deze bewoordingen sluiten naar het oordeel van de voorzieningenrechter juist (wel) goed aan bij de voorwaarden (in de matrix) die gelden voor toekenning van het rapportcijfer zes, zijnde de voldoende die AEVO op dit onderdeel is toegekend. Van een gunningcriterium dat pas is geformuleerd na de inschrijving, is derhalve geen sprake. Ook in de rest van haar motivering sluiten de door de gemeente Rotterdam gebezigde bewoordingen genoegzaam aan bij het rapportcijfer dat aan AEVO is toegekend. Voor zover AEVO zich op een andersluidend standpunt stelt, acht de voorzieningenrechter dit ver gezocht en niet realistisch.

4.23.

Ten aanzien van het tweede punt ‘de overdracht van kennis’ stelt AEVO in haar aanbieding dat zij alle stappen heeft beschreven van het proces van de kennis- en gegevensoverdracht. Deze stelling faalt reeds omdat AEVO haar inschrijving niet heeft overgelegd, bij gebreke waarvan niet (goed) valt te toetsen op welke wijze AEVO heeft ingeschreven respectievelijk of de desbetreffende motivering van de gemeente Rotterdam genoegzaam is. Afgezien hiervan acht de voorzieningenrechter de door de gemeente Rotterdam verstrekte motivering voor het door haar toegekende rapportcijfer voldoende duidelijk.

4.24.

Ten aanzien van het derde punt, ‘voorstellen voor verbeteringen in het OMS systeem,’ is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door de gemeente Rotterdam gehanteerde bewoordingen van “matig” en “weinig innovatief” een deugdelijke motivering vormen om tot uitdrukking te brengen dat de inschrijving van AEVO onvoldoende is op dit onderdeel. In het Beschrijvend Document worden overigens “Innovaties,” anders dan AEVO stelt, wél als gunningcriterium geformuleerd bij GC-2D. De gemeente Rotterdam heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat “innovaties” betrekking hebben op geheel GC-2D. Van een eerst na afloop geformuleerd gunningscriterium is derhalve geen sprake.

4.25.

Ten aanzien van het vierde punt, ‘het actualiseren van gegevens in het OMS systeem,’ stelt AEVO dat zij in haar inschrijving heeft opgenomen dat zij in 2016 een nieuw OMS systeem implementeert “met nog meer en betere functionaliteit.” Volgens AEVO betekent dit dat zij wél een geautomatiseerde verbetering heeft voorgesteld voor het OMS systeem. De voorzieningenrechter onderschrijft deze stelling niet. Een nieuw systeem is niet zonder meer een beter systeem en uit de stellingen van AEVO valt niet af te leiden waaruit de door haar gestelde verbeteringen nu eigenlijk bestaan.

4.26.

Ten aanzien van het vijfde punt, ‘innovaties’, heeft AEVO aangeboden de decompositie conform NEN 2767 toe te passen op het beheerssysteem van de Gemeente BSB en de inspectielijsten. AEVO beschouwt dit (wel) als een innovatie. AEVO betwist dat de gemeente Rotterdam thans al werkt conform NEN 2767 en in zoverre acht AEVO de andersluidende motivering van de gemeente Rotterdam onjuist. De voorzieningenrechter volgt deze stelling niet. De voorzieningenrechter leidt uit de motivering van de gemeente Rotterdam af dat zij de onderhavige NEN-norm grotendeels wel gebruikt maar niet volledig (in de woorden van de nadere motivering: “We hebben de decompositie en deze wordt ook gebruikt. Alleen voldoet de decompositie strikt genomen nog niet aan de laatste versie van de gestelde NEN 2767 norm.”). Wat daaraan onjuist is blijkt niet uit de stellingen van AEVO. Als toepassing van NEN 2767 kwalificeert als een innovatie, dan had het op weg van AEVO gelegen om in de onderhavige procedure dit innovatieve karakter te onderbouwen, maar dat doet zij niet. Derhalve kan, ook indien aangenomen zou mogen worden dat de gemeente Rotterdam niet werkte met deze norm, nog steeds niet worden geoordeeld dat het invoeren van deze norm een innovatie is. Afgezien hiervan baseert AEVO haar standpunt dat de gemeente Rotterdam niet zou werken met voormelde NEN-norm op de Nota van Inlichtingen, maar ook dat geschrift is niet ingebracht in de onderhavige procedure.

4.27.

De gemeente Rotterdam heeft de scores en relatieve positie van AEVO ten opzichte van Istimewa meedegedeeld als onderbouwing van de gunningsbeslissing. Voorts heeft de gemeente Rotterdam de eindscores bekend gemaakt zowel van AEVO als Istimewa. Ook heeft de gemeente Rotterdam de specifieke kenmerken van de scores van AEVO opgenomen en de redenen waarom niet steeds de maximale score is toegekend. Voorts heeft de gemeente Rotterdam in het Beschrijvend Document duidelijk omschreven (in de matrix) welke inspanningen een inschrijver diende te verrichten om de in de matrix genoemde rapportcijfers te verdienen en valt de motivering van de gemeente Rotterdam rechtstreeks te herleiden tot deze omschrijving. Aldus heeft de gemeente Rotterdam naar het oordeel van de rechter voldaan aan haar motiveringsplicht. De omstandigheid dat de gemeente Rotterdam één rapportcijfer heeft toegekend voor ieder van de vier kwalitatieve gunningcriteria is niet onjuist. Integendeel, in het Beschrijvend Document staat dat voor ieder van deze vier criteria één score kan worden behaald (van maximaal 250 punten). Er staat niet in dat een rapportcijfer zal worden toegekend op ieder subonderdeel (“bullet point”) van deze vier criteria. Afgezien hiervan had het op weg van AEVO om hier van tevoren vragen stellen aan de gemeente Rotterdam als een en ander niet voldoende duidelijk was voor haar. De stelling van AEVO dat de gemeente Rotterdam in haar motivering niet goed duidelijk heeft gemaakt waarom de inschrijving van AEVO op onderdelen onduidelijk was, is, bij gebreke van overlegging van de inschrijving van AEVO in de onderhavige procedure, zodat de voorzieningenrechter niet in staat is zich een eigen beeld te vormen, onvoldoende onderbouwd.

4.28.

AEVO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de gemeente Rotterdam. Deze kosten worden begroot op € 1.435,-, zijnde

€ 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en

€ 619,- aan griffierecht.

de vorderingen van Istimewa

4.29.

De voorzieningenrechter neemt het hiervoor gegeven oordeel hier over. Dit impliceert dat de vorderingen van Istimewa toewijsbaar zijn.

4.30.

De voorzieningenrechter begrijpt dat Istimewa wel een proceskostenveroordeling verlangt van AEVO, maar niet van de gemeente Rotterdam. AEVO zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Istimewa. Deze kosten worden begroot op € 1.435,-, zijnde € 816,- aan salaris advocaat (standaard tarief kort geding volgens de Liquidatietarieven) en € 619,- aan griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

de vorderingen van AEVO

5.1.

wijst de vorderingen van AEVO af,

5.2.

veroordeelt AEVO in de proceskosten van de gemeente Rotterdam, tot op heden begroot op € 1.435,-

de vorderingen van Istimewa

5.3.

wijst de vorderingen van AEVO af,

5.4.

verbiedt de gemeente Rotterdam de inschrijving van AEVO te beoordelen als de Economisch Meest Voordelige Inschrijving,

5.5.

veroordeelt AEVO in de proceskosten van Istimewa, tot op heden begroot op

€ 1.435,-

5.6.

verklaart dit vonnis (ten aanzien van het door Istimewa gevorderde) voor wat betreft het onder 5.4 en 5.5 bepaalde zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.

2517/2009