Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:969

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
4583589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet afgewezen; sprake van een dringende reden, van ernstig verwijtbaar handelen door werknemer.

Tegenverzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/400
AR-Updates.nl 2016-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4583589 HA VERZ 15-234

u4291091 \ VZ VERZ 15-15049itspraak: 1 februari 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te ‘s Gravenzande,

verzoeker,

verzoeker in het incident,

verweerder in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.J. Blom,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Jenbacher B.V.,
gevestigd te Sliedrecht,

verweerster,

verweerster in het incident,

indiener van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. Oster.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en Jenbacher.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 7 december 2015;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het (voorwaardelijke) tegenverzoek van Jenbacher;

  • -

    het verweerschrift van [verzoeker] tegen het door Jenbacher ingestelde tegenverzoek;

  • -

    het proces-verbaal van de op 21 december 2015 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde stukken.

De beschikking is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

Jenbacher is onderdeel van het internationale concern General Electric (GE) dat zich bezighoudt met energievoorziening, infrastructuur, olie en gas infrastructuur, luchtvaart, transport, medische apparatuur en financiële dienstverlening. Jenbacher maakt en levert (bio)gasmotoren en warmtekrachtkoppelingen. Jenbacher produceert en levert daarvoor eveneens machines die in staat zijn om stroom, warmte en CO2 op te wekken.

2.3

[verzoeker] is op 1 januari 2008 in dienst getreden van Jenbacher. Laatstelijk verdiende hij een salaris van € 4.783,95 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“(…)

Artikel 13 - Nevenactiviteiten
Deze arbeidsovereenkomst geschiedt onder de bijzondere voorwaarde dat geen bevoegdheid is verleend om voor derden werkzaamheden in loondienst te verrichten, dan wel als zelfstandige werkzaam te zijn tegen betaling, tenzij de werknemer de werkgever om toestemming vraagt en deze zijn toestemming hiervoor geeft (zie hiervoor ook de bijlagen).

Artikel 14 – Geheimhouding

De werknemer verplicht zich tijdens het dienstverband, alsmede gedurende 1 jaar na beëindiging van het dienstverband, tot geheimhouding jegens derden omtrent de informatie waarvan hij redelijkerwijs begrijpen kan dat het in openbaarheid brengen van deze informatie de werkgever kan schaden in diens belang (zie hiervoor ook de bijlagen).

(…)”

2.4

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat de vriendin van [verzoeker] ingeschreven met een eenmanszaak, genaamd [bedrijfsnaam]. [verzoeker] verricht naast zijn werkzaamheden voor Jenbacher eveneens werkzaamheden voor [bedrijfsnaam]. Op het LinkedIn-profiel van [verzoeker] staat dat [verzoeker] sinds januari 2014 werkzaam is als It Solution Architect/Infrastructure Consultant bij [bedrijfsnaam]. Op de website van [bedrijfsnaam] staat informatie over koppelingen om een warmtekrachtinstallatie continu te monitoren vanuit een servicecenter.

2.5

In de periode van eind 2014 – begin 2015 zijn de activiteiten met betrekking tot het onderhoud van de machines door Jenbacher ondergebracht bij Granite Services International [hierna: Granite]. De activiteiten rondom de verkoop van machines is gebleven bij Jenbacher. In die periode zijn enkele werknemers en een aantal klanten van Jenbacher overgestapt naar Engine Competence Service B.V. [hierna: ECS], een concurrent van Jenbacher (opgericht door o.a. de heer [B.], voormalig adviseur van Jenbacher), waaronder [M.] [hierna: [M.] en [H.] [hierna: [H.]], voormalig Field Technician Mechanical Specialist bij Granite, die als taak had om bij klanten van Jenbacher langs te gaan en eventuele onderhoudsproblemen aan hun machines te verhelpen.

2.6

In januari 2015 is door enkele (andere) voormalig werknemers van Jenbacher, die inmiddels waren overgestapt naar de Oostenrijkse concurrent ECI, ingebroken bij de Oostenrijkse vestiging van Jenbacher. Daarbij zijn onder meer laptops, blauwdrukken van machines en strategische bedrijfsrapporten gestolen. De betrokken oud-medewerkers zijn in Oostenrijk strafrechtelijk veroordeeld. In diezelfde periode is ingebroken in de vestiging van Jenbacher in Alblasserdam. Daarbij zijn 23 laptops ontvreemd. Jenbacher heeft hiervan (initiële) aangifte gedaan, waarna een uitgebreid onderzoek door de politie is gestart.

2.7

De op 1 maart 2015 naar ECS overgestapte [H.] heeft na enige tijd zijn dienstverband bij ECS beëindigd en is vervolgens weer in dienst getreden van Granite. [H.] heeft na zijn indiensttreding tegenover Jenbacher verklaard dat hij tijdens zijn dienstverband bij ECS, bij bezoek aan klanten tezamen met zijn collega van ECS [M.], heeft waargenomen dat [verzoeker] herhaaldelijk ECS heeft geholpen om communicatie tussen de machines van Jenbacher en het computersysteem van ECS tot stand te brengen.

2.8

Voormelde verklaring is afgelegd tijdens een gesprek dat op 6 juli 2015 heeft plaats gevonden tussen [H.] en Granite ten kantore van de advocaat van Jenbacher. Aan het 7 pagina’s tellende gespreksverslag, dat is weergegeven vanuit het perspectief van [H.] en op 24 juli 2015 (ook) door [H.] is ondertekend, zijn – voor zover van belang – de navolgende passages ontleend.
“(…)
Ik ging op een dag met [M.] mee bij klanten langs. Hij ging daar kastjes plaatsen zodat je op afstand kan inbellen op de motoren. Op deze motoren zat een GE beveiliging. Die moest eruit worden gehaald. (…)

(…)

Vervolgens belde [M.] naar [verzoeker]). Hij is het hoofd ICT bij GE in Alblasserdam. [verzoeker] heeft op de naam van zijn vriendin een ICT bedrijf en daarmee factureert hij [W.]/ECS. GE/Granite betaalt hem salaris en onder het werk is hij ook voor [W.] bezig. [verzoeker] doet dat door verbinding te maken met de kastjes van ECS en configureert de motor en het kastje met elkaar. [M.] belde met [verzoeker] en ik heb foto’s van scherm waarop te zien is dat [verzoeker] aan het mee typen is met Webex.

Nadat [M.] met [verzoeker] had gebeld, nam [verzoeker] op afstand de laptop over. Dit deed hij gewoon vanuit het kantoor van GE. [verzoeker] kon zo alles inlezen. De laptops die wij kregen vanuit ECS, maar waren geregeld door [verzoeker] want we hadden exact dezelfde laptop als bij GE. (…)

(…)

Het moment met [verzoeker] was niet eenmalig, maar gebeurde iedere keer. Overal waar [W.] kwam moest zo’n kastje komen. Een voorbeeld is een klant die vier motoren had en op ieder van die motoren moest zo’n kastje komen. Bij iedere kast zag ik het contact met [verzoeker]. De klant had daarvan een contract met GE gehad.

Er werd op zo’n moment een paar keer via de laptop en telefoon contact gezocht met [verzoeker]. [verzoeker] nam dan de laptop over als het niet lukte. Als [verzoeker] de laptop van [M.] moest overnemen, dan was dat zichtbaar op kantoor. [M.] moest dan wachten totdat [verzoeker] klaar was. De motoren waren al wel vrij en niet onder contract bij GE. [verzoeker] zette de boel dan om zodat de beveiliging van GE werd gewist uit het systeem en het kastje van [M.] werd geconfigureerd zodat de motor en het modem communiceerden. De software is waarschijnlijk van GE en wordt dan gemanipuleerd.
(…)”

2.9

Op 4 augustus 2015 heeft Jenbacher, na overleg met de politie, de eerder gedane initiële aangifte van de diefstal uitgebreid tot aangifte tegen o.a. [M.] en [verzoeker]. Het onderzoek loopt nog.

2.10

Op 10 augustus 2015 heeft Jenbacher een gesprek met [verzoeker] gevoerd en is [verzoeker] op non-actief gesteld. Bij brief van dezelfde datum is dit aan [verzoeker] bevestigd.

In deze brief wordt onder meer het volgende gemeld:

“(…)

De reden van uw schorsing is gelegen in het feit dat wij het vermoeden hebben dat u de procedures en geldende regels bij GE niet op de juiste wijze hebt nageleefd en zich schuldig hebt gemaakt aan ernstig verwijtbare gedragingen waaronder het overtreden van nevenwerkzaamhedenbeding, en het samenwerken met ECS, een concurrent van ons. Gelet op de ernst van voornoemde vermoedens zien wij ons genoodzaakt nader onderzoek te verrichten naar uw handelwijze.

Gedurende het onderzoek wordt u, met behoud van salaris, geschorst.

(…)

Zodra het onderzoek is afgerond, zullen wij u uitnodigen voor een gesprek om de uitkomsten van het onderzoek te bespreken.

(…)”

2.11

Bij brief van 18 augustus 2015 heeft de advocaat van [verzoeker] gronden voor de op non-actiefstelling betwist en verzocht deze op te heffen.

2.12

Op 25 augustus 2015 is [verzoeker] aangehouden door de politie en in voorlopige hechtenis gesteld tot 11 september 2015.

2.13

Bij schrijven van 2 september 2015 heeft Jenbacher [verzoeker] gemeld dat in verband met zijn detentie de doorbetaling van zijn salaris met ingang van 25 augustus 2015 is stopgezet. Bij e-mail van dezelfde datum heeft Jenbacher de advocaat van [verzoeker] laten weten te persisteren in de op non-actiefstelling gedurende het nog lopende onderzoek onder bijsluiting van voormelde brief aan [verzoeker].

2.14

Bij brief van 10 september heeft Jenbacher [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 16 september 2015.

2.15

Op of omstreeks 16 september 2015 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.

2.16

Op 17 september 2015 heeft [verzoeker] een bezoek gebracht aan de bedrijfsarts die naar aanleiding daarvan als volgt heeft geadviseerd:

“(…)
Betrokkene is thans wegens ziekte buiten staat om zelf in gesprek te gaan met zijn werkgever en geadviseerd wordt om dat de komende weken te respecteren (bv de komende 2 weken).
(…)”

2.17

Op 29 september 2015 heeft Jenbacher de volgende brief geschreven aan de advocaat van [verzoeker]:

“(…)

At this stage, my client has discovered that your client:

  • -

    has violated article 13 of his employment agreement by performing ancillary activities without the prior consent of the Company;

  • -

    has engaged in activities that are in direct competition with the Company;

  • -

    has provided services and co-operations to ECS, a competitor of the Company;

  • -

    has violated his duty of confidentiality, including his obligations referred to in article 14 of his employment agreement;

  • -

    has violated the intellectual property rights of the Company and its affiliates;

  • -

    has seriously breached internal guidelines, rules and instructions on IT safety and security by – among others – creating and/or tolerating the possibility to access raw internet;

  • -

    has engaged in non-government bribery (niet-ambtelijke omkoping); and

  • -

    has intentionally and seriously endangered the Company’s property.

The above-mentioned allegations are solely and conjointly of such a serious nature that the Company considers taking immediate disciplinary action against your client, which may include his dismissal with immediate effect. Before doing so, the Company wishes to give your client the opportunity to respond to these allegations. However, since your client appears to be unable to meet with representatives of the Company in person, your client is hereby given the opportunity to respond to the above in writing.

(…)”

2.18

Op 2 oktober 2015 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een brief gestuurd aan Jenbacher waarin hij heeft verzocht om een Nederlandstalige versie van de brief en een langere termijn om te mogen reageren. Jenbacher heeft de termijn uitgesteld tot 5 oktober 2015. Van de zijde van [verzoeker] is geen reactie gekomen, waarna Jenbacher [verzoeker] op 6 oktober 2015 op staande voet heeft ontslagen.

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1

[verzoeker] verzoekt dat bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. het op 6 oktober 2015 gegeven ontslag nietig wordt verklaard [de kantonrechter leest: wordt vernietigd];

  2. wordt gelast dat [verzoeker] te werk wordt gesteld in zijn functie van ‘cliënt service leader’ met alle daarbij behorende taken binnen uiterlijk 2 dagen zulks op straffe van een dwangsom van € 225,00 voor elke dag of deel daarvan dat Jenbacher na betekening van de beschikking in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

  3. Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.783,95 bruto per maand, alsmede al het overige dat [verzoeker] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, cao, wet of andere regeling verschuldigd is of zal zijn, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, over en na 1 september zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

  4. Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van 50% over het onder c genoemde bedrag;

  5. Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 918,52 aan buitengerechtelijke kosten;

  6. Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over alle voornoemde bedragen;

subsidiair

Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling binnen twee dagen van de billijke vergoeding ter hoogte van € 77.500 bruto onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 19.135,80 bruto op grond van artikel 7:672 lid 9 BW;

Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding van € 38.750,00 bruto onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.128,86 aan buitengerechtelijke kosten;

Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag dat deze bedragen verschuldigd zijn;

primair en subsidiair

veroordeling van Jenbacher in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de beschikking.

3.2

Bij wijze van voorlopige voorziening vordert [verzoeker] dat Jenbacher wordt veroordeeld tot betaling van het loon van € 4.783,95 bruto per maand, alsmede al het overige dat [verzoeker] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, cao, wet of andere regeling verschuldigd is of zal zijn, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, over en na
1 september zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

3.3

[verzoeker] voert aan dat het door Jenbacher op staande voet gegeven ontslag vernietigbaar is, omdat geen sprake is van een dringende reden en het ontslag niet onverwijld is gegeven. [verzoeker] legt nakoming van de arbeidsovereenkomst aan de overige primair ingestelde vorderingen ten grondslag. Subsidiair vordert [verzoeker] betaling van de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding.

3.4

Het verweer van Jenbacher strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker]. Zij stelt dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en dus van een dringende reden en de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd met gelijktijdige mededeling van de reden aan [verzoeker].

4 Het tegenverzoek van Jenbacher

4.1

Jenbacher verzoekt dat, voor zover de opzegging van 6 oktober 2015 vernietigd wordt, dan wel voor zover de arbeidsovereenkomst na hoger beroep wordt hersteld, de arbeidsovereenkomst tussen Jenbacher en [verzoeker] dadelijk of op korte termijn wordt ontbonden.

4.2

Jenbacher legt aan dit verzoek ten grondslag dat sprake is van de volgende redelijke gronden voor ontbinding:

  1. verwijtbaar handelen (art. 7:699 lid 3 onder e BW);

  2. verstoorde arbeidsverhouding (art. 7:669 lid 3 onder g BW);

  3. overige omstandigheden die rechtvaardigen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd (art. 7:669 lid 3 onder h BW).

4.3

[verzoeker] voert verweer. Naast hetgeen hij aan zijn verzoekschrift ten grondslag heeft gelegd, voert hij aan dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie.

5 De beoordeling

De verzoeken van [verzoeker]

5.1

Kern van het tussen partijen gerezen geschil is de vraag of het door Jenbacher gegeven ontslag rechtsgeldig is gegeven. Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

Dringende reden

5.2

Jenbacher stelt dat sprake is van een dringende reden nu [verzoeker] - kort gezegd - in strijd met de artikelen 13 en 14 van de arbeidsovereenkomst werkzaamheden heeft verricht voor een directe concurrent en met die concurrent eveneens bedrijfsinformatie heeft gedeeld, zoals ook is verklaard door [W.] [verzoeker] weerspreekt dit. Hij betwist niet de gestelde werkzaamheden te hebben verricht, maar voert aan dat hij dat heeft gedaan voor de eenmanszaak van zijn vriendin, hetgeen volgens [verzoeker] op grond van artikel 13 van de arbeidsovereenkomst is toegestaan, nu daarin slechts een verbod is opgenomen voor het verrichten van werkzaamheden in loondienst dan wel als zelfstandige.

5.3

Als niet betwist staat vast dat [verzoeker] – via de eenmanszaak van zijn vriendin – werkzaamheden heeft verricht voor ECS. Voorts staat vast dat ECS een directe concurrent van Jenbacher is. [verzoeker] heeft in het bijzonder niet weersproken dat de door [H.] geschetste gebeurtenis zoals hierboven onder 2.7 is weergegeven in grote lijnen heeft plaatsgevonden. Hij tekent daarbij slechts aan dat hij geen hulp heeft geboden terwijl hij aan het werk was bij Jenbacher en dat hij geen beveiliging van Jenbacher heeft gewist. In zijn verweerschrift erkent [verzoeker] dat hij meermaals ondersteuning heeft aangeboden aan ECS en dat hij hiervoor heeft gefactureerd vanuit de eenmanszaak van zijn vriendin. Daarmee heeft [verzoeker] jegens Jenbacher – ook naar het oordeel van de kantonrechter – ernstig verwijtbaar gehandeld. Van [verzoeker] mocht worden verwacht dat hij zich op grond van zijn dienstverband - en in het bijzonder artikel 13 van de arbeidsovereenkomst – ervan zou onthouden om gelijksoortige werkzaamheden te verrichten voor een directe concurrent van Jenbacher. Dat [verzoeker] deze werkzaamheden heeft verricht vanuit de eenmanszaak van zijn vriendin, voor zover dat al zou moeten worden aangenomen, doet daar niet aan af. De werkzaamheden zijn immers feitelijk verricht door [verzoeker] en ook het op een dergelijke wijze indirect werkzaamheden verrichten voor een concurrent valt onder het bereik van een redelijke uitleg van artikel 13 van de arbeidsovereenkomst. Bovendien mag van een ‘goed werknemer’ als bedoeld in artikel 7:611 BW in het algemeen worden verwacht dat hij, behoudens uitdrukkelijke toestemming daartoe van zijn werkgever, geen werkzaamheden gaat verrichten voor een directe concurrent van zijn werkgever. Een daartoe strekkend nadrukkelijk beding in de arbeidsovereenkomst is niet vereist.

5.4

Nu het vorenstaande een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet behoeven de overige door Jenbacher gestelde gronden geen bespreking.

Onverwijlde opzegging

5.5

Jenbacher stelt ten aanzien van de onverwijldheid van het ontslag het volgende. Nadat zij bekend was geworden met de verklaringen die [H.] heeft gegeven, heeft zij onderzoek verricht naar [verzoeker]. Gedurende het onderzoek is hij op non-actief gesteld en toen het onderzoek was afgerond is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld op de bevindingen te reageren. Nadat hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt is hij op staande voet ontslagen.

[verzoeker] betwist dat het ontslag onverwijld is gegeven. Hij voert aan dat de feiten al lange tijd bij Jenbacher bekend waren en dat Jenbacher het onderzoek niet voortvarend heeft uitgevoerd. Daarnaast voert hij aan dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden omdat hij op het moment dat hij in de gelegenheid werd gesteld te reageren arbeidsongeschikt was.

5.6

Vaststaat dat het gesprek met [H.], dat de aanleiding is geweest voor onderzoek en het uiteindelijke ontslag van [verzoeker], heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015; het verslag daarvan is afgerond op 24 juli 2015. Op 10 augustus 2015 heeft vervolgens een gesprek met [verzoeker] over een en ander plaatsgehad en is hem schriftelijk, met redenen omkleed, de op non-actiefstelling aangezegd lopende het onderzoek. Dat Jenbacher naar aanleiding van de verklaring van [H.] niet reeds gelijk op 10 augustus tot ontslag is overgegaan, maar eerst nader onderzoek wilde te verrichten, valt Jenbacher – anders dan [verzoeker] meent – niet te verwijten. Integendeel, een werkgever dient bij het nemen van een dergelijk ingrijpende maatregel niet uitsluitend af te gaan op verklaringen van een medewerker. Wel kan met [verzoeker] worden vastgesteld dat het onderzoek zich over een lange periode heeft uitgestrekt. Eerst eind september is dit onderzoek afgerond, waarna op 6 oktober het ontslag volgde. Er zit derhalve een periode van twee maanden tussen de op non-actiefstelling en het ontslag. Jenbacher heeft daarvoor echter valide redenen gegeven. Het nader te verrichten onderzoek was – naar zij stelt – omvangrijk, omdat het zich niet beperkte tot gedragingen van [verzoeker], maar dit onderdeel was een groter onderzoek (bestaande uit forensisch IT onderzoek en gesprekken met collega’s) naar alle gebeurtenissen (mogelijk) betrekking hebbende op de verhouding tussen ECS en Jenbacher. Daarbij komt dat na afronding van het onderzoek Jenbacher [verzoeker] in de gelegenheid heeft willen stellen daarop te reageren. Dat [verzoeker] daarvan geen gebruik heeft gemaakt, kan Jenbacher niet worden verweten. Het enkele feit dat [verzoeker] arbeidsongeschikt was op het moment dat Jenbacher hem heeft geïnformeerd over het door haar voorgenomen ontslag op staande voet betekent ook niet dat Jenbacher [verzoeker] onvoldoende gelegenheid heeft gegeven voor wederhoor. [verzoeker] is immers ook na de twee weken rust als voorgeschreven door de bedrijfsarts nog in de gelegenheid geweest te reageren, waarvan hij ook toen geen gebruik heeft gemaakt, waarna Jenbacher wel gelijk tot aanzegging van het ontslag is overgegaan. Aan het vereiste van onverwijldheid is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook voldaan.
Ten slotte is van belang dat – anders dan door [verzoeker] nog is aangevoerd – ook de reden van het ontslag hem voldoende duidelijk is gemaakt, zowel bij de aanzegging van de op non-actiefstelling als bij het de aanzegging van het ontslag zelf. Dat laatstgenoemde brief in het Engels is gesteld doet daaraan niet af, nu als niet weersproken vaststaat dat binnen het concern Engels de voertaal is.

5.7

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek tot vernietiging van de opzegging worden afgewezen. De overige door [verzoeker] ingestelde vorderingen zullen, behoudens het navolgende, worden afgewezen nu deze alle afhankelijk zijn van het verzoek tot vernietiging.

5.8

De vordering tot doorbetaling van het loon is toewijsbaar voor de periode van 1 september 2015 tot 6 oktober 2015, de datum van het ontslag. Loondoorbetaling gedurende de schorsingsperiode komt voor rekening en risico van Jenbacher (HR 21 maart 2003 (Van der Gulik/Vissers en partners), LJN AF3057, JAR 2003/91). De kantonrechter ziet, gelet op de gedragingen van [verzoeker], geen reden om de wettelijke verhoging toe te passen. De wettelijke rente over het achterstallige salaris is toewijsbaar als hierna bepaald.

De gevorderde transitievergoeding is niet voor toewijzing vatbaar, nu hiervoor is geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.

Gelet op een en ander heeft [verzoeker] geen belang meer bij de gevorderde voorlopige voorziening.

Het tegenverzoek van Jenbacher

5.9

Nu het verzoek tot vernietiging van de opzegging wordt afgewezen, heeft het voorwaardelijk verzoek van Jenbacher tot ontbinding van de overeenkomst enkel nog betrekking op de situatie dat de arbeidsovereenkomst in hoger beroep door het gerechtshof wordt hersteld. Daarover wordt als volgt overwogen.

Over de vraag of werkgeefster wel belang heeft bij een dergelijk verzoek wordt in de literatuur verschillend gedacht. Enerzijds doet de gedachte opgeld dat een inhoudelijk andersluidende beoordeling van het geschil in hoger beroep zich zal gaan vertalen in een billijke vergoeding, zodat het ontslag in stand zal blijven en de voorwaardelijke ontbinding geen toegevoegde waarde heeft. Anderzijds is dit geen wetmatigheid en blijft er de mogelijkheid dat alsdan de arbeidsovereenkomst wordt hersteld. Over de vraag of dit dan in een nieuwe arbeidsovereenkomst resulteert of dat dit moet worden gezien als een voortzetting van de oude wordt ook niet eensluidend gedacht. Al met al kan bij deze stand van zaken niet geconcludeerd worden dat werkgeefster geen enkel belang heeft of kan hebben bij haar verzoek. Nu Jenbacher het voorwaardelijk verzoek primair grondt op artikel 7:699 lid 3 onder e BW (verwijtbaar handelen) en daartoe een beroep doet op dezelfde feiten en omstandigheden als waarop de dringende reden voor het ontslag op staande voet is gegrond, zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden. Daarbij hoeft, gelet op het bepaalde in artikel 671b lid 8 sub b BW en het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen (onder 5.3), geen rekening te worden gehouden met enige termijn. De ontbinding zal daarom per heden worden uitgesproken.

5.10

De overige gestelde redelijke gronden behoeven gelet op het vorenstaande geen bespreking.

Proceskosten

5.11

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt Jenbacher tot betaling van het loon van € 4.783,95 bruto per maand over de periode van 1 september 2015 tot 6 oktober 2015, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het loon verschuldigd was tot aan de dag van algehele voldoening;

voor zover de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld, ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen Jenbacher en [verzoeker] per 1 februari 2015;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten tot op heden aan de zijde van Jenbacher begroot op € 800,00;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. Heevel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371