Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9514

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
ROT 15/6959
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2943, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugvordering fractiegelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/6959

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2016 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser,

en

de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland, verweerder,

gemachtigden: mr. M.J.O. Copier en mr. T.E.P.A. Lam.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2015 (het primaire besluit) heeft de burgemeester van Lansingerland als voorzitter van de gemeenteraad van Lansingerland besloten om het fractiegeld van

€ 1.400,- over het jaar 2014 van [naam partij] van eiser terug te vorderen.

Bij besluit van 25 september 2015 (het bestreden besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit bekrachtigd.

Eiser en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1

Eiser had in 2014 namens de [naam fractie] zitting in de gemeenteraad van Lansingerland. In 2014 heeft [naam fractie] een fractiebijdrage van € 1.400,- ontvangen in de vorm van een voorschot. Grondslag hiervoor is de Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2014 (de Verordening).

1.2

In de gemeenteraadsvergadering van 19 februari 2015 is de verantwoording van de uitgaven van de fractiegelden over 2014 aan de orde geweest. Tijdens die vergadering bleek dat de [naam fractie] als enige fractie nog geen verantwoording had afgelegd over de besteding van de fractiegelden.

1.3

Op 22 februari 2015 heeft eiser een factuur van € 1.400,- van [onderneming] , [adres] , waarvan hij eigenaar is, op zijn website geplaatst. Het betreft een factuur gericht aan de [naam fractie] , [adres] , en bevat een doorfacturatie voor juridische ondersteuning van een hem bekende jurist. Zowel op de website als op de factuur is vermeld dat de doorfacturatie tot doel heeft te voorkomen dat de naam- en adresgegevens van de betreffende jurist bekend worden en gebruikt kunnen worden voor politieke doeleinden.

1.4

Met het doel te kunnen vaststellen of de fractiegelden correct zijn besteed door [naam fractie] , heeft de burgemeester op 25 maart 2015 in overleg met eiser voorgesteld om de originele nota van de externe adviseur (in vertrouwen) te overleggen. Eiser heeft dit geweigerd. De burgemeester heeft hem er op gewezen dat dit betekent dat het uitbetaalde fractiegeld van € 1.400,- teruggevorderd zal worden.

1.5

Na het nemen van het bestreden besluit is het standpunt ingenomen dat het bevoegde orgaan voor het vaststellen en terugvorderen van fractiegelden de gemeenteraad is. Gelet daarop heeft de gemeenteraad bij besluit van 27 oktober 2016 het primaire besluit en het bestreden besluit bekrachtigd.

2. Eiser heeft aangevoerd dat het niet mogelijk is dat een beslissing op bezwaar wordt genomen door het college van burgemeester en wethouders en het primaire besluit door de burgemeester. De gemeenteraad heeft vervolgens de besluiten bekrachtigd maar kent zijn bezwaarschrift en de stukken niet. Eiser stelt dat hij de originele factuur heeft bijgevoegd en dat daaraan niet afdoet dat het een doorfacturering van kosten betreft. Voorts stelt eiser dat het uitbetalen van fractiegelden aan raadsleden ook bij andere partijen plaatsvindt. Als bewijs draagt hij aan dat de fractie van de [naam partij] een betalingsbewijs heeft overhandigd van betaling aan een eigen raadslid, [naam] . Tenslotte is eiser van mening dat het openbaar maken van de gegevens van de externe jurist gevolgen voor deze persoon zou kunnen hebben en daarom kiest hij ervoor de anonimiteit van deze persoon te handhaven.

3.1

In artikel 11, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat niet bestede fractiegelden binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar teruggestort worden aan de gemeente.

In het tweede lid is bepaald dat onder niet-bestede fractiegelden ook wordt verstaan uitgaven waarvan geen bonnen dan wel betaalbewijzen kunnen worden overlegd.

3.2

In artikel 12, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de fracties een financiële administratie bijhouden van de uitgaven fractiegelden. In deze administratie moet elke uitgave kunnen worden gestaafd aan de hand van een originele bon of betaalbewijs. Alle originele bonnen en betaalbewijzen moeten kunnen worden overlegd.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat elke fractie binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar verantwoording aflegt door het publiceren van de eindafrekening op de website van de fractie en op de gemeentelijke website. Deze eindafrekening bestaat uit een overzicht van alle uitgaven en bevat ook de in artikel 12, lid 1, genoemde bonnen en/of betaalbewijzen.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de jaarlijkse eindafrekening, zoals beschreven in artikel 12, lid 2, wordt geplaatst op de lijst van ingekomen stukken van de raad.

3.3

In artikel 13 van de Verordening is bepaald dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de financiële middelen die een fractie ontvangt.

4. De rechtbank overweegt allereerst dat de gemeenteraad terecht heeft geconstateerd dat hij bevoegd was tot vaststelling en terugvordering van de fractiegelden.
Dit bevoegdheidsgebrek is door middel van het bekrachtigingsbesluit van 27 oktober 2016 hersteld. Verweerder heeft betwist dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van de bezwaren van eiser nu deze in een memo beschreven zijn. Nu eiser zijn standpunt hieromtrent niet nader heeft onderbouwd, zal dat worden gepasseerd. Nu voorts niet aannemelijk is dat eiser door het gebrek in het primaire besluit en in het bestreden besluit is benadeeld, zal dit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd.

5.1

Vast staat dat eiser niet de originele factuur van de externe jurist heeft overgelegd. Gelet daarop is niet voldaan aan artikel 12 van de Verordening. Eiser stelt dat hij er belang bij heeft de gegevens van de externe jurist niet openbaar te maken. Eiser was echter als gemeenteraadslid bekend met het bepaalde in artikel 12 van de Verordening en kon dus voorafgaand aan de inschakeling van een extern jurist weten dat de originele factuur van die jurist overgelegd zou moeten worden in het kader van de verantwoording van de besteding van de fractiegelden. Bovendien is aan het bezwaar van eiser tegemoet gekomen doordat hem de gelegenheid is geboden om alsnog in vertrouwen de originele factuur aan de voorzitter van de gemeenteraad te tonen. Van deze gelegenheid heeft eiser echter geen gebruik gemaakt. Onder deze omstandigheden komen de consequenties van de niet naleving van artikel 12 van de Verordening voor rekening van eiser.

5.2

Gelet daarop was verweerder op grond van het bepaalde in artikel 13 van de
Verordening in samenhang met titel 4.2 van de Awb bevoegd de fractiegelden op nihil vast te stellen en de fractiegelden van € 1.400,- van eiser terug te vorderen. Hoewel in het bestreden besluit de vaststelling op nihil niet expliciet is vermeld, is de rechtbank van oordeel dat dit daarin wel besloten ligt.

5.3

Ten aanzien van eisers stelling dat het uitbetalen van fractiegelden aan raadsleden ook bij andere partijen plaatsvindt, waarbij hij stelt dat de fractie van de [naam partij] een betalingsbewijs heeft overhandigd van betaling aan een eigen fractielid, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan ook zij, dit los staat van het feit dat eiser moet voldoen aan de bepalingen in de Verordening en hij dus een originele factuur had moeten overleggen. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat het door eiser aangehaalde voorbeeld niet dezelfde situatie betreft omdat [naam] op het moment van declaratie van kosten bij de gemeenteraadsfractie van de [naam partij] , geen gemeenteraadslid was.

6. De beroepsgronden treffen geen doel. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.