Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9464

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-12-2016
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
ROT 16/7480
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo tegen onvoldoende waarderen van toets - nog 2 herkansingen - geen spoed - afw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/7480

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 december 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

en

de examencommissie voor de Beroepsopleiding Advocaten, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W.P. de Boer.

Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 7 december 2016 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Bij het primaire besluit van 27 juli 2016 heeft verweerder de toets Jaarrekeninglezen beoordeeld met het cijfer 5,2. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 17 oktober 2016 heeft verweerder 1 extra punt toegekend aan de open vragen en het cijfer vastgesteld op 5,4.

3. Eiser bestrijdt de waardering van de toets en stelt dat hij niet kan wachten op de uitkomst van de beroepsprocedure, omdat de herkansing van de toets op 17 december 2016 zal plaatsvinden.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het binnenkort deel (moeten) nemen aan een geplande herkansing geen spoedeisend belang oplevert en verwijst daarbij naar de door hem overgelegde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 30 november 2016 in een soortgelijke zaak.

5.1.

De voorzieningenrechter ziet ten aanzien van de spoedeisendheid geen grond om in essentie anders te oordelen dan is geschied in de genoemde uitspraak van 30 november 2016. Het bestreden besluit heeft nu nog geen verstrekkende of onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, omdat dit besluit geen beëindiging van zijn opleiding tot gevolg heeft en verzoeker nog twee mogelijkheden tot herkansing heeft. Het eerste moment tot herkansing zal plaatsvinden op 17 december 2016. De tweede en laatste herkansing zal op een (veel) later moment kunnen plaatsvinden. Pas bij een negatief resultaat van deze laatste toetsmogelijkheid zullen onomkeerbare gevolgen optreden in de vorm van een beëindiging van verzoekers opleiding.

5.2.

Het gegeven dat al op 17 december 2016 de eerste herkansing zal plaatsvinden, levert ook daarom geen spoedeisend belang op, omdat niet is gebleken dat deelname daaraan een onevenredig grote inspanning van verzoeker zal vragen, gegeven dat de toets al eens is voorbereid en afgelegd, en dat verzoeker er al geruime tijd van op de hoogte is dat hij voor de eerste toets een onvoldoende heeft behaald. Ter zitting heeft verzoeker in dit verband ook verklaard dat hij feitelijk al bezig is met de voorbereiding van de herkansing. Bij het voorgaande weegt mee dat niet is gebleken dat het bestreden besluit – gelet op de uit artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb voortvloeiende beperkingen aan hetgeen in beroep ter discussie kan worden gesteld – in rechte geen stand zal kunnen houden.

6. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Dit proces-verbaal is ondertekend door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzieningenrechter, en C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.