Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9331

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
05-12-2016
Zaaknummer
510352 / HA RK 16-807
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Verzet
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Gronden die eerst ter zitting van de wrakingskamer zijn aangevoerd worden buiten beschouwing gelaten. De rechter heeft ter zitting een voorstel gedaan, wat weliswaar blijk kon geven van de richting waarin de rechter dacht, doch welk voorstel nog geen uitspraak in kort geding inhield. Het doen van een dergelijk voorstel behoort tot de taak van de rechter indien deze daar termen voor aanwezig acht. Het (kennelijke) standpunt van verzoekster dat de rechter pas een dergelijk voorstel mag doen indien deze naar het oordeel van een partij volledig is voorgelicht over het standpunt van die partij, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 510352 / HA RK 16-807

Beslissing van 5 oktober 2016

op het verzoek van

[naam verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. H. Polat te Den Haag,

strekkende tot wraking van:

mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, senior rechter in de rechtbank Rotterdam, team

familie 2.

1 Het procesverloop en de processtukken

1.1

Op 2 september 2016 heeft de voorzieningenrechter in de Afdeling privaatrecht in de rechtbank Rotterdam vonnis in kort geding gewezen in de zaak van verzoekster tegen [naam van de man] (hierna: de man). Deze procedure draagt als kenmerk C/10/508798 / KG ZA 16-976.

1.2

De man is in verzet gekomen tegen voormeld vonnis en heeft verzoekster gedagvaard in kort geding, om op 14 september 2016 te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Het kenmerk van deze procedure luidt C/10/509829 / KG ZA 16-1042.

1.3

Op 14 september 2016 heeft mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, voorzieningenrechter in deze rechtbank (hierna: de rechter), ter terechtzitting met gesloten deuren, het verzet in kort geding behandeld.

1.4

Tijdens de behandeling van de zaak heeft de advocaat van verzoekster wraking van de rechter verzocht.

1.5

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de dossiers van de twee hierboven omschreven procedures.

1.6

Verzoekster, haar advocaat, de rechter en de man en zijn advocaat zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor deze zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 20 september 2016.

1.7

Ter zitting van 23 september 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoekster en haar advocaat verschenen. Zij hebben hun standpunten nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 september 2016 heeft de advocaat van verzoekster, ter onderbouwing van het wrakingsverzoek, opgegeven:

“U heeft al een voorlopig oordeel geveld voordat ik volledig heb kunnen reageren op de eis in reconventie. Daarna wilde ik nog een pleitnota voordragen om aan te tonen dat het verblijf van [naam minderjarige] bij zijn vader gevaarlijk voor hem is. Dit is naar mijn mening een teken van vooringenomenheid. Ik vond het ook al niet gepast dat u net even de zittingzaal bent uitgelopen om te regelen dat andere mensen die deze zaal willen gebruiken naar een andere zaal gaan; u had daarvoor ook een bode kunnen bellen. Ten slotte vind ik dat ik de kans moet krijgen al mijn stukken en verklaringen over te leggen, nu de man ook de gelegenheid heeft gekregen zijn eis in reconventie in te dienen.”

2.2

Ter adstructie van het wrakingsverzoek is namens verzoekster ter zitting van de wrakingskamer het volgende aangevoerd – voor zover relevant en zakelijk weergegeven - :

De rechter heeft door haar gedrag tijdens de behandeling van het verzet in kort geding laten merken persoonlijk partijdig te zijn. Zij heeft niet vermeden dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid is ontstaan.

De volgende feiten en omstandigheden zijn van belang.

  • -

    Tijdens de inleiding aan het begin van de zitting deelde de rechter mede te begrijpen dat de twee oudere kinderen van verzoekster bij de man zijn gaan wonen;

  • -

    De rechter heeft een eis in reconventie van de man toegelaten, terwijl er sprake was van een verzetprocedure met een verkorte dagvaardingstermijn;

  • -

    Tijdens een onderbreking van de behandeling ter zitting heeft de rechter de minderjarige zoon van verzoekster en de man gehoord, zonder verzoekster daarover van tevoren in kennis te stellen;

  • -

    De wijze waarop de rechter verslag heeft gedaan van het gesprek met de minderjarige, in samenhang met het stellen van suggestieve vragen aan verzoekster;

  • -

    De advocaat van verzoekster heeft niet volledig kunnen reageren op de eis in reconventie en heeft geen van belang zijnde stukken kunnen overleggen;

  • -

    Het voorstel van de rechter dat de minderjarige, in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, bij de man verblijft, is een voorlopig oordeel.

2.3

De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.4

De schriftelijke reactie van de rechter van 20 september 2016 luidt:

“De gang van zaken op de kort-geding zitting van 14 september 2016 is weergegeven in het proces-verbaal daarvan.

Ik wil daar slechts het volgende aan toevoegen. Op het moment van wraking was de zitting al ruim vijf kwartier bezig. Gepland was 3 kwartier. Zoals u uit het proces-verbaal kunt opmaken, is mr. Polat daarvan, behoudens de schorsing om haar in de gelegenheid te stellen de eis in reconventie (anderhalf A-4) te lezen en welke schorsing ik heb gebruikt om de minderjarige te horen, het grootste gedeelte van de tijd aan het woord geweest. Toen zij aankondigde dat zij ook nog een pleidooi wenste te houden, heb ik het voorstel gedaan zoals weergegeven in het proces-verbaal. Mr. L.A. Jansen was duidelijk ook onaangenaam verrast bij de mededeling van mr. Polat dat zij nog wenste te pleiten. Het betrof hier immers een kort-geding zitting en geen bodemprocedure. Een bodemprocedure die overigens al aanhangig was gemaakt.

Het is juist dat ik de zitting nog heel even heb geschorst toen er zeer veel rumoer achter de zaal was te horen. De zitting was namelijk al zover uitgelopen dat een andere zittingscombinatie op de rol stond van de zaal gebruik te maken. Ik wilde mij er alleen even van verwittigen of die combinatie er inmiddels in was geslaagd een andere zaal te vinden (hetgeen gelukkig het geval bleek). Daarop kon ik in alle rust gebruik blijven maken van dezelfde zaal.”

3 De beoordeling

3.1

Ingevolge artikel 37, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Lid 3 van voornoemd artikel schrijft voor dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.

Hieruit volgt dat bij de beoordeling van het wrakingsverzoek in beginsel alleen die gronden kunnen worden betrokken, die door of namens verzoekster ter zitting van 14 september 2016 zijn voorgedragen en niet de gronden die eerst ter zitting van de wrakingskamer zijn aangevoerd. Dit laatste geldt voor de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld onder 2.2 bij de eerste vier gedachtestreepjes en die daarom door de wrakingskamer buiten beschouwing zullen worden gelaten.

3.2

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.3

Aan de door of namens verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.4

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel

dat de door of namens verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.5

Daarbij moet worden vooropgesteld dat een voor een partij onwelgevallige beslissing van een rechter op zichzelf geen grond voor wraking oplevert. Dat geldt ook indien die beslissing op het oog mogelijk onjuist is, en ook indien er geen hogere voorziening mocht openstaan tegen die beslissing.

3.6

Dat kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

3.7

De wrakingskamer is van oordeel dat een en ander niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.8

De rechtbank stelt vast dat is aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet volledig is, maar de inhoud van het proces-verbaal is niet weersproken en staat ook niet ter discussie. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting valt niet op te maken dat de advocaat van verzoekster is belet stukken over te leggen of niet de gelegenheid heeft gekregen het standpunt van verzoekster voldoende naar voren te brengen. De rechter heeft gezegd dat bepaalde stukken – onder meer verklaringen van derden - door verzoekster zouden kunnen worden overgelegd en heeft zich voor het overige slechts uitgelaten over de hoeveelheid stukken die eventueel overgelegd zouden worden. Vervolgens heeft de rechter een tijdelijke regeling voorgesteld, waarop direct een wrakingsverzoek is gedaan.

3.9

De hiervoor geschetste gang van zaken levert geen objectieve rechtvaardiging op voor de vrees dat de rechter niet onpartijdig is. De rechter heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting een voorstel gedaan, wat weliswaar blijk kon geven van de richting waarin de rechter dacht, doch welk voorstel nog geen uitspraak in kort geding inhield. Het doen van een dergelijk voorstel behoort tot de taak van de rechter indien deze daar termen voor aanwezig acht. Het enkele feit dat de rechter een voorstel voor een tijdelijke regeling heeft gedaan getuigt derhalve niet van vooringenomenheid jegens verzoekster. Het (kennelijke) standpunt van verzoekster dat de rechter pas een dergelijk voorstel mag doen indien deze naar het oordeel van een partij volledig is voorgelicht over het standpunt van die partij, is onjuist. Verzoekster had het voorstel kunnen verwerpen, alsnog de stukken kunnen overleggen die de rechter had gezegd te willen aannemen en haar zaak verder doen bepleiten voor zover de rechter haar daartoe gelegenheid had gegeven.

3.10

Het verzoek tot wraking is mitsdien ongegrond en zal worden afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. H.L. de Gruijl-van Benthem.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. W.M.P.M. Weerdesteijn en mr.drs. J. van den Bos, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2016, in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoekster

- mr. H. Polat

- [naam van de man]

- mr. L.A. Jansen

- mr. H.L. de Gruijl-van Benthem