Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9329

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
ROT 16/3408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/3408

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Simicevic,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: drs. G. van Hal en mr. J.C. Avedissian.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 6 augustus 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 12 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2016. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 4 december 2014 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) het verblijfsrecht van eiseres als gemeenschapsonderdaan beëindigd. Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft de IND het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 december 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 maart 2016 (zaaknummer Awb 15/15902) heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 6 augustus 2015 ongegrond verklaard.

2. Aan het thans bestreden besluit van 12 april 2016 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres vanaf 6 augustus 2015 niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 11, derde lid, van de Pw (in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Pw, IOAW en IOAZ), omdat eiseres, gelet op de besluiten van de IND, vanaf die datum niet langer rechtmatig in Nederland verblijft.

3. Eiseres voert aan dat zij op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) rechtmatig verblijf heeft in Nederland omdat zij in het kader van de IND-besluiten een voorlopige voorziening en een beroepsprocedure was gestart en inmiddels hoger beroep heeft ingesteld tegen de beroepsuitspraak.

Vanwege de bijzondere omstandigheden van haar geval, is sprake van schending van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerders beleid maakt een ongerechtvaardigd onderscheid tussen personen die in procedure zijn voor een verblijfsvergunning regulier in bezwaar en op grond daarvan wel in aanmerking komen voor bijstand, en personen die in procedure zijn voor een verblijfsvergunning regulier in beroep en hoger beroep, maar op grond daarvan niet in aanmerking komen voor bijstand.

Eiseres betoogt dat haar geval moet worden gelijkgesteld aan de situatie in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 22 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4831). In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de intrekking met terugwerkende kracht van een toelating van een vreemdeling niet meebrengt dat de bijstand die is verleend over de aan dat besluit voorafgaande periode reeds op die grond kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Dit is in strijd met het in de bepalingen van de Wet werk en bijstand tot uitdrukking komende beginsel van materiële rechtszekerheid, inhoudende dat ten tijde van de betaling rechtmatig ontvangen bijstand nadien in beginsel niet kan worden ingetrokken en/of teruggevorderd. Eiseres stelt dat dezelfde rechtsbelangen in het geding zijn: zij heeft geen inkomsten en is afhankelijk van de goede wil van derden.

Eiseres betoogt ten slotte dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat verweerder onvoldoende aandacht heeft besteed aan de omstandigheden van eiseres. Verweerder heeft voorts geen juiste belangenafweging gemaakt en eiseres wordt onevenredig benadeeld.

4. Op grond van het door eiseres ingeroepen artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift terwijl bij of krachtens die wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist. Er is echter geen wetsbepaling op grond waarvan uitzetting van eiseres in afwachting van het (hoger) beroep inzake de IND-besluiten achterwege dient te blijven. Op grond van artikel 73, eerste lid, van de Vw, voor zover van belang, wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning slechts opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden hierin niet vermeld. Nu er ook geen rechterlijke beslissing is op grond waarvan uitzetting van eiseres achterwege dient te blijven, biedt artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw geen basis voor gelijkstelling vanaf 6 augustus 2015 van eiseres aan een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw (in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Pw, IOAW en IOAZ).

5. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 8 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:946) is de rechtbank van oordeel dat het onderscheid in bijstandsverlening dat eiseres bestrijdt, voortvloeit uit bewuste keuzen van de wetgever om krachtens de wet alleen rechtmatig verblijf toe te kennen aan vreemdelingen hangende het eerste rechtsmiddel tegen een besluit (in dit geval: bezwaar) en niet hangende een volgend rechtsmiddel (in dit geval: beroep en hoger beroep) en om aan dit verschil gevolgen voor bijstandsverlening te verbinden in gevallen waarin voorzetting van toelating in geding is. Dit betreft geen ongerechtvaardigd onderscheid, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Van strijd met artikel 14 van het EVRM is dan ook geen sprake.

6. Het betoog van eiseres dat haar geval moet worden gelijkgesteld aan de situatie beoordeeld in genoemde uitspraak van de Raad van 22 december 2015 slaagt niet. Die uitspraak heeft betrekking op bijstand die is verleend in de periode voorafgaand aan het intrekkingsbesluit van de IND en daar is bij eiseres geen sprake van, nu haar bijstandsuitkering eerst is ingetrokken per de datum waarop de IND op het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit van de IND heeft beslist, zijnde 6 augustus 2015.

7. De stelling van eiseres dat zij onevenredig wordt benadeeld kan evenmin slagen, nu de hiervoor besproken toepasselijke regelgeving geen ruimte laat voor een belangenafweging als door eiseres bepleit. Van strijd met het motiveringsbeginsel is, naar volgt uit het voorgaande, evenmin sprake.

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de intrekking van de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 6 augustus 2015 terecht heeft gehandhaafd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.