Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:902

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
10/700143-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van het verbergen, vervoeren en begraven van het stoffelijk overschot van de echtgenote van een medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700143-15

Datum uitspraak: 4 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te Rotterdam op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

Raadsman mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 11 augustus 2015,

20 oktober 2015, 14 december 2015, 21 januari 2016 en 22 januari 2016.

Op laatstgemelde twee data is de zaak inhoudelijk behandeld.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 21 januari 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe samengevat het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft niet gegraven of op de uitkijk gestaan. Hij is ook de woning niet ingegaan, maar heeft steeds gezegd dat hij niet mee wilde; hij heeft [slachtoffer] ook niet weggebracht en heeft zich uiteindelijk gedistantieerd. Van betrokkenheid in strafrechtelijke zin is daarom geen sprake. De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte1] is onvoldoende concreet - hij spreekt in de “wij-vorm” - en daarnaast is deze verklaring onbetrouwbaar, omdat deze innerlijk tegenstrijdig is, gebaseerd is op aannames en steunbewijs voor die verklaring ontbreekt.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende vast.

Medeverdachte [medeverdachte1] heeft op 1 en 17 juni 2015 bij de politie onder meer het volgende verklaard:

[medeverdachte1] heeft thuis ruzie gehad met [slachtoffer] , heeft direct de woning verlaten en heeft haar enige tijd later half liggende op de bank in de woning aangetroffen; ze bewoog niet, maakte geen geluid en had geen polsslag. [medeverdachte1] is in zijn auto gestapt en heeft de verdachte opgehaald en vervolgens ook de medeverdachte [medeverdachte2] . [medeverdachte1] heeft hen verteld dat hij ruzie had gehad met zijn vrouw en hen “dat allemaal verteld”. Ze zijn naar de woning van [medeverdachte1] gereden. [medeverdachte2] is mee naar binnen gegaan, zag [slachtoffer] liggen en zei: “ze leeft niet meer, ze leeft niet meer”. [medeverdachte2] vertelde daarna aan de verdachte, die buiten in de auto was gebleven, wat hij had gezien. Zowel [medeverdachte2] als de verdachte hebben voorgesteld de ambulance te bellen. [medeverdachte1] heeft voorgesteld [slachtoffer] ergens te begraven. Hij heeft [medeverdachte2] en de verdachte gesmeekt hem te helpen. Die hebben daarmee ingestemd. Vervolgens zijn [medeverdachte1] , [medeverdachte2] en de verdachte langs de woningen van de verdachte en van [medeverdachte2] gereden. De verdachte, die witte schoenen droeg, heeft thuis andere schoenen aangetrokken.

[medeverdachte2] heeft thuis de sleutels van zijn garage opgehaald. Daarna is o.a. een schep opgehaald in de garage van [medeverdachte2] . [medeverdachte2] heeft ook nog een ‘tomtom’ uit zijn garage gepakt, die overigens niet is gebruikt. Ze zijn gaan tanken en gedrieën naar het noorden gereden en zijn in Ruinen uitgekomen. Daar heeft [medeverdachte1] in een bos een kuil gegraven. [medeverdachte1] heeft merendeels zelf gegraven. In zijn verklaring van 1 juni 2015 verklaart [medeverdachte1] dat ook [medeverdachte2] heeft gegraven. In zijn verklaring van 17 juni 2015 verklaart hij dat de verdachte een beetje heeft geholpen met graven. Daarnaast verklaart hij “we hebben gewoon zitten graven”.

Zowel de verdachte als [medeverdachte2] hebben – op verschillende punten – op de uitkijk gestaan. Vervolgens zijn ze terug gereden naar de woning in Rotterdam om het lichaam van [slachtoffer] op te halen. [medeverdachte1] heeft het lichaam op een doek/kleed gelegd. [medeverdachte1] heeft op aanwijzing van [medeverdachte2] keukenhandschoenen aangetrokken. [medeverdachte2] heeft zijn trui over zijn handen gedaan. Met zakken uit de garage van [medeverdachte2] is [slachtoffer] vervolgens ingepakt. [medeverdachte2] heeft geholpen om de vuilniszak “eroverheen te zetten”. Daar is tape omheen gegaan. [medeverdachte1] verklaart vervolgens: “we hebben haar opgetild”. Over de zakken hadden ze nog een deken gewikkeld, zodat men de zakken niet kon zien. [medeverdachte2] en [medeverdachte1] hebben het lichaam samen opgetild, omdat het alleen bijna niet te doen was gelet op de steile trap van de woning. Het lichaam is in de kofferbak geplaatst in de auto die [medeverdachte2] voor de deur van de woning op de stoep had geparkeerd. De verdachte stond op de hoek van de straat bij de school: “Aan die kant. Want je kon via die straat naar binnen rijden, want ze hadden dat andere stuk afgesloten. Normaal reed je die kant uit, destijds kwam je via die kant in.” Daarop zijn ze vertrokken. De verdachte is uitgestapt bij het Marconiplein waarna [medeverdachte1] en [medeverdachte2] zijn teruggereden naar Ruinent. [medeverdachte2] heeft daar de zaklamp vastgehouden en [medeverdachte1] heeft het lichaam opgetild. Toen hebben ze [slachtoffer] daar begraven in de eerder gegraven kuil.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte1] bij de politie wat betreft het aandeel van de verdachte bij het verbergen, wegvoeren en begraven van het lijk van [slachtoffer] als betrouwbaar aangemerkt moeten worden. Deze verklaringen stroken met de technische bevindingen, zoals deze zijn verwerkt in de tijdslijn (p. 1459-1475). Voorts ligt ook voor de hand dat de verdachten ieder een aandeel hadden. Immers, gelet op de wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] was ingepakt, is niet aannemelijk dat dit door één persoon is gedaan. Dat geldt eveneens voor het naar beneden dragen van het lichaam. Bovendien was het zeer donker in het bos (p. 2 van het proces-verbaal van Forensisch onderzoek, 2015-032783-48), zodat het voor de hand ligt dat er tijdens het graven ook voor licht gezorgd moest worden en er iemand op de uitkijk stond.

Dat de verdachte uitsluitend is meegegaan ter emotionele ondersteuning van [medeverdachte1] en dat hij de gehele tijd dat zij die dag samen waren (vanaf plm. 14.00 uur tot plm. 23.00 uur) als het ware met zijn handen op z’n rug heeft staan toekijken, acht de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte1] derhalve bezigen voor het bewijs. Deze zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet.

Gelet op die verklaringen van [medeverdachte1] – bezien in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen – is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen, nu de verdachte uiteindelijk niet is meegegaan naar Ruinen om daar het lichaam van [slachtoffer] te begraven. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering, nu ook de officier van justitie en de raadsman tot vrijspraak hiervan hebben geconcludeerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte wel opzettelijk behulpzaam geweest bij het vervoeren en begraven van het lichaam van [slachtoffer] , nu hij de eerste maal mee is gegaan naar Ruinen en daar op de uitkijk heeft gestaan bij het graven van de kuil en aan dat graven ook (een beetje) heeft meegedaan. Daarnaast heeft de verdachte op de uitkijk gestaan toen [slachtoffer] in Rotterdam werd ingepakt en in de auto werd geplaatst teneinde door de medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] te worden vervoerd naar het bosperceel bij Ruinen om daar te worden begraven. De vele telefooncontacten tussen de verdachte en zijn medeverdachten gedurende dat tijdsbestek bevestigen die rol van de verdachte. De stelling van de raadsman dat, gelet op de locatie waar de verdachte heeft gestaan, van “op de uitkijk staan geen sprake kan zijn geweest”, wordt weerlegd door de verklaring van [medeverdachte1] . Daaruit volgt dat het verkeer op dat moment vanuit een andere richting de straat van de woning van [medeverdachte1] in reed en verdachte dus wel degelijk op een voor de uitkijk relevante plaats stond.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. )

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[voornamen medeverdachte1] [medeverdachte1] en/of [voornamen medeverdachte2] [medeverdachte2] , op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015

te Rotterdam en/of Ruinen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer] ,

heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

- het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar Ruinen te vervoeren en/of

- (vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de Eursinge en de N375) in Ruinen,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die Yasrneen (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhelen,

bij/tot het plegen van welk feit verdachte, op of omstreeks de periode 25 januari 2015 te

Rotterdam en/of Ruinen, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft verschaft, door met dat opzet

- mee te rijden naar Ruinen en daar mede te kijken naar een geschikte plek om [slachtoffer] te

begraven (te weten een plek waar geen auto’s langs reden en geen huizen in de buurt waren)

en/of

- tijdens het graven door die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] op de uitkijk te staan en/of

- mee te graven en/of

- terwijl [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] in de woning aan de De Quackstraat te Rotterdam die [slachtoffer] aan het verpakken waren en/of haar naar beneden en/of in de auto brachten, aldaar op de uitkijk te staan en/of te bellen met [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] .

(vul de feitaanduidingen in)Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit(vul de feitaanduidingen in)

Het bewezen feit levert op:

medeplichtigheid aan medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en begraven met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is opzettelijk behulpzaam geweest bij het door de medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] verbergen, vervoeren en begraven van het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] , terwijl hij wist dat zij kort daarvoor door [medeverdachte1] om het leven was gebracht.

De verdachte heeft op de uitkijk gestaan bij het graven van het graf en heeft ook zelf meegegraven. Daarnaast heeft de verdachte op de uitkijk gestaan toen [slachtoffer] in de auto werd geplaatst teneinde door medeverdachten [medeverdachte1] en [medeverdachte2] te worden vervoerd naar het bosperceel bij Ruinen om haar aldaar te begraven.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

22 december 2015(vul de feitaanduidingen in), waaruit blijkt dat de verdachte (vul de feitaanduidingen in)niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de vroeghulprapporten van Reclassering Nederland en het NIFP, waaruit blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan verder onderzoek heeft geweigerd, en van de resultaten van het NIFP-consult van

21 mei 2015, waaruit geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor evidente acute psychopathologie als een psychotisch of ernstig depressief beeld of een ernstige verstandelijke beperking, en het NIFP-consult van 16 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan verder onderzoek heeft geweigerd.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden van [slachtoffer] en anderen in de weken na haar verdwijning de hoop laten houden dat zij nog in leven was. Door ook na de vondst van haar stoffelijk overschot geen verklaring over de gang van zaken af te leggen, heeft hij hun leed in ernstige mate vergroot.

Dit laatste blijkt tevens uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de nicht van [slachtoffer] . De rechtbank neem het de verdachte zeer kwalijk dat hij geen enkele opening van zaken heeft gegeven, ook niet ter terechtzitting, en weegt dit daarom in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank zal in enigszins strafverminderende zin rekening houden met het feit dat medeverdachte [medeverdachte1] een groot emotioneel beroep op verdachte heeft gedaan om hem te helpen zich van het lichaam van [slachtoffer] te ontdoen door dat te begraven. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de rol van de verdachte die van medeplichtige is.

Een delict als het onderhavige draagt een voor de rechtsorde en de maatschappij schokkend karakter. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op (vul de feitaanduidingen in)de artikelen 48 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. K. Helmich en J. Leyenaar-Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2016.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of Ruinen,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer] , heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

-het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar Ruinen te vervoeren en/of

-(vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de Eursinge en de N375) in Ruinen,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhullen;

subsidiair

Adeel Khan [medeverdachte1] en/of Burak [medeverdachte2] , op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015

te Rotterdam en/of Ruinen, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer] ,

heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

- het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar Ruinen te vervoeren en/of

- ( vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de Eursinge en de N375) in Ruinen,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die Yasrneen (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhullen,

bij/tot het plegen van welk feit verdachte, op of omstreeks de periode 25 januari 2015 te

Rotterdam en/of Ruinen, in elk geval in Nederland,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft verschaft, door met dat opzet

- mee te rijden naar Ruinen en daar mede te kijken naar een geschikte plek om [slachtoffer] te

begraven (te weten een plek waar geen auto’s langs reden en geen huizen in de buurt waren)

en/of

- tijdens het graven door die [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] op de uitkijk te staan en/of

- mee te graven en/of

- terwijl [medeverdachte1] en/of Öktern in de woning aan de De Quackstraat te Rotterdam die Yasrneen aan het verpakken waren en/of haar naar beneden en/of in de auto brachten, aldaar op de uitkijk te staan en/of te bellen met [medeverdachte1] en/of Oktem.

(vul de feitaanduidingen in)