Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:9018

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
510564 / HA RK 16-820
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek omdat zij geen procespartij is. Wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen. Geen grond voor wraking in beslissing van de rechter dat het vonnis in kort geding niet aan partijen wordt voorgelezen, maar aan de advocaten van partijen zal worden gefaxt en de beslissing om geen proces-verbaal van de zitting op te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/537

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 510564 / HA RK 16-820

Beslissing van 13 oktober 2016

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

[naam verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.M.R. Vlaar,

verzoekers,

strekkende tot wraking van:

mr. P. de Bruin, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team handel (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij deze rechtbank is aanhangig de kort geding procedure tussen verzoeker als eiser en [namen van de drie gedaagden] als gedaagden, welke procedure als kenmerk draagt 507071 / KG ZA 16-875.

Bij emailbericht van 20 september 2016 hebben de verzoekers de wraking van de rechter verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het dossier met zaaknummer 507071 / KG ZA 16-875;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

Verzoekers alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 17 september 2016.

Ter zitting van 4 oktober 2016 alwaar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn de verzoekers [naam verzoeker] en [naam verzoekster] verschenen. Mr. J.M.R. Vlaar is met voorafgaande bericht d.d. 22 september 2016 niet ter zitting verschenen. Verzoeker [naam verzoeker] heeft aan de hand van een pleitnota het verzoek nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek hebben verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Op 7 september 2016 hebben verzoekers een schriftelijk verzoek gericht aan de rechter om bij de uitspraak op 21 september 2016 aanwezig te kunnen zijn. Op 19 september 2016 is hen vanuit de rechtbank telefonisch medegedeeld dat het verzoek is ontvangen en dat slechts de schijn van openbaarheid van uitspraken wordt voorgewend.

Voorts hebben verzoekers verzocht om een proces-verbaal op te laten maken van de terechtzitting van 7 september 2016. Beide verzoeken zijn niet gehonoreerd, althans afgewezen. Indien bewust een wettelijk voorschrift wordt genegeerd dan mag het gegrond vermoeden worden geuit dat er sprake is van de aanwezigheid van schijn van partijdigheid.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Verzoekster [naam verzoekster] is geen partij in kort geding zodat het wrakingsverzoek ten aanzien van haar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aan het einde van de zitting op 7 september 2016 heeft de rechter medegedeeld dat zij op 21 september 2016 vonnis zou wijzen en dat het vonnis tussen 14.00 en 17.00 uur aan de raadslieden van de partijen zou worden gefaxt. Volgens de Hoge Raad wordt aan de eis van openbaarheid voldaan als het vonnis in de schriftelijke vorm op een bepaalde dag beschikbaar is en aan (de advocaten van) partijen ter beschikking wordt gesteld. Niet is vereist dat aan partijen de gelegenheid moet worden gegeven bij het voorlezen van de uitspraak aanwezig te zijn. De mededeling over het faxen van het vonnis is al op 7 september 2016 gedaan en een op 20 september 2016 ingediend wrakingsverzoek kan daarom niet worden beschouwd als te zijn gedaan ‘zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.’

De wet bevat geen bepalingen die de kort geding rechter verplichten om van het verhandelde ter gelegenheid van de mondelinge behandeling een proces-verbaal op te maken. In de pleitnota en aan het einde van de zitting op 7 september 2016 is mondeling het verzoek gedaan tot afgifte vaneen proces-verbaal van de zitting. De rechter heeft op de zitting van 7 september 2016 medegedeeld dat er geen proces verbaal zal worden opgemaakt. Een op 20 september 2016 ingediend wrakingsverzoek kan daarom niet worden beschouwd als te zijn gedaan ‘zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.’

De rechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd niet in op grond waarvan de schijn van de aanwezigheid van partijdigheid aan de orde is.

3 De beoordeling

3.1

Ten aanzien van het verzoek zoals dat is gedaan door [naam verzoekster] geldt het volgende. Een verzoek tot wraking kan op de voet van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) worden gedaan door een partij in een geding tegen de rechter die de betreffende zaak behandelt. Verzoekster [naam verzoekster] is geen procespartij in het hiervoor aangeduide geding, zodat het recht tot wraking als bedoeld in artikel 36 Rv haar niet toekomt. Zij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek.

3.2

Beoordeeld moet worden of het wrakingsverzoek, voor zover gedaan door [naam verzoeker], tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden, zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.

3.3

De wrakingskamer is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende. Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd uitlatingen, gedragingen en beslissingen van de rechter bij gelegenheid van de zitting op 7 september 2016. Bij die gelegenheid heeft de rechter aan verzoeker meegedeeld dat van het verhandelde op de zitting geen proces-verbaal zal worden opgemaakt. Verzoeker was, bijgestaan door zijn advocaat, op die zitting tegenwoordig en heeft bij die gelegenheid kennis genomen van die mededeling. Op 19 september 2016 is verzoeker door een medewerker van de rechtbank meegedeeld dat het vonnis zal worden toegezonden.

Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. Naar het oordeel van de wrakingskamer is die termijn in dit geval, waarin verzoeker het verzoek uiteindelijk zonder tussenkomst van zijn advocaat heeft ingediend, niet overschreden.

3.4

Over de vraag of dit verzoek gegrond is, wordt als volgt overwogen. Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker zich in zijn wrakingsverzoek beklaagt over twee beslissingen van de rechter, te weten de beslissing dat het vonnis niet aan partijen wordt voorgelezen, maar aan de advocaten van de partijen zal worden gefaxt, en de beslissing om geen proces-verbaal van de terechtzitting van 7 september 2016 te laten opmaken. Vooropgesteld moet worden dat een processuele beslissing, waarvan in beide gevallen sprake is, in beginsel geen grond voor wraking kan opleveren. Dat kan anders zijn indien een dergelijke beslissing zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor (redelijkerwijs) geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing is ingegeven door vooringenomenheid. Daarvan is geen sprake. Beide beslissingen zijn immers overeenkomstig de gebruikelijke gang van zaken binnen de rechtbank. Ook overigens is niets aangevoerd dat een vrees voor vooringenomenheid van de rechter naar objectieve maatstaven kan rechtvaardigen.

3.6

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

verklaart [naam verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek;

wijst af het verzoek tot wraking van mr. P. de Bruin.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. A.P. Hameete en mr. A. Buizer, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van

13 oktober 2016 in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-