Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:899

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
10/700135-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor medeplegen van het verbergen, vervoeren en begraven van het stoffelijk overschot van de echtgenote van medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700135-15

Datum uitspraak: 4 februari 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te Rotterdam op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

Raadsman mr. R. Tetteroo, advocaat te Schiedam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 11 augustus 2015, 20 oktober 2015,

14 december 2015, 21 januari 2016 en 22 januari 2016.

Op laatstgemelde twee data is de zaak inhoudelijk behandeld.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft samengevat de volgende verweren gevoerd.

Gelet op de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte1] zouden de verdachte in beginsel weliswaar het graven van de kuil, het inpakken en het naar beneden dragen van het lichaam van [slachtoffer] verweten kunnen worden, maar deze handelingen zijn niet afzonderlijk als uitvoeringshandelingen opgenomen in de tenlastelegging. Dat werkt ook door naar het ten laste gelegde medeplegen; ook daarvoor geldt dat voornoemde handelingen die verdachte volgens [medeverdachte1] zou hebben gepleegd, niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.

Deze gedragingen kunnen daarom niet als uitvoeringshandelingen worden gezien, omdat de rechtbank in dat geval de grondslag van de tenlastelegging zou verlaten.

Bovendien zijn de verklaringen van medeverdachte [voornamen verdachte1] [medeverdachte1] onbetrouwbaar, nu deze innerlijk tegenstrijdig zijn en niet worden ondersteund door (technisch) bewijs.

Van een nauwe en bewuste samenwerking is geen sprake geweest; het initiatief is van de medeverdachte [medeverdachte1] uitgegaan en de verdachte heeft geen rol gespeeld bij de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt het volgende vast.

De medeverdachte [voornamen verdachte1] [medeverdachte1] heeft op 1 en 17 juni 2015 bij de politie onder meer het volgende verklaard:

[medeverdachte1] heeft thuis ruzie gehad met [slachtoffer] , heeft direct de woning verlaten en heeft haar enige tijd later half liggende op de bank in de woning aangetroffen; ze bewoog niet, maakte geen geluid en had geen polsslag. [medeverdachte1] is in zijn auto gestapt en heeft [voornamen verdachte2] [medeverdachte2] opgehaald en vervolgens ook de verdachte. [medeverdachte1] heeft hen verteld dat hij ruzie had gehad met zijn vrouw en hen “dat allemaal verteld”. Ze zijn naar de woning van [medeverdachte1] gereden. De verdachte is mee naar binnen gegaan, zag [slachtoffer] liggen en zei: “ze leeft niet meer, ze leeft niet meer”. De verdachte vertelde daarna aan [medeverdachte2] , die buiten in de auto was gebleven, wat hij had gezien. Zowel de verdachte als [medeverdachte2] hebben voorgesteld een ambulance te bellen.

[medeverdachte1] heeft voorgesteld [slachtoffer] ergens te begraven. Hij heeft de verdachte en [medeverdachte2] gesmeekt hem te helpen. Die hebben daarmee ingestemd. Vervolgens zijn [medeverdachte1] , [medeverdachte2] en de verdachte langs de woningen van [medeverdachte2] en verdachte gereden. [medeverdachte2] , die witte schoenen droeg, heeft thuis andere schoenen aangetrokken. De verdachte heeft thuis de sleutels van zijn garage opgehaald. Daarna is o.a. een schep opgehaald in de garage van de verdachte.

De verdachte heeft ook nog een ‘tomtom’ uit zijn garage gepakt, die overigens niet is gebruikt. Ze zijn gaan tanken en gedrieën naar het noorden gereden en zijn in Ruinen uitgekomen. Daar heeft [medeverdachte1] in een bos een kuil gegraven. Hij heeft merendeels zelf gegraven. In zijn verklaring van 1 juni 2015 verklaart [medeverdachte1] dat ook de verdachte heeft gegraven. In zijn verklaring van 17 juni 2015 verklaart hij dat [medeverdachte2] een beetje heeft geholpen met graven. Daarnaast verklaart hij “we hebben gewoon zitten graven”.

Zowel [medeverdachte2] als de verdachte hebben – op verschillende punten – op de uitkijk gestaan.

Vervolgens zijn ze terug gereden naar de woning in Rotterdam om het lichaam van [slachtoffer] op te halen. [medeverdachte1] heeft het lichaam op een doek/kleed gelegd. [medeverdachte1] heeft op aanwijzing van de verdachte keukenhandschoenen aangetrokken. De verdachte heeft zijn trui over zijn handen gedaan. Met zakken uit de garage van de verdachte is [slachtoffer] vervolgens ingepakt. De verdachte heeft geholpen om de vuilniszak “eroverheen te zetten”. Daar is tape omheen gegaan. [medeverdachte1] verklaart vervolgens: “we hebben haar opgetild”.

Over de zakken hadden ze nog een deken gewikkeld, zodat men de zakken niet kon zien. De verdachte en [medeverdachte1] hebben het lichaam samen opgetild, omdat het alleen bijna niet te doen was gelet op de steile trap van de woning. Het lichaam is in de kofferbak geplaatst in de auto die de verdachte voor de deur van de woning op de stoep had geparkeerd. [medeverdachte2] stond op de hoek van de straat bij de school: “Aan die kant. Want je kon via die straat naar binnen rijden, want ze hadden dat andere stuk afgesloten. Normaal reed je die kant uit, destijds kwam je via die kant in.” Daarop zijn ze vertrokken. [medeverdachte2] is uitgestapt bij het Marconiplein waarna [medeverdachte1] en de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] zijn teruggereden naar Ruinen. De verdachte heeft daar de zaklamp vastgehouden en [medeverdachte1] heeft het lichaam opgetild. Toen hebben ze [slachtoffer] daar begraven in de eerder gegraven kuil.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte1] bij de politie wat betreft het aandeel van de verdachte bij het verbergen, wegvoeren en begraven van het lijk van [slachtoffer] als betrouwbaar aangemerkt moeten worden. Deze verklaringen stroken met de technische bevindingen, zoals deze zijn verwerkt in de tijdslijn (p. 1459-1475). Voorts ligt ook voor de hand dat de verdachten ieder een aandeel hadden. Immers, gelet op de wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] was ingepakt is niet aannemelijk dat dit door één persoon is gedaan. Dat geldt eveneens voor het naar beneden dragen van het lichaam. Bovendien was het zeer donker in het bos (p. 2 van het proces-verbaal van Forensisch onderzoek, 2015 032783-48), zodat het voor de hand ligt dat er tijdens het graven ook voor licht gezorgd moest worden en er iemand op de uitkijk stond. Dat de verdachte uitsluitend is meegegaan ter emotionele ondersteuning van [medeverdachte1] en dat hij de gehele tijd dat zij samen waren (van

’s-middags plm. 14.00 uur tot de aanvang van de terugreis vanuit Ruinen naar Rotterdam om plm. 1 uur ’s nachts) als het ware met zijn handen op z’n rug heeft staan toekijken, acht de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte1] derhalve bezigen voor het bewijs.

Gelet op die verklaringen van [medeverdachte1] – bezien in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen – is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte1] het lichaam van [slachtoffer] van Rotterdam naar Ruinen heeft vervoerd en daar in het bos heeft begraven. Het feit dat de verdachte de tweede rit naar Ruinen niet als bestuurder van de auto is opgetreden, is daarbij niet relevant. Van enige grondslagverlating van de tenlastelegging is – wat er verder ook zij van het verweer – derhalve geen sprake.(vul de feitaanduidingen in)

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. (vul de feitaanduidingen in)

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of Ruinen,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer] , heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

- het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar Ruinen te vervoeren en/of

- (vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen tussen de Eursinge en de N375) in Ruinen,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhelen.

(vul de feitaanduidingen in)

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feit(vul de feitaanduidingen in)

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en begraven met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden (vul de feitaanduidingen in)van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte1] het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer] , terwijl hij wist dat zij kort daarvoor door [medeverdachte1] om het leven was gebracht, verpakt, vervoerd en begraven in de bossen in Ruinen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

22 december 2015(vul de feitaanduidingen in), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een verzoek tot het opmaken van een reclasseringsadvies retour gezonden omdat het wegens verblijf van de verdachte destijds in het buitenland niet mogelijk was te rapporteren omtrent de verdachte.

Psycholoog B.W. Roelofs-van Bon heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 8 juli 2015. Uit dit rapport blijkt dat bij de verdachte geen stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is vastgesteld en dat, gezien de zwijgende houding van de verdachte, geen uitspraak kan worden gedaan over een eventueel verband tussen persoonlijkheid en delict.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden van [slachtoffer] en anderen in de weken na haar verdwijning de hoop laten houden dat zij nog in leven was. Door ook na de vondst van haar stoffelijk overschot geen enkele opening van zaken te geven heeft hij hun leed in ernstige mate vergroot. Dit laatste blijkt tevens uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de nicht van [slachtoffer] . De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij eerst ter zitting een, zij het zeer beperkte, verklaring over de gang van zaken heeft afgelegd en weegt dit daarom in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank zal in enigszins strafverminderende zin rekening houden met het feit dat de medeverdachte [medeverdachte1] een groot emotioneel beroep op de verdachte heeft gedaan om hem te helpen zich van het lichaam van [slachtoffer] te ontdoen door dat te begraven.

Een delict als het onderhavige draagt een voor de rechtsorde en de maatschappij zeer schokkend karakter. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mrs. K. Helmich en J. Leyenaar-Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2016.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 januari 2015 en/of 26 januari 2015 te Rotterdam en/of Ruinen,

in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer] ,

heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt en/of begraven door

-het lijk van [slachtoffer] (met een auto) van Rotterdam naar Ruinen te vervoeren en/of

-(vervolgens) het lijk van [slachtoffer] te begraven op een bosperceel (gelegen

tussen de Eursinge en de N375) in Ruinen,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] , te weten dat die [slachtoffer] (door verwurging) om het leven is gebracht, te verhullen.

(vul de feitaanduidingen in)