Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8985

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2016
Datum publicatie
23-11-2016
Zaaknummer
10730023-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte slaat met enkele tussenpozen ruim dertig keer met een hamer op hoofd van slachtoffer en brengt aldus opzettelijk dodelijk letsel toe. Tijdens en na deze geweldpleging breekt verdachte o.a. twee speelautomaten open. De uitvoeringshandelingen rondom de diefstal van geld en flessen sterke drank verricht hij samen met een vrouwelijke mededader. De gepleegde feiten leveren zowel gekwalificeerde doodslag op als diefstal met geweld in vereniging, de dood ten gevolg hebbend. Strafmaat 15 jaar, conform eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730023-16

Datum uitspraak: 23 november 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsvrouwen mrs. M. Nentjes, E. Kattestaart en J.A. Smit, advocaten te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 11 mei 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 8 februari 2016 wordt in de animeerbar [horecagelegenheid] aan de [adres horecagelegenheid] te Rotterdam een overleden persoon aangetroffen. Deze persoon is genaamd [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Uit het rapport van de patholoog blijkt dat het slachtoffer door middel van veelvuldig uitwendig heftig botsend geweld op het hoofd om het leven is gebracht. Bij het door de politie ingestelde onderzoek worden camerabeelden veilig gesteld, waarop te zien is hoe het slachtoffer om het leven wordt gebracht. [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) worden op de beelden herkend en als verdachten aangemerkt.

4.2.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de gekwalificeerde variant van doodslag zoals deze aan de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd niet bewezen verklaard kan worden, waardoor de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Het toegepaste geweld stond geheel los van de latere diefstal, zodat ook geen sprake is van een kwalificatie in dat opzicht. Alles wijst er op dat is gehandeld in een opwelling, in het geval van de verdachte zelfs gedurende een black-out die lijkt te zijn veroorzaakt door overmatig alcohol- en drugsgebruik. Ten slotte is er geen sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering en dus ook niet van een ‘in vereniging’ gepleegde doodslag.

Voor wat betreft het onder feit 2 tenlastegelegde is aangevoerd dat het toegepaste geweld niet is gepleegd met het oogmerk om de diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of medeverdachte [medeverdachte] de vlucht mogelijk te maken of het gestolene veilig te stellen. Het toegepaste geweld stond geheel los van de daarna gepleegde diefstal. Er is derhalve geen sprake van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de ten laste gelegde geweldshandelingen als kwalificerende, strafverzwarende elementen bij de diefstal, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3.

Beoordeling

Uit de aangehaalde bewijsmiddelen, met name ook de eigen waarneming van de rechtbank ter zake van de ter terechtzitting bekeken camerabeelden, blijkt het volgende.

Op 7 februari 2016 bevinden het slachtoffer, [verdachte] en [medeverdachte] zich in de [horecagelegenheid] , waar het slachtoffer en [verdachte] aan de vloer aan het klussen zijn. Om 21:04 uur staat [verdachte] bij [medeverdachte] en pakt een hamer op, welke hij vervolgens kust. Hierna gaan [verdachte] en [medeverdachte] om 21:14 uur, zoals beiden ter terechtzitting hebben verklaard, buiten roken. In de tussentijd gaat het slachtoffer naar de kelder. [verdachte] volgt het slachtoffer korte tijd daarna naar de kelder. Vervolgens komt [medeverdachte] weer binnen en loopt zachtjes richting de kelderdeur om daar te luisteren, waarna zij stilletjes terug loopt naar de plek waar zij eerder al zat. Het slachtoffer en [verdachte] komen weer boven en gaan verder met klussen aan de vloer.

Om 21:37 uur zit het slachtoffer op zijn knieën op de vloer. Hij zit met zijn gezicht van [verdachte] en [medeverdachte] af. [medeverdachte] komt naast [verdachte] staan. Hij slaat een arm om haar middel, aait haar over haar billen en haren en kust [medeverdachte] op haar wang. Vervolgens laat [verdachte] [medeverdachte] los, doet een stap naar voren richting het slachtoffer en maakt een bovenhandse stekende beweging in de richting van de rug van het slachtoffer. Hierbij heeft [verdachte] iets puntigs in zijn hand. [verdachte] raakt het slachtoffer hierbij niet. [medeverdachte] kijkt hier naar en doet niets. Het slachtoffer kan [medeverdachte] en [verdachte] op dat moment niet zien, omdat hij met zijn rug naar de verdachten geknield op de grond aan het werk is.

Om 21:43 uur staat [verdachte] op, terwijl het slachtoffer in dezelfde houding nog geknield op de grond zit. [verdachte] loopt met een hamer in zijn hand op het slachtoffer af en geeft het slachtoffer uit het niets een harde klap met de hamer op zijn hoofd. Het slachtoffer valt voorover op de grond. [medeverdachte] kijkt in de richting van het slachtoffer en [verdachte] . Zij doet haar boekje in haar tas, staat op en loopt richting de uitgang (zijde [adres] ). Vervolgens doet zij de deur van de uitgang op slot.

Terwijl [verdachte] het slachtoffer herhaaldelijk op het hoofd slaat, kijkt [medeverdachte] van uit meerdere plekken in de ruimte toe. Om 21:46 uur loopt [medeverdachte] naar de hoofdingang en doet ook deze deur op slot.

[verdachte] loopt vervolgens achter de bar en probeert met sleutels de kassalade te openen. [medeverdachte] kijkt intussen naar het slachtoffer. Hierna probeert [verdachte] met de sleutels de gokkast te openen, hetgeen niet lukt. Om 21:49 uur slaat [verdachte] het slachtoffer opnieuw meerdere malen op het hoofd.

Om 21:53 uur controleren [verdachte] en [medeverdachte] de deuren nogmaals. Hierna probeert [verdachte] opnieuw de kassalade te openen met een sleutel. Om 21:55 uur probeert ook [medeverdachte] de kassalade te openen met sleutels. Dit lukt niet. Om 22:00 uur doorzoekt [verdachte] de zakken van het slachtoffer, terwijl [medeverdachte] in de tussentijd nog altijd probeert om de kassalade met een sleutel te openen. Wanneer dit niet blijkt te lukken, breekt [verdachte] de kassalade uiteindelijk open. Hierna pakken zowel [medeverdachte] als [verdachte] kleingeld uit de kassa en wordt dit door [medeverdachte] in haar tas gestopt. Nadat de kassa is leeggehaald richten [medeverdachte] en [verdachte] zich tot de gokkasten. [medeverdachte] probeert minuten lang een van de gokkasten met sleutels te openen. Uiteindelijk breekt [verdachte] de gokkasten open en beiden halen hier de cassettes met muntgeld uit. [medeverdachte] doet het muntgeld in haar tas dan wel in de door [verdachte] aangegeven andere tas. Nadat het kleingeld uit de gokkasten is gehaald, verlaten zij de [horecagelegenheid] .

De rechtbank is op basis van de hiervoor weergegeven omschrijving met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag omdat de verdachte daarvoor geen opzet zou hebben gehad. De rechtbank is van oordeel dat het door [verdachte] met een hamer meermalen krachtig op het hoofd van het slachtoffer slaan, om vervolgens tussen het slaan door pogingen te ondernemen om de kassalade te openen, maakt dat reeds de uiterlijke verschijningsvorm niet anders is uit te leggen dan geschikt tot het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer en gericht is op de dood van het slachtoffer. Daarmee is opzet tot het toebrengen van dodelijk letsel een gegeven. Zeer kort na en tijdens het toegepaste zeer zware geweld zijn beide verdachten al bezig om geld bijeen te stelen, althans beginnen zij met uitvoeringshandelingen voor het stelen van het geld door (aanvankelijk) met sleutels te proberen en uiteindelijk door verbrekingshandelingen de kassalade en de gokkasten te openen. De rechtbank kan hieraan geen andere conclusie verbinden dan dat [verdachte] met de doodslag de diefstal mogelijk heeft willen maken.

Medeplegen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd. De rechtbank is niet gebleken dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] ten aanzien van het toebrengen van het dodelijk letsel aan het slachtoffer. Alle geweldshandelingen zijn door [verdachte] uitgevoerd. Tijdens de slagen op het hoofd van het slachtoffer met de hamer is [verdachte] aanvankelijk de enige die ook dan al probeert de kassalade te openen. Hoewel uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] zich voorafgaand aan de eerste geweldstoepassing door [verdachte] moet hebben gerealiseerd dat er enig geweld tegen het slachtoffer zou worden gebruikt, was het uiteindelijk toegepaste zeer excessieve geweld, wat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer, voor haar volstrekt niet te voorzien.

De rechtbank zal de verdachte op grond van het bovenstaande van het tenlastegelegde medeplegen vrijspreken.

De rechtbank is ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde wel van oordeel dat handelingen van [medeverdachte] medeplegen opleveren. [medeverdachte] heeft nadat het slachtoffer levenloos in een plas bloed op de grond lag een actieve rol aangenomen in het openbreken van de kassalade en de gokkasten. Zij heeft, zoals te zien is op de beelden, telkens met diverse sleutels geprobeerd de kassalade en de gokkasten te openen. Nadat [verdachte] de kassalade en de gokkasten heeft opengebroken, heeft [medeverdachte] de muntstukken verzameld en in haar tas dan wel een door [verdachte] verstrekte tas gedaan. De rechtbank zal het onder 2 tenlastegelegde medeplegen bewezen verklaren.

De uitvoeringshandelingen met betrekking tot de diefstal zijn door beiden verricht. Dat voorafgaand en/of bij gelegenheid van de diefstal tenminste enig geweld zou worden gebruikt volgt uit de eigen verklaring van [medeverdachte] bij de politie. De rechtbank zal in het vonnis van [medeverdachte] hier nader op in gaan.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. Subsidiair:

hij op in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meermalen (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geslagen, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal (in vereniging) van een geldbedrag (met braak/verbreking) en/of een of meer flessen (alcoholhoudende) drank, in elk geval enig goed/geldbedrag, strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 310/311 van het Wetboek van Strafrecht, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand gelegen aan de [adres horecagelegenheid] (" [horecagelegenheid] ") heeft weggenomen (uit een speelautomaat) een (grote) hoeveelheid geld en/of een of meer flessen (alcoholhoudende) drank, althans enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [horecagelegenheid] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door braak/verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen (met kracht) slaan met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair: doodslag, voorafgegaan en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

Ten aanzien van feit 2: diefstal, door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft het slachtoffer op een vreselijke manier om het leven gebracht om vervolgens met een gering geldbedrag uit de gokkasten en de kassalade weg te gaan. De verdachte heeft het slachtoffer onverwacht en zonder enige aanleiding tientallen malen met een hamer op het hoofd geslagen.

Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte zich niet alleen schuldig gemaakt aan een vermogensdelict, maar heeft hij zijn slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. De gewelddadigheden en de daaruit voortvloeiende dood van het slachtoffer hebben bovendien onherstelbaar persoonlijk leed teweeggebracht voor de nabestaanden en naaste omgeving. De ter terechtzitting voorgedragen nabestaanden-verklaringen getuigen hiervan. De nabestaanden zullen moeten leven met het onomkeerbaar verlies van een dierbare. Dat geldt voor zijn familie, vrienden en alle anderen die hem na hebben gestaan en in het bijzonder voor de kinderen en de kleinkinderen van het slachtoffer. Dergelijke feiten schokken ook de samenleving als geheel en brengen grote maatschappelijke onrust en sterke gevoelens van onveiligheid met zich.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 oktober 2016, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Bouman GGZ, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 april 2016. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Psychiater D. van der Meer, klinisch psycholoog B. Koudstaal, GZ-psycholoog M.M.E.W. van Dijk en forensisch milieuonderzoeker A. Schreurs hebben een triple rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 juni 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

De rapporteurs hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is sprake van een zeer langdurige verslaving aan cocaïne (misbruik en afhankelijkheid) naast misbruik van alcohol. Het is voor de rapporteurs vanuit gedragskundig oogpunt niet verklaarbaar waarom de verdachte niet zou kunnen hebben beschikken over gedragsalternatieven voor de buitensporige mate van geweld. Door het presenteren van bijna volledig geheugenverlies gedurende de periode van de ten laste gelegde feiten is een delictanalyse voor de rapporteurs niet mogelijk gebleken. Voor de kans op recidive achten de rapporteurs de harddrugsverslaving en het sociale milieu belangrijke factoren. De rapporteurs achten een behandeling gericht op de verslavingen en de sociale omgeving essentieel in het voorkomen van (verwervings-)criminaliteit. Een langdurige behandeling, aanvankelijk zeker klinisch, is daarvoor aangewezen en zou volgens de rapporteurs kunnen plaatsvinden in het kader van detentiefasering.

De psychiater, klinisch psycholoog en GZ-psycholoog, voornoemd, zijn op de terechtzitting als deskundigen gehoord en hebben hun bevindingen en conclusies zoals hiervoor weergegeven onderschreven.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Voor gekwalificeerde doodslag, als bewezen onder 1 subsidiair, heeft de wetgever bewust gekozen voor een hoger strafmaximum dan op doodslag is gesteld. Het strafmaximum voor een dergelijk strafbaar feit komt in duur overeen met dat van moord, te weten levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren.


De rechtbank acht gelet op hetgeen hierboven is uiteengezet reden tot oplegging van een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in andere min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Namens de verdachte is nog ten aanzien van de op te leggen straf aangevoerd dat de verdachte de controle over zichzelf is verloren, vanwege een week lang drank- en drugsgebruik in combinatie met slaapgebrek, zijn misbruikverleden en de grievende uitlatingen van het slachtoffer die avond.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen, omdat sprake is van dolus in causa: verdachte heeft zich immers door drank- en drugsgebruik zelf in die toestand gebracht. De verdachte wordt dan ook volledig toerekeningsvatbaar geacht. Bovendien is het voor de rechtbank volstrekt onbegrijpelijk dat, indien de verdachte werkelijk geschokt zou zijn geweest door de vroeg in de avond gedane uitlatingen van het slachtoffer met betrekking tot [medeverdachte] , verdachte daar gebleven is en [medeverdachte] heeft opgehaald om in de [horecagelegenheid] te verblijven, terwijl het slachtoffer daar ook aanwezig was.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

8.1.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 11.120,00 aan materiële schade. Ter terechtzitting is deze vordering nog mondeling aangevuld met een bedrag van € 300,00 aan materiële schade ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit.

8.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.

8.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal punten op de vordering van de benadeelde partij afgewezen moet worden en andere punten een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren, zodat de benadeelde partij ter zake van die onderdelen niet ontvankelijk in haar vordering dient te worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding uitsluitend uitgegaan moet worden van de kosten voor een gebruikelijke uitvaart zoals die in Nederland zou worden uitgevoerd. De keuze om het slachtoffer in Griekenland te begraven en de daarmee samenhangende extra kosten kunnen niet op de verdachte worden verhaald, omdat deze niet het directe gevolg zijn van het tenlastegelegde.

De kosten voor de vliegtickets voor anderen dan de directe nabestaanden, zijnde uitsluitend de dochter van het slachtoffer, alsmede de kosten voor de aangeschafte fotolijstjes, benzine, vertaalkosten, telefoonkosten, parkeerkosten, autohuurkosten, de kosten voor het laten maken van paspoorten, afwikkelingskosten ten aanzien van de huur van de woning van het slachtoffer, de schoonmaakkosten, advocaatkosten en notariskosten staan alle te ver af van de kosten die bij een uitvaart horen en dienen om die reden te worden afgewezen.

8.1.3.

Beoordeling

Omdat is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering worden toegewezen, ondanks de betwisting door de verdachte zoals is weergegeven onder 8.1.2.

Voor wat betreft de mondelinge aanvulling ter terechtzitting ten aanzien van het geldbedrag van € 300,00, bestaande uit het geldbedrag dat door de verdachte en haar mededader is weggenomen, is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat deze schade rechtstreeks door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht. Omdat dit deel van de vordering niet door de verdachte is betwist, zal dit deel van de vordering eveneens worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, zoals onder 2 bewezen is verklaard, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaald is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 februari 2016.

Omdat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.1.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 11.420,00.

8.2.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.770,74 aan materiële schade.

8.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.

8.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de kosten met betrekking tot de uitvaartonderneming in Griekenland, aanpassing van de nieuwe kist en de betaling aan de priesters niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze schadeposten niet eenvoudig zijn vast te stellen en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De kosten voor de vliegtickets voor anderen dan de directe nabestaanden, zijnde uitsluitend de dochter van het slachtoffer, alsmede benzinekosten, telefoonkosten, parkeerkosten, autohuurkosten en verblijfskosten staan te ver af van de kosten die bij een uitvaart horen en dienen om die reden afgewezen te worden.

8.2.3.

Beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] . Ook de vordering van [benadeelde partij 2] zal geheel worden toegewezen, hoofdelijk. Ook de overwegingen en beslissingen ter zake de wettelijke rente en de kosten zijn gelijk, en ook die behoren als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

8.2.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.770,74.

8.3.

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 3] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert primair een vergoeding van € 118.464,03 en subsidiair een vergoeding van € 88.400,00 aan materiële schade.

8.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

8.3.3.

Beoordeling

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de behandeling van deze vordering, in het onderhavige geval niet eenvoudig is vast te stellen en een uitgebreide nadere onderbouwing, behandeling en bespreking vereist. Wellicht dienen tevens getuigen te worden gehoord, bij voorbeeld ter zake van de gestelde bijdrage van de overledene in de kosten van de opvoeding van de benadeelde partij. Dit alles levert aldus een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.3.4.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] wordt niet ontvankelijk verklaard.

8.4.

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 4] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 5.000,00 aan immateriële schade.

8.4.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

8.4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

8.4.3.

Beoordeling

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de behandeling van deze vordering, in het onderhavige geval niet eenvoudig is vast te stellen en een uitgebreide nadere onderbouwing, behandeling en bespreking vereist. Wellicht dienen tevens getuigen en/of deskundigen te worden gehoord. Dit alles levert aldus een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.4.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] wordt niet ontvankelijk verklaard.

8.5.

Schadevergoedingsmaatregelen

8.5.1.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte een ernstig gebrek aan draagkracht heeft. Verzocht is bij het eventueel opleggen van een schadevergoedingsmaatregel de vervangende hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel te beperken tot 1 (één) dag. De verwachting is immers groot dat de verdachte thans en gedurende vele jaren niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Het opleggen van vervangende hechtenis zoals normaliter is voorgeschreven, zal niet leiden tot een meer voortvarende betaling, maar enkel leiden tot een ongewenste vrijheidsbeneming.

8.5.2.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van de hierna te noemen maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden is. Voor wat betreft de hoogte van de vervangende hechtenis ziet de rechtbank geen aanleiding om vervangende hechtenis toe te passen van kortere duur. Het is niet onaannemelijk dat de verdachte na zijn detentie in staat zal zijn om de schadevergoeding te betalen. De vervangende hechtenis is bedoeld als stok achter de deur om de verdachte ertoe te bewegen de schade van de benadeelden te vergoeden. Daarnaast zijn de toegewezen schadevergoedingen aan beide verdachten hoofdelijk opgelegd.

8.5.3.

Conclusie

De verdachte zal na te noemen hoogte van de maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 288, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 11.420,00 (zegge: elfduizendvierhonderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen € 11.420,00 (hoofdsom, zegge: elfduizendvierhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 11.420,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 92 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 4.770,00 (zegge: vierduizendzevenhonderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] te betalen € 4.770,00 (hoofdsom, zegge: vierduizendzevenhonderdzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 4.770,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 57 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet ontvankelijk in de vordering;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V. Mul en H. Benaissa, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kegreisz, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meermalen (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geslagen;

(art. 289/47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meermalen (met kracht)met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geslagen, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal (in vereniging) van een geldbedrag (met braak/verbreking) en/of een of meer flessen (alcoholhoudende) drank, in elk geval enig goed/geldbedrag, strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 310/311 van het Wetboek van Strafrecht, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(art 288 / 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meermalen (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geslagen.

(art. 287 / 47 wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 07 februari 2016 tot en met 08 februari 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand gelegen aan de [adres horecagelegenheid] (" [horecagelegenheid] ") heeft weggenomen (uit een speelautomaat) een (grote) hoeveelheid geld en/of een of meer flessen (alcoholhoudende) drank, althans enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [horecagelegenheid] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door braak/verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het meermalen (met kracht) slaan met een hamer, althans een hard en/of kantig voorwerp, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

(artikel 312 lid 2 en 3 jo 47 Wetboek van Strafrecht)