Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:887

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
ROT 15/1723
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete wegens overtreding rookverbod door eiseres als werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/1723

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2016 in de zaak tussen

[bedrijf] , te [plaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.P.E. Halfens,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Janssens.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 4.500,- wegens (herhaalde) overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet.

Bij besluit van 12 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door J. van Son. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door M. Gacsbaranyi.

Overwegingen

1. [naam] exploiteert [bedrijf] , gevestigd aan de [adres] (de horeca-inrichting).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres als werkgever niet heeft voldaan aan haar in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet neergelegde verplichting om zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.

Het bestreden besluit is gebaseerd op een door een buitengewoon opsporingsambtenaar en toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 1 september 2014 en een op 9 juli 2014 op ambtsbelofte opgemaakt relaas van bevindingen van twee assistent-inspecteurs/toezichthouders van de NVWA van een inspectie door hen van de horeca-inrichting op 28 juni 2014.

Verweerder heeft de hoogte van het boetebedrag van het beboetbaar feit, dat in de bijlage van de Tabakswet onder categorie C vermeld staat, verhoogd tot een bedrag van € 4.500,- omdat sprake is van een derde herhaling (een vierde overtreding) binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van een eerdere boetebeschikking van 12 april 2013.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen waardoor zij ernstig in haar verdediging is geschaad. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 12 september 2013 (ECLI:NL:CBB: 2013:166) en stelt dat een dergelijke situatie zich thans weer voordoet. Ter onderbouwing heeft eiseres aangevoerd dat zij door toezending van het proces-verbaal van 1 september 2014 en het relaas van bevindingen pas na 2,5 maand in kennis is gesteld van de inhoudelijke onderbouwing van de gestelde overtreding op 28 juni 2014. Volgens eiseres zijn het proces-verbaal van 1 september 2014 en het relaas van bevindingen zeer summierlijk opgesteld en bieden zij volgens haar daarom onvoldoende inzicht in de feiten en omstandigheden die aan de opgelegde boete ten grondslag zijn gelegd. Verder wijst eiseres erop dat de controle op 28 juni 2014 is verricht door anonieme controleurs en de gestelde overtreding een dag later, op 29 juni 2014, door andere controleurs, die de gestelde overtreding niet zelf hebben waargenomen en haar niet over de toedracht hebben geïnformeerd, aan eiseres is gemeld. Verder wijst zij erop dat het relaas van bevindingen zo’n 2 weken na de gestelde overtreding is opgesteld. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij als gevolg van de door verweerder gehanteerde werkwijze niet kan nagaan wat er precies is gebeurd op 28 juni 2014 en daarom kan volgens haar niet met 100% zekerheid worden vastgesteld dat er op 28 juni 2014 een overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet heeft plaatsgevonden. Eiseres stelt dat zij als gevolg van de gehanteerde werkwijze haar personeel dat de avond van de gestelde overtreding (28 juni 2014) dienst had niet meer kan aanspreken en de overtreders (de rokers) evenmin.

4. Op grond van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, zijn werkgevers verplicht zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.

Krachtens artikel 11b, eerste lid, van de Tabakswet kan verweerder ter zake van de

in de bijlage omschreven overtredingen een boete opleggen aan de natuurlijke of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend.

Op grond van de eerste volzin van onderdeel C van de bijlage bij de Tabakswet - als bedoeld in artikel 11b - valt overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet onder categorie C. De overtredingen behorend tot categorie C worden bestraft met een boete van

€ 600,-. In de bijlage is verder (onder meer) bepaald dat dit bedrag wordt verhoogd tot

€ 4.500,- wanneer binnen vijf jaar na het onherroepelijk zijn van de bestuurlijke boete voor de eerste overtreding hetzelfde voorschrift voor de vierde keer wordt overtreden.

5. Op grond van vaste jurisprudentie van het CBb, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA1577, en de uitspraak van 9 september 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG1609, kan - naar analogie van het bepaalde in artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - het bewijs dat de betrokkene de hier aan de orde zijnde overtreding heeft begaan, worden aangenomen op het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar. In beginsel mag daarom worden afgegaan op de inhoud van de in het proces-verbaal vermelde waarnemingen van feiten. Indien de juistheid van deze waarnemingen gemotiveerd wordt betwist, ligt het op de weg van verweerder om zich in het kader van zijn besluitvorming van die juistheid te vergewissen. Hierbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het proces-verbaal zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een situatie als bedoeld in de door de gemachtigde van eiseres aangehaalde uitspraak van het CBb van 12 september 2013 hier niet voor.

De rechtbank acht hierbij van belang dat de gestelde overtreding op 29 juni 2014, een dag na de inspectie, aan eiseres is gemeld, zij het door een andere inspecteur dan degene die assistent-inspecteurs/toezichthouders die de overtreding een dag eerder hebben waargenomen, en dat op 7 juli 2014 een ‘kennisgeving boeterapport’ aan eiseres is verzonden waarin als constatering is vermeld dat in het horecabedrijf met personeel minimaal 5 personen stonden te roken en als overtreding artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet en de omschrijving van dit artikel. Voorts is in dit geval is geen sprake van bevindingen die zodanig summier en algemeen zijn verwoord dat zij onvoldoende inzicht bieden in de feiten en omstandigheden die aan de boeteoplegging ten grondslag liggen, nu de situatie op 28 juni 2014 door de assistent-inspecteurs/toezichthouders zeer gedetailleerd is beschreven in het relaas van bevindingen van 9 juli 2014. Ook het tijdsverloop van 2,5 maand tussen de gestelde overtreding op 28 juni 2014 en toezending van het proces-verbaal van 1 september 2014 leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Niet kan worden gezegd dat eiseres in dit geval de mogelijkheid tot het voeren van een inhoudelijk verweer (vrijwel) geheel is ontnomen.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit op het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 1 september 2014 en het relaas van bevindingen van 9 juli 2014 mogen baseren. De omstandigheid dat het voor horecaondernemers zoals eiseres efficiënter zou zijn als verweerder een werkwijze zou hanteren waarbij op de dag van de geconstateerde overtreding zelf een en ander direct wordt teruggekoppeld aan de betreffende horecaondernemer, zodat deze zijn op de dag van de geconstateerde overtreding aanwezige personeel en mogelijk de overtreders direct kan aanspreken leidt niet tot een ander oordeel. Een mogelijk efficiëntere werkwijze en daaraan gekoppelde (tijdige) wijze van verslaglegging ontslaat eiseres niet van de in artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet neergelegde verplichting om zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.

7. Nu de overtreding vaststaat, was verweerder op grond van artikel 11b, eerste lid, van de Tabakswet en de daarbij behorende bijlage bevoegd om wegens (herhaalde) overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet aan eiseres een boete op te leggen van € 4.500,-. Eiseres heeft immers niet weersproken dat sprake is van recidive en zij heeft de hoogte van de opgelegde boete niet bestreden. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die nopen tot matiging van de boete op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Het beroep van eiseres is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 februari 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.