Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8725

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2016
Datum publicatie
21-11-2016
Zaaknummer
ROT 16/524
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:2511, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Verweerder heeft eiser verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (zeer) ernstig plichtsverzuim vanwege de volgende gedragingen:

- dat eiser op eigen houtje, zonder toestemming of overleg met zijn leidinggevende, een dienstauto heeft gehuurd en deze dienstauto in genoemde periode bijna dagelijks voor woon-werkverkeer heeft gebruikt, terwijl hij maandelijks een vergoeding voor woon-werkverkeer ontvangt;

- dat eiser de dienstauto veelvuldig voor privéritten buiten de gemeente heeft gebruikt.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de overtuiging is verkregen dat eiser zich aan de genoemde gedragingen schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank acht de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/524

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2016 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Çevik.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) is eiser met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 15 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.H.E. van Veeren, vergezeld door [a] (HR-adviseur) en [b] (leidinggevende van eiser).

Overwegingen

1.1.

Eiser was sinds 13 augustus 2009 werkzaam bij verweerder. Vanaf 1 januari 2012 heeft hij de functie van teamleider operationeel beheer bekleed. In deze functie beschikte eiser over een dienstauto in verband met het verhelpen van storingen.

1.2.

Naar aanleiding van een reorganisatie is eiser per 1 april 2014 geplaatst in de functie van contractbeheerder, een kantoorfunctie, bij de afdeling Parkeervoorzieningen van Stadsbeheer. Bij deze functie hoorde geen dienstauto maar eiser kon eventueel gebruik maken van de dienstpoolauto. Eiser bleef in verband met zijn expertise voor de duur van het project (tot 31 december 2014) voor vier uur per week betrokken bij het project kentekenparkeren. Als beheerder van dit project is per 1 mei 2014 [c] aangesteld.

1.3.

Per 1 juni 2014 is de vacature hoofd stafbureau, eisers leidinggevende, vervuld door [b]. In de periode van 1 april 2014 tot 1 juni 2014 was de manager parkeervoorziening, [d], formeel eisers leidinggevende. [d] heeft in die periode zijn leidinggevende taken ten aanzien van eiser aan [e], projectleider stafbureau parkeervoorzieningen gedelegeerd.

1.4.

Begin oktober 2014 werd door Roteb Lease gebeld met de dienst Parkeervoorzieningen met de mededeling dat de huurauto (een personenauto van het merk Ford, type Transit-Connect met kenteken [f]) die eiser onder zich had voor een APK ingeleverd diende te worden. Bij eisers leidinggevende [b] was niet bekend dat eiser een huurauto onder zich had. [b] heeft hierover navraag gedaan. Het vermoeden bestond dat eiser zonder toestemming van zijn leidinggevenden vanaf 13 mei 2014 de auto had gehuurd. [b] heeft hierover met eiser een aantal gesprekken gevoerd. Vervolgens is in opdracht van verweerder een nader onderzoek ingesteld. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 januari 2015.

1.5.

Bij brief van 17 februari 2015 heeft verweerder het voornemen geuit eiser de straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Daarbij is eiser tevens geschorst.

1.6.

Op 23 maart 2015 heeft eiser tijdens een hoorzitting zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven onder procesverloop.

2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan (zeer) ernstig plichtsverzuim vanwege de volgende gedragingen:

  • -

    dat eiser in mei 2014 op eigen houtje, zonder toestemming of overleg met zijn leidinggevende, een dienstauto bij Roteb Lease heeft gehuurd en deze dienstauto in de periode van 21 mei 2014 tot en met 21 oktober 2014 bijna dagelijks voor woon-werkverkeer heeft gebruikt, terwijl hij maandelijks een vergoeding voor woon-werkverkeer ontvangt;

  • -

    dat eiser de dienstauto veelvuldig voor privéritten buiten de gemeente Rotterdam heeft gebruikt, onder andere voor diverse ritjes naar en van Tilburg.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 26 november 2015, het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen.

4.1.

Op grond van artikel 78 van het Ambtenarenreglement kan de ambtenaar wegens plichtsverzuim disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Regeling gebruik dienstmotorvoertuigen Stadstoezicht gebruiken betrokkenen de dienstmotorvoertuigen uitsluitend voor het uitvoeren van de aan hen door de dienst opgedragen taken.

Op grond van het tweede lid zullen betrokkenen bij het gebruik van de dienstmotorvoertuigen de nodige zorgvuldigheid betrachten en de integriteit en goede naam van de dienst waarborgen.

Op grond van het derde lid bepalen het hoofd van de dienst of degenen die door het hoofd van de dienst zijn aangewezen of leiding geven aan betrokkene of betrokkene een dienstreis mag maken in een dienstmotorvoertuig van Stadstoezicht.

Op grond van het vierde lid bepalen het hoofd van de dienst of degenen die door het hoofd van de dienst zijn aangewezen of leiding geven aan betrokkene of betrokkene als bestuurder van een dienstmotorvoertuig van Stadstoezicht mag functioneren.

Op grond van het vijfde lid is privégebruik van dienstmotorvoertuigen door betrokkene niet toegestaan.

Op grond van het zesde lid is woon-werkverkeer met dienstmotorvoertuigen door betrokkene alleen toegestaan indien:

  1. met betrokkene een schriftelijke overeenkomst is gesloten voor het gebruik van dienstmotorvoertuigen voor woon-werk verkeer;

  2. in het kader van ingeroosterde wacht-, waak- of oproepdiensten betrokkene van dienstwege de beschikking krijgt over een dienstmotorvoertuig.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2349, gelden in het ambtenarenrecht niet de strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. De vraag die beantwoord moet worden is of op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan de hem verweten gedragingen.

4.4.

Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen toestemming had voor het huren van de auto. Het tegendeel blijkt niet uit de e-mail van 8 mei 2014 waarin de aanvraag is gedaan een busje te huren en die eiser “cc” aan [g] heeft gestuurd. Zij was op dat moment niet meer eisers leidinggevende. Eiser had geen schriftelijke toestemming van zijn toenmalige leidinggevende [e] of de manager parkeervoorzieningen [d]. Dat eiser mondeling toestemming van [e] heeft gekregen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is het vreemd dat niet [e] maar [g] in de cc van de aanvraagmail is opgenomen. Dat [e] heeft verklaard nooit toestemming te hebben verleend uit rancune vanwege een eerdere melding die eiser heeft gedaan over schending integriteit door [e], heeft eiser niet aannemelijk kunnen maken. Dat eiser volgens zijn verklaring de sleutel van de huurauto regelmatig in de sleutelkast voor andere collega’s hing en daarmee volgens hem in alle openheid handelde, was blijkens de door [g] tijdens het onderzoek op 9 december 2014 afgelegde verklaring wel bij haar bekend maar in ieder geval niet bij de leidinggevende van eiser.

4.5.

Uit het rapport van 22 januari 2015 en gebaseerd op gegevens afkomstig uit het Voertuig Communicatie Systeem, blijkt dat eiser in de periode tussen 21 mei en 21 oktober 2014 de auto 181 keer heeft gebruikt voor woon-werkverkeer en privé-verkeer zowel op werkdagen als in het weekend en zowel binnen als buiten de gemeente Rotterdam. Eiser heeft over het privégebruik in de gesprekken wisselend en opzettelijk onjuist verklaard. Op 22 oktober 2014 heeft hij verklaard de huurauto nooit privé te hebben gebruikt, op 4 november 2014 heeft hij gezegd de auto hooguit een of twee keer mee naar huis te hebben genomen en pas op 11 november 2014 – na confrontatie met de opgevraagde ritgegevens van de auto – heeft eiser toegegeven dat hij de auto voor privédoeleinden heeft gebruikt. Dat eiser de auto privé enkel in een noodsituatie gebruikte is niet aannemelijk gelet op voornoemde gegevens. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij de brandstof regelmatig zelf (vrijwel altijd contant) betaalde, gelet op het aantal gereden kilometers (8844) en de gegevens van de tankpas (€ 742,06 diesel) over de in geding zijnde periode. Nu op de bonnen geen kenteken wordt genoteerd is evenmin na te gaan of de door eiser na de hoorzitting van 11 februari 2015 overgelegde tankbonnen betrekking hebben op de huurauto.

4.6.

De omstandigheid dat eiser naar eigen zeggen steeds paraat was en dat eiser deels werkzaamheden voor zijn oude functie continueerde, kunnen hem niet baten. Eiser had voordat hij per 1 april 2014 als contractbeheerder werkzaam werd de auto die bij zijn vorige functie hoorde moeten inleveren. Daarna had hij geen piket meer. Weliswaar verrichtte eiser voor een overgangsperiode nog voor vier uren per week (die op maandag werden geregistreerd) werkzaamheden voor zijn oude functie, maar verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat eiser daarvoor geen eigen (huur)auto nodig had. Als eiser ‘s avonds werd gebeld kon hij de problemen op afstand oplossen of doorzetten naar een collega. Als eiser tijdens diensturen voor zijn werkzaamheden toch een auto nodig had, dan waren er een poolauto, scooters en auto’s van collega’s beschikbaar.

4.7.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat op grond van het bovenstaande de overtuiging is verkregen dat eiser zich aan de genoemde gedragingen schuldig heeft gemaakt. De beroepsgrond faalt.

5. De door eiser genoemde problemen op het relationele vlak leiden niet tot het oordeel dat de gedragingen niet aan eiser kunnen worden verweten. Verweerder was dan ook bevoegd eiser disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim.

6. Eiser stelt dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag disproportioneel is, omdat de gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim.

6.1.

De rechtbank acht de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de aard en ernst van dit plichtsverzuim en overweegt daartoe als volgt.

Eiser heeft gedurende langere tijd de regels ten aanzien van het gebruik van dienstauto’s overtreden. Hiermee is ernstig afbreuk gedaan aan de aan eiser te stellen eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Verweerder heeft het eiser zwaar mogen aanrekenen dat hij tijdens de verhoren (in eerste instantie) niet de waarheid vertelde over het privégebruik van de auto en over het verkrijgen van toestemming voor de huurauto. Gelet op de aard, ernst en duur van het plichtsverzuim en de financiële schade (€ 4894,32 aan kosten voor de huur van de auto) voor verweerder, is het onvoorwaardelijk ontslag passend. Verweerder heeft zijn belang naar het oordeel van de rechtbank kunnen laten prevaleren boven de persoonlijke belangen van eiser bij behoud van zijn functie. Dat eiser altijd goed heeft gefunctioneerd en aan zijn inzet niet wordt getwijfeld, kan aan het voorgaande niet af doen.

7. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat collega’s in gelijke situaties niet of minder zijn gestraft. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat [h] slechts een waarschuwing heeft gekregen, omdat hij een of twee privéritten met de huurauto van eiser heeft gemaakt tijdens diens vakantie nadat hij de auto voor piket had gebruikt. Naast het feit dat dit niet de enige gedraging is die eiser is tegengeworpen, was alleen al het privégebruik van eiser veel omvangrijker dan dat van [h].

8. Het bestreden besluit houdt in rechte stand. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.