Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8709

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 522
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft een aanstelling als hoogleraar (1,0 fte) bij de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sinds 1 oktober 2013 werkt hij voor 0,5 fte op detacheringsbasis als hoogleraar bij de Universiteit Antwerpen. In geschil is de voor eiser tijdens de detachering geldende verhouding tussen het aantal uren onderwijs en onderzoek bij de UvA. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verhouding 60 % - 40 % is, overeenkomstig het voor de Afdeling pedagogiek, onderwijskunde en lerarenopleiding (POWL) in mei 2011 vastgestelde beleid. Dit komt voor eiser neer op 0,3 fte onderwijs en 0,2 fte onderzoek. Eiser meent daarentegen dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij tijdens de detachering nog steeds voor 0,4 fte onderzoek kon verrichten bij de UvA. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder de 60-40 regel heeft toegepast naar rato van de voor eiser resterende omvang van zijn werktijd bij de UvA.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/522

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2016 in de zaak tussen

[eiser],

gemachtigde: mr. K. de Bie,

en

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.B. Groot Antink.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft verweerder bepaald dat eiser 60% van zijn werktijd beschikbaar dient te houden voor onderwijs en 40% voor onderzoek. Dit besluit heeft geen betrekking op de werkzaamheden die eiser op basis van detachering elders verricht.

Bij besluit van 10 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [a], voorzitter van de afdeling Pedagogiek, Onderwijs en Lerarenopleiding.

Overwegingen

1. Eiser heeft een aanstelling als hoogleraar (1,0 fte) bij de Faculteit der maatschappij- en gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Sinds 1 oktober 2013 werkt hij voor 0,5 fte op detacheringsbasis als hoogleraar bij de Universiteit Antwerpen.

2. In geschil is de voor eiser tijdens de detachering geldende verhouding tussen het aantal uren onderwijs en onderzoek bij de UvA. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze verhouding 60 % - 40 % is, overeenkomstig het voor de Afdeling pedagogiek, onderwijskunde en lerarenopleiding (POWL) in mei 2011 vastgestelde beleid. Dit komt voor eiser neer op 0,3 fte onderwijs en 0,2 fte onderzoek. Eiser meent daarentegen dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat hij tijdens de detachering nog steeds voor 0,4 fte onderzoek kon verrichten bij de UvA. Hij wijst er in dat verband op dat verweerder bij de detachering ‘geen punt heeft gemaakt’ van de resterende tewerkstelling’ en dat geen wijziging is opgetreden in de aard en omvang van zijn onderzoekstaken. Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of het mogelijk zou zijn af te wijken van dit beleid. Dit is mogelijk indien de betrokkene voor het onderwijs kan worden gemist en zijn vervanging kan worden gefinancierd.

3. De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerder de 60-40 regel heeft toegepast naar rato van de voor eiser resterende omvang van zijn werktijd bij de UvA. Daarbij is mede van belang dat verweerder op grond van de detacheringsovereenkomst - de rechtbank verwijst naar de artikelen 2 en 3 daarvan - geen enkele zeggenschap heeft over de aard en inhoud van de taken van eiser in het kader van de detachering bij de Universiteit Antwerpen. Deze worden immers bepaald door de inlener en gedetacheerde. Dat eiser in Antwerpen uitsluitend met onderwijstaken is belast, hoefde voor verweerder derhalve geen aanleiding te vormen een uitzondering te maken op het beleid.

4. Verweerder heeft over de door eiser gememoreerde mogelijkheid tot afwijking van het beleid in het verweerschrift opgemerkt dat de vraag of kan worden afgeweken van de norm vooraf gegaan moet worden door de vraag of in dit geval sprake was van een zodanig bijzondere situatie dat afwijking van de norm gerechtvaardigd was. Verweerder beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij merkt verweerder op dat om uitholling van de norm te voorkomen niet al te licht moeten worden aangenomen dat sprake is van een bijzondere situatie. In algemene zin, aldus verweerder, spenderen medewerkers het liefst zoveel mogelijk tijd aan onderzoek. Gelet hierop en uit een oogpunt van gelijke behandeling is de norm geïntroduceerd om te waarborgen dat er voldoende capaciteit is voor het geven van onderwijs. Eiser heeft volgens verweerder niet uitgelegd waarom hij in dit opzicht bijzonder zou zijn.

De door eiser ter zitting opgeworpen vraag of verweerders beleid een beleidsregel is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kan onbeantwoord blijven. Als dit niet het geval is, is sprake van een door verweerder toereikend toegelichte en niet onredelijke vaste gedragslijn, waaraan hij in eisers geval heeft mogen vasthouden.

5. De rechtbank acht dit uitgangpunt van verweerder niet onredelijk. Nu eiser voorts niet heeft gesteld welke omstandigheden verweerder hadden moeten nopen tot het aannemen van een bijzonder geval, kan de beslissing van verweerder ook in dit opzicht standhouden.

6. De rechtbank volgt ten slotte niet de stelling van eiser dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat de urenomvang van zijn onderzoekswerkzaamheden ongewijzigd zou blijven. Van toezeggingen dienaangaande is niet gebleken. De beroepsgrond faalt derhalve.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. B. van Velzen en

mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016 .

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.