Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8668

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
5140129 VZ VERZ 16-13224
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 7:681 BW; werkgever niet geslaagd in het bewijzen van fraude; billijke vergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3416
AR-Updates.nl 2016-1331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5140129 VZ VERZ 16-13224

uitspraak: 11 november 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: mr. C.S. Ganga,

tegen

1 de commanditaire vennootschap C&A Nederland C.V.,

gevestigd te Amsterdam, en

de beherend vennoten

2. C&A Retail S.A. (naar Luxemburgs recht),

gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), en

3 de stichting Stichting C&A Continuïteit,

gevestigd te Amsterdam,

verweerders in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: A.H. Beute.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoekster] en (gezamenlijk) C&A c.s.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 223 Rv, met producties, ter griffie ontvangen op 7 juni 2016;

  • -

    het aangepaste verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de brief zijdens [verzoekster] van 24 juni 2016, met producties;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling op 27 juni 2016, met de ter zitting zijdens C&A c.s. overgelegde en voorgedragen pleitnotitie;

  • -

    de brief zijdens [verzoekster] van 8 augustus 2016, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van het op 8 augustus 2016 gehouden getuigenverhoor;

  • -

    de brief zijdens C&A c.s. van 24 augustus 2016, met producties;

  • -

    de conclusie na enquête zijdens C&A c.s.;

  • -

    het proces-verbaal van het op 14 september 2016 gehouden getuigenverhoor;

  • -

    de conclusie na enquête zijdens [verzoekster] , met productie.

1.2

De kantonrechter heeft de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 8 september 2007 bij de commanditaire vennootschap C&A Nederland C.V. (hierna: C&A) in dienst getreden als verkoopmedewerker. De arbeidsduur bedroeg sinds 1 september 2015 30 uur per

week. In de periode van september 2015 tot en met maart 2016 bedroeg het loon van [verzoekster] gemiddeld € 1.334,53 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2

Met ingang van 1 september 2015 volgde [verzoekster] op basis van een BBL leer- overeenkomst (tot 31 juli 2017) een opleiding tot filiaalmanager.

2.3

De arbeid werd laatstelijk verricht in het filiaal van C&A aan de [straat- en plaatsnaam] te Den Haag.

2.4

Op 7 april 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , mevrouw [B.] (storemanager, hierna [B.] ) en de heer [A.] (riskmanager, hierna [A.] ).

2.5

Bij brief van 12 april 2016 heeft C&A [verzoekster] , voor zover van belang, als volgt bericht:

“Met deze brief bevestigen wij de inhoud van het gesprek dat op 7 april jl. in het filiaal [straat- en plaatsnaam] heeft plaatsgevonden […]. Na dit gesprek bent u dezelfde dag door C&A Nederland op staande voet ontslagen, waardoor uw dienstverband met ons per 7 april 2016 is beëindigd. De reden dat u op staande voet ontslagen bent, is gelegen in het feit dat u zich schuldig hebt gemaakt aan fraude in dienstbetrekking.

[…]

Uit camerabeelden blijkt dat u in ieder geval op 21 maart 2016 fraude hebt gepleegd met een retour. Op de beelden is te zien dat een klant om 18.06 uur een japon met accessoires bij u afrekent. Op het moment dat deze klant de winkel verlaat, wordt de winkel gesloten. Om 18.08 uur wordt er door u een artikel van € 19,90 retour genomen, terwijl er geen klant bij u aan de kassa staat noch een klant in de winkel is (deze is immers dan gesloten) en er tevens geen artikel aanwezig is om retour te nemen. Na deze handeling draait u om 18.08 uur direct een retouroverzicht uit, waarbij u zelf de retouren controleert en aftekent. Daarna telt u de geldlade en sluit u de kassa af. Ondanks de retour van 18.08 uur welke niet aan een klant is uitbetaalt, is er geen kasverschil. Derhalve kunnen wij niet anders concluderen dan dat u het bedrag van € 19,90 uit de kassalade hebt weggenomen.

Naast bovengenoemde feit hebt u bovendien niet de juiste kassaprocedure gevolgd. Zoals u bekend is, moet de leiding worden ingeschakeld indien er een artikel retour komt zonder kassabon en is het niet toegestaan om eigen retouren te controleren. Toch blijkt uit intern onderzoek dat u met regelmaat artikelen retour neemt zonder kassabon en wordt er vaak direct na een dergelijke retour een retouroverzicht uitgeprint. Bovendien blijkt uit het systeem dat de retour genomen artikelen niet meer in het vak hangen noch weer verkocht worden.

Tijdens het gesprek op 7 april jl. heeft u aangegeven dat u bekend bent met de procedure voor kassawerk binnen C&A. U ontkent echter de bovengenoemde feiten, ondanks dat uit camera beelden duidelijk blijkt dat u zich schuldig hebt gemaakt aan deze genoemde feiten.

Het behoeft geen uitgebreid betoog dat wij fraude binnen onze organisatie op geen enkele wijze kunnen tolereren. Er is voor C&A dan ook sprake van een dringende reden in de zin van artikel 677 boek 7 BW die leidt tot het gegeven ontslag op staande voet.

[…]

Door de personeelsadministratie wordt een eindafrekening gemaakt per 7 april 2016. […] Het bedrag van € 19,90 zal worden ingehouden op uw eindafrekening. Wanneer op enig moment blijkt dat u C&A nog meer schade hebt toegebracht, behouden wij ons het recht voor om ook deze schade te vorderen. Zodra uit nader onderzoek blijkt wat het precieze schadebedrag is, informeer ik u daarover.”

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

in de hoofdzaak

3.1

[verzoekster] heeft - na wijziging van het verzoek - verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 4 BW ter hoogte van € 5.428,08;

II. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding ter hoogte van € 40.000,00 bruto dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

subsidiair

III. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van een transitievergoeding van € 4.083,00;

dit alles met hoofdelijke veroordeling van C&A c.s. tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen en met hoofdelijke veroordeling van C&A c.s. in de proceskosten.

in het incident

3.2

[verzoekster] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding:

I. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van het loon van € 1.334,53 bruto exclusief 8% vakantietoeslag per maand vanaf 7 april 2016 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;

II. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke verhogingen ex artikel 7:625 BW over het achterstallige deel van het salaris;

III. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen om [verzoekster] in staat te stellen de bedongen arbeid van 30 uur per week te verrichten binnen 24 uur na betekening van de beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat C&A c.s. daarmee in gebreke blijft;

IV. C&A c.s. hoofdelijk te veroordelen om medewerking te verlenen aan het examineren en beoordelen van de eindopdracht van [verzoekster] in het kader van haar opleiding tot filiaalmanager, zodanig dat zij in staat wordt gesteld om vóór 31 juli 2016 haar opleiding af te ronden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 bij overtreding hiervan;

dit alles met hoofdelijke veroordeling van C&A c.s. tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen en met hoofdelijke veroordeling van C&A c.s. in de proceskosten.

in de hoofdzaak en in het incident

3.3

Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] , naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten en voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat sprake is van een onterecht gegeven ontslag op staande voet.

3.4

Op de stellingen van [verzoekster] zal hierna - indien en voor zover van belang voor de

beoordeling - verder worden ingegaan.

4 Het verweer

4.1

Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek met compensatie van de proceskosten.

4.2

C&A c.s. heeft daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat zich een dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet heeft voorgedaan, nu [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan interne fraude. Aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is voldaan.

4.3

Op het verweer van C&A c.s. zal hierna - indien en voor zover van belang voor de

beoordeling - verder worden ingegaan.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1

De kantonrechter stelt allereerst vast dat het verzoekschrift, gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijnen, tijdig is ingediend.

5.2

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werk-nemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Lid 1 van laatstgenoemd artikel bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van één van de onder a tot en met h genoemde uitzonderingen. Vaststaat dat [verzoekster] niet (schriftelijk) met de opzegging van de arbeidsovereenkomst door C&A heeft ingestemd. Volgens C&A c.s. is echter sprake van de in artikel 7:671 lid 1 sub c BW genoemde uitzondering, namelijk dat de opzegging is geschied op grond van artikel 7:677 lid 1 BW.

5.3

Artikel 7:677 lid 1 BW bepaalt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. De toetsing of het zogenoemde ontslag op staande voet al dan niet terecht is gegeven, vindt in beginsel alleen plaats op basis van hetgeen feitelijk als dringende reden aan de werknemer is medegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten en omstandigheden. De verplichting van onverwijlde mededeling van de dringende reden strekt ertoe te waarborgen dat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de werkgever hebben genoopt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich er immers over kunnen beraden of hij de opgegeven reden als juist erkent en als dringend aanvaardt.

5.4

[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontslag op staande voet haar pas bij brief van 12 april 2016 is meegedeeld. Wel is tijdens het gesprek op 7 april 2016 tegen [verzoekster] gezegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan fraude en dat dit op camera-beelden is te zien. Ook werd gezegd dat [verzoekster] niet meer hoefde te verschijnen op de werkvloer en haar pasjes moest inleveren, aldus [verzoekster] . Zowel [A.] als [B.] hebben tijdens het getuigenverhoor op 8 augustus 2016 verklaard dat [verzoekster] tijdens het gesprek op 7 april 2016 wel degelijk ontslag op staande voet is aangezegd. Dit volgt ook als zodanig uit het door [A.] opgestelde feitenverslag (productie 1 bij het verweerschrift) en de brief van 12 april 2016. De kantonrechter acht dan ook bewezen, mede gelet op hetgeen volgens [verzoekster] tijdens het gesprek wél aan haar is meegedeeld, dat het ontslag op staande voet op 7 april 2016 is gegeven.

5.5

Als reden voor het ontslag op staande voet is volgens het feitenverslag van [A.] het volgende aan [verzoekster] meegedeeld:

“Vervolgens heeft [voornaam] (ktr: [A.] ) aan [voornaam] (ktr: [verzoekster] ) gemeld wat het resultaat is van een intern onderzoek waarbij zichtbaar werd dat bij [verzoekster] :

  • -

    Vaker een retour op class. Nivo (ktr: classificatieniveau, d.w.z. een retour zonder kassabon én zonder prijskaartje) werd teruggenomen dan gemiddeld

  • -

    Vaker een retour werd teruggenomen zonder kassabon

  • -

    Vaker direct na een dergelijke retour direct een retouroverzicht wordt uitgeprint

  • -

    Het gemiddelde retourbedrag bij [verzoekster] hoger ligt dan het landelijk gemiddelde

  • -

    In de retourbonnetjes van de fraudeleuze retouren geen gaatjes van een beugel zit om het artikel met bijbehorend bonnetje weg te hangen.

[…]

Daar duidelijk werd dat [verzoekster] zich bleef vastbijten in het feit waar zij het geld dan gelaten zou hebben heeft [A.] de gehele gang van zaken bij de retour van 18.08 uur op 21 maart nog eens doorgenomen […].”

5.6

In de brief van 12 april 2016 is als reden voor het ontslag meegedeeld:

- dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude in dienstbetrekking;

- dat uit camerabeelden blijkt dat [verzoekster] in ieder geval op 21 maart 2016 rond 18:08 uur fraude heeft gepleegd met een retour;

- dat daarnaast uit intern onderzoek blijkt dat [verzoekster] met regelmaat artikelen retour neemt zonder kassabon en er vaak direct na een dergelijke retour een retour-overzicht wordt uitgeprint, terwijl uit het systeem blijkt dat de retour genomen artikelen niet meer in het vak hangen noch weer verkocht worden.

5.7

[A.] heeft tijdens het op 8 augustus 2016 gehouden getuigenverhoor verklaard dat zijn feitenverslag een correcte weergave is van het gesprek op 7 april 2016. [B.] heeft verklaard dat “Hij (ktr: [A.] ) zei dat hij dacht dat mevrouw [verzoekster] daarmee (ktr: met de retourprocedures) fraude had gepleegd en hij heeft dat toegelicht aan de hand van wat hij op de videobeelden had gezien van 21 maart 2016 om 18:06 uur.”

5.8

C&A c.s. heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat [verzoekster] op 21 maart 2016 ook omstreeks 14:01 uur op dezelfde wijze als omstreeks 18:08 uur fraude heeft gepleegd. Volgens de getuigenverklaringen van [A.] en [B.] alsmede het feitenverslag van [A.] hebben [A.] en [B.] voorafgaand aan het gesprek op 7 april 2016 de camerabeelden van eerstgenoemd tijdstip in combinatie met de kassa-registraties bekeken en (naar eigen zeggen) frauduleus handelen geconstateerd. Uit hetgeen hiervoor onder 5.5 t/m 5.7 is weergegeven blijkt echter niet dat het incident van omstreeks 14:01 uur tijdens het gesprek op 7 april 2016 of in de brief van 12 april 2016 ter sprake is gebracht, laat staan aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Nu C&A op dat moment wél over alle relevante informatie hieromtrent beschikte, kan het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen, in deze procedure niet alsnog dienen ter onderbouwing van de stelling dat [verzoekster] fraude heeft gepleegd.

5.9

Omtrent het incident in de avond van 21 maart 2016 stelt de kantonrechter allereerst vast dat [verzoekster] na sluiting van de winkel om 18:08 uur een retour op classificatieniveau heeft aangeslagen, waarna zij direct een retouroverzicht heeft uitgeprint. Op dit moment was er geen artikel bij de kassa aanwezig dat retour is genomen. Anders dan door C&A c.s. is gesteld, heeft [verzoekster] het retouroverzicht niet zelf afgetekend (zie productie 2 bij het verweerschrift). Op de ter zitting van 27 juni 2016 getoonde camerabeelden is te zien dat [verzoekster] met haar handen in de kassalade verdwijnt en dat de handen van [verzoekster] daarin enige tijd verblijven. [verzoekster] draagt hierbij lange mouwen. Dat [verzoekster] op dit moment het retourbedrag van € 19,90 uit de kassa heeft weggenomen, volgt volgens C&A c.s. uit het feit dat er ondanks het aanslaan van de retour geen kassaverschil is ontstaan.

5.10

[verzoekster] heeft over het voorgaande verklaard dat een klant in de namiddag van 21 maart 2016 stelde een aantal dagen eerder haar aankoopbon en te retourneren kleding te hebben afgegeven aan een collega onder achterlating van haar gegevens. Omdat de klant, anders dan haar was toegezegd, nog niet was teruggebeld, kwam zij weer naar het filiaal. [verzoekster] wist hier niets van. Na overleg via het oortje met de assistent storemanager [C.] heeft [verzoekster] de instructie gekregen een bedrag van € 19,90 retour te geven. [C.] gaf aan dat het haar bekend was dat een broek was teruggebracht en dat deze in het reservemagazijn was gehangen. [verzoekster] vroeg nog of [C.] kon assisteren, nu [verzoekster] geen bon en geen artikel had, maar [C.] antwoordde daar geen tijd voor te hebben. [verzoekster] heeft de klant toen € 19,90 uit de kassa gegeven. Tussen 17:30 en 17:45 uur heeft [C.] nog aan [verzoekster] gevraagd of het was gelukt met de retour en aangegeven dat ze het later zouden verwerken. Na sluitingstijd heeft [verzoekster] de retour op de kassa aangeslagen en het retouroverzicht uitgedraaid. Het aftekenen van het retouroverzicht zou [C.] de volgende ochtend doen. [verzoekster] heeft haar hierop voor het verlaten van het pand nog geattendeerd, aldus [verzoekster] . Op de camerabeelden is volgens [verzoekster] te zien dat zij haar handen in de kassa heeft, omdat zij achterin de kassa voelde of er nog losse muntjes lagen. Dat deed [verzoekster] naar eigen zeggen altijd.

5.11

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de gestelde fraude, rust op C&A c.s. de bewijslast hiervan.

5.12

[C.] heeft tijdens het op 8 augustus 2016 gehouden getuigenverhoor over het betreffende incident als volgt verklaard:

“Vanaf 14:00 uur werkten wij, door een fout van mij, maar met twee man, te weten mevrouw [verzoekster] en ikzelf. […] U houdt mij voor dat mevrouw [verzoekster] heeft verklaard over het incident op 21 maart 2016 dat een klant tegen haar had gezegd dat zij die week een artikel had afgegeven en haar gegevens had achtergelaten maar dat zij niet door C&A was teruggebeld. Voorts dat ze daar niets van wist en mij erbij gevraagd heeft waarna ik zou hebben gezegd dat ik daarvan wist en dat ik de klant een bedrag van € 19,90 kon terugbetalen. Dit is niet juist. Op de eerste plaats nemen wij nooit een artikel in zonder de kwestie meteen op te lossen. Het komt dus niet voor dat een klant een artikel achterlaat waarna wij dan op een later tijdstip of een latere dag over die kwestie contact met die klant opnemen. Mevrouw [verzoekster] heeft mij ook nooit gevraagd over een terugbetaling van € 19,90 aan een klant. Als er sprake is van een terugbetaling aan een klant dan wordt dat schriftelijk vastgelegd in een boekingsstuk waarvan één exemplaar in het filiaal blijft en een ander exemplaar naar het hoofdkantoor gaat. Dat boekingsstuk wordt door de klant meeondertekend. […] Toen ik in februari 2016 in het filiaal [straat- en plaatsnaam] begon was het reservemagazijn overzichtelijk. Rolletjes kleingeld liggen normaalgesproken achterin de kassabak. Die kassabak is van achteren dicht en daar kan niks achter vallen.”

5.13

Op de verklaring van [C.] is naar het oordeel van de kantonrechter het een en ander af te dingen:

5.13.1

Waar [C.] verklaart dat het niet voorkomt dat een klant een artikel achterlaat zonder dat de kwestie meteen wordt opgelost, wordt door de heer [D.] (tot 1 juli 2016 verkoopmedewerker bij het C&A filiaal aan de [straat- en plaatsnaam] , hierna: [D.] ) tijdens het op 14 september 2016 gehouden getuigenverhoor evenwel als volgt verklaard:

“U vraagt mij naar de procedure wanneer mensen gekochte artikelen willen ruilen. Ik licht dit toe aan de hand van een voorbeeld. Een mevrouw komt een artikel terugbrengen, maar zij is haar bon kwijt. Als zij per pin heeft betaald kunnen wij de bon opzoeken. Als zij contant heeft betaald nemen wij het artikel in. Wij kunnen dan in het systeem kijken naar het artikelnummer aan de hand van het label in het betreffende artikel. Aan de hand van een code kunnen we dan uitzoeken aan welke kassa en wanneer het artikel is verkocht. Als we dat weten dan bellen wij de klant op om langs te komen om het artikel te ruilen of de aankoopprijs terug te krijgen. […] Als een klant terugkwam omdat hij niet gebeld was naar aanleiding van een retour, dan moest je naar het reservemagazijn om het artikel op te zoeken. Dan roep je een leidinggevende erbij en leg je deze de situatie voor. Dan vroeg je de leidinggevende of je de retour mocht afhandelen.”

Blijkens de als productie 26 zijdens [verzoekster] in het geding gebrachte transcriptie (waarvan de juistheid niet door C&A c.s. is betwist), heeft tussen [verzoekster] en [E.] (de voormalig leidinggevende van [verzoekster] /storemanager van het filiaal aan de [straat- en plaatsnaam] tot januari 2016, hierna: [E.] ), voor zover thans van belang, het volgende telefoongesprek plaatsgevonden:

[voornaam] (ktr: [verzoekster] ): […] weet jij nog hoe jij mij hebt uitgelegd op de [straat- en plaatsnaam] , over klanten die naar de winkel toe komen met bijvoorbeeld klachten. Dat je die dan aannamen, en op een rek achter hing met hen gegevens erop en dat je daar dan later op een bepaalde manier naar kijkt wanneer het de leiding of DV uitkomt en dat het dan nagekeken werd en dat de klanten daarna opgebeld werden

[E.] : Ja

[verzoekster] : na een week of aan het eind van de week

[E.] : Ja

[verzoekster] : Zo heb je het mij toch uitgelegd tijdens mijn examens?

[E.] : Ja Ja […]

[…]

[verzoekster] : […] dat je het mij uitgelegd in dat filiaal, dat je zo te werk ging hebt dat je kleding aannam van de klanten en de klanten hen gegeven noteren en later teruggebeld werden

[E.] : als het goed is heb je daar al je examens in gehad en is die al afgetekend.

[…]

[verzoekster] : Het gaat mij om de stappen die mij uitgelegd zijn op dat moment, dat ik op dat moment de goederen terug moest nemen

[E.] : Die stappen heb jij genoteerd

[…]

[verzoekster] : Het gaat puur om de klachtenafhandeling van de klanten, de manier, als de klanten naar de kassa toe komen, dat ze dan hen artikelen achter laten..

[E.] : ja dat snap ik […].

[…]

[E.] : ik heb jou de procedure uitgelegd en als het goed is heb jij die ook uitgewerkt. als klachten binnen komen en het is niet duidelijk, dan noteren we alle gegevens, dan houden we het artikel omdat dit nog opgezocht moet worden en dan worden de klanten in de meeste gevallen teruggebeld.”

[E.] heeft op 23 augustus 2016 weliswaar schriftelijk - na contact met de district manager en [B.] - een andersluidende verklaring afgelegd, namelijk dat de klant in een voorkomend geval het artikel weer meeneemt, maar uit voormelde transcriptie volgt dat [E.] in eerste instantie tegenover [verzoekster] bij herhaling aangeeft dat de door haar geschetste procedure juist is, althans niet aangeeft dat dit niet klopt, waarna [E.] nota bene zelf de procedure herhaalt.

5.13.2

[C.] verklaart dat de kassabak van achteren dicht is en dat daar niets achter kan vallen. [D.] heeft hierover echter het volgende verklaard:

“U vraagt mij naar het kassasysteem. Bij C&A heb je twee verschillende soorten kassa’s, een klik-systeem en een baksysteem. In het filiaal [straat- en plaatsnaam] hebben de kassa’s een baksysteem die met een lade open en dicht kan gaan. De kassa staat in die bak en die bak is iets groter dan de kassa. Het komt weleens voor dat munten of biljetten achter of naast de kassalade vallen of achter de klep blijven hangen omdat de kassalade te vol is met briefgeld. Om dat te controleren voelden wij dan in de bak of er geld achter de kassa was blijven hangen. U houdt mij voor dat [C.] heeft verklaard dat de kassabak van achter dicht is en dat daar niets achter kan vallen. Dat is niet juist. Vaak genoeg hebben wij bij een sluiting meegemaakt dat er nog een biljet of muntje in de bak lag.”

5.13.3

[C.] heeft over het reservemagazijn verklaard dat dit overzichtelijk was. [D.] verklaart hierover het volgende:

“Het magazijn in het filiaal [straat- en plaatsnaam] is heel klein en er was een grote voorraad. Daardoor was dat magazijn eigenlijk nooit opgeruimd. Soms werden er vele artikelen aangeleverd die dan ook nog in het magazijn moesten worden opgeslagen. Het magazijn was daardoor eigenlijk nooit overzichtelijk. Het kwam dan ook regelmatig voor dat we artikelen niet konden terugvinden.”

[verzoekster] verklaart in dit kader:

“Voordat mevrouw [B.] de store manager werd was het een chaos in het reservemagazijn. Er lag overal kleding op de grond en er was geen doorkomen aan. Onder leiding van mevrouw [B.] en mevrouw [C.] is het reservemagazijn opgeruimd met medewerking van een stagiaire. Op 21 maart 2016 was men nog bezig met het opruimen van het magazijn.”

Ook [E.] heeft in het telefoongesprek met [verzoekster] aangegeven dat het filiaal aan de [straat- en plaatsnaam] rommelig is.

5.13.4

Over het ondertekenen van een retourdocument door de klant heeft [D.] het volgende verklaard:

“Als een klant in verband met een retour geld terugkreeg dan hoefde hij geen handtekening te zetten op een document. Dat was alleen het geval als de klant korting had gekregen. De klant kreeg gewoon het geld terug zonder dat hij iets hoefde te tekenen.”

[verzoekster] heeft hieromtrent verklaard:

“Als aan een klant geld moest worden teruggeven in verband met een retour dan was daar geen formulier noch een handtekening van de klant voor nodig.”

De kantonrechter merkt in dit kader op dat noch namens C&A c.s. als procespartij, noch door [B.] en [A.] als getuigen, is aangevoerd dat de klant een handtekening moet zetten als sprake is van een terugbetaling. Dit blijkt evenmin uit het als productie 21 zijdens [verzoekster] in het geding gebrachte kassaprotocol.

5.14

Nu voorts blijkens de verklaring van [C.] op de bewuste middag sprake was van onderbezetting en zij pas geruime tijd na het incident (in ieder geval pas na 7 april 2016) naar de gang van zaken is gevraagd, is allerminst uit te sluiten dat haar verklaring op onjuiste herinneringen is gebaseerd.

5.15

De kantonrechter overweegt verder dat op de camerabeelden niet (expliciet) is te zien dat [verzoekster] een bedrag van (circa) € 19,90 wegneemt uit de kassa.

5.16

Dat geen artikel is teruggevonden dat met de retour om 18:08 uur correspondeert, zoals door C&A c.s. nog is aangevoerd, kan naar het oordeel van de kantonrechter een gevolg zijn van het feit dat de retour op classificatieniveau is genomen zodat niet in de kassa is geregistreerd wélk artikel precies is geretourneerd. Bovendien is het onderzoek door C&A pas geruime tijd ná 21 maart 2016 verricht. Dat op dat moment geen artikel meer kon worden teruggevonden, leidt niet tot de conclusie dat de door [verzoekster] gestelde gang van zaken zich niet kan hebben voorgedaan.

5.17

Aldus is de kantonrechter van oordeel dat C&A c.s. niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en dat derhalve niet in rechte is komen vast te staan dat [verzoekster] op 21 maart 2016 heeft gefraudeerd.

5.18

C&A c.s. heeft nog aangevoerd dat [verzoekster] vaker dan gemiddeld een retour op classificatieniveau neemt, vaker dan gemiddeld een retour neemt zonder kassabon, vaker direct na een dergelijke retour een retouroverzicht print, dat het gemiddeld retourbedrag van [verzoekster] hoger ligt dan het gemiddelde en dat [verzoekster] haar eigen retouren controleert en aftekent. [A.] heeft in dit kader als volgt verklaard:

“Ik benadruk dat de kwestie van het retour van 21 maart 2016 om 18:08 uur één van de vele keren is dat op dezelfde wijze door mevrouw [verzoekster] retouren zijn aangeslagen zonder kassabon en zonder een prijskaartje van het betreffende artikel. Wat mevrouw [verzoekster] betreft is dit in het eerste kwartaal van 2016 vijftien keer voorgekomen. Ter vergelijking: normaalgesproken wordt in een heel filiaal dergelijke retouren op dezelfde wijze verwerkt eenmaal per maand. Bovendien was het gemiddelde transactiebedrag van de door mevrouw [verzoekster] verwerkte retouren ongeveer € 40,00 terwijl dit normaal gesproken € 15,00 tot € 20,00 is. Bovendien is mij opgevallen dat mevrouw [verzoekster] in alle gevallen na het aanslaan van de retouren meteen de retourenoverzichten heeft uitgedraaid zonder controle door een derde persoon, zoals het protocol voorschrijft.”

5.19

Voor zover het bovenstaande al in het gesprek op 7 april 2016 ( [verzoekster] betwist de inhoud hiervan) dan wel in de brief van 12 april 2016 aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, geldt naar het oordeel van de kantonrechter dat indien dit in rechte zou komen vast te staan ( [verzoekster] heeft de stellingen van C&A c.s. terzake betwist en C&A c.s. heeft deze niet met stukken onderbouwd), er wellicht een vermoeden is dat [verzoekster] fraudeert, maar dat dit op zichzelf nog geen dringende reden is voor een ontslag op staande voet.

5.20

Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag op staande voet een dringende reden ontbeert. Het ontslag op staande voet is daarmee niet rechtsgeldig gegeven.

Gelet op de wetsgeschiedenis is een ontslag op staande voet dat niet rechtsgeldig wordt geacht als zodanig ernstig verwijtbaar, omdat dan is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Het verzoek om aan [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen is dan ook als op de wet gegrond toewijsbaar.

5.21

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de omstandigheden van het geval.

5.22

De kantonrechter wil bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding tot uitdrukking brengen dat een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet grote impact heeft op iemands persoonlijk leven. Naast de emotionele impact ziet een werknemer zich plotseling geconfronteerd met een situatie waarin geen recht meer bestaat op salaris en waarin men niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering. Voorkomen moet dan ook worden dat een werknemer op staande voet wordt ontslagen wegens een beschuldiging van fraude, terwijl daarvoor onvoldoende bewijs voorhanden is. Dit rechtvaardigt een toe te kennen billijke vergoeding van substantiële betekenis, waarbij tevens rekening wordt gehouden met het salarisniveau van [verzoekster] .

5.23

Alles afwegende oordeelt de kantonrechter in dit geval een billijke vergoeding van € 6.000,00 bruto passend. De over de billijke vergoeding verzochte rente wordt afgewezen, omdat voor toewijzing daarvan geen wettelijke grondslag bestaat.

5.24

[verzoekster] maakt aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Artikel 7:677 lid 4 BW is echter alleen van toepassing bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, terwijl [verzoekster] zich (uiteindelijk) op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 30 uur per week. De verzochte vergoeding is wél (gedeeltelijk) toewijsbaar op grond van artikel 7:672 lid 9 BW. De vergoeding moet dan worden gesteld op het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Zodoende is een bedrag gelijk aan het loon tot 1 juli 2016, te weten een bedrag van € 3.987,58 bruto toewijsbaar. De wettelijke rente over dit bedrag wordt in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW toegewezen vanaf 7 april 2016.

5.25

Nu het (thans) primair verzochte deels wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van hetgeen subsidiair is verzocht.

5.26

C&A c.s. wordt als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

in het incident

5.27

Nu in deze beschikking al een finale beslissing wordt gegeven inzake het verzoek van [verzoekster] ex artikel 7:681 BW, is alleen al om die reden een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv thans niet toewijsbaar. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding en het geding eindigt met deze beschikking. Het incidentele verzoek wordt daarom afgewezen.

5.28

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in het incident te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak

veroordeelt C&A c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoekster] van een billijke vergoeding ter hoogte van € 6.000,00 bruto;

veroordeelt C&A c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoekster] van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ter hoogte van € 3.987,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 7 april 2016;

veroordeelt C&A c.s. hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 79,00 aan griffierecht, € 17,00 aan getuigentaxe en € 1.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte;

in het incident

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. van Boven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

673