Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8662

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
C/10/494722 / HA ZA 16-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW. Onvoldoende rekening gehouden met belangen van schuldeisers van de vennootschap door aandelen en bestuur over te dragen aan persoon die katvanger blijkt te zijn. Schending boekhoudplicht in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW. Aansprakelijk voor boedeltekort. Ook katvanger aansprakelijk. Afwijzing vordering inzake wettelijke rente en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/276
AR 2016/3326
RO 2017/19
OR-Updates.nl 2016-0303
INS-Updates.nl 2017-0028
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/494722 / HA ZA 16-136

Vonnis van 9 november 2016

in de zaak van

MR. BOUKE JELLE NAUTA Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. B.C. Doolaard,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F.A. Piek,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. R.M. Prins,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 26 en 27 november 2015, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie tot zekerheidstelling van 23 maart 2016 van [gedaagde 1] ;

  • -

    de conclusie van antwoord van 23 maart 2016 van [gedaagde 2] , met producties;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van 6 april 2016;

  • -

    het vonnis in het incident van 25 mei 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 8 juni 2016 van [gedaagde 1] , met producties

  • -

    de brief van de rechtbank van 15 juni 2016, waaruit volgt dat een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van de rechtbank van 28 juli 2016, inhoudende een zittingsagenda;

  • -

    de akte uitlaten van de curator, met producties;

  • -

    de producties 16 en 17 van [gedaagde 1] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de ter gelegenheid van de comparitie door mr. Doolaard en mr. Piek overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    de beslagstukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2015 is [gefailleerde] (hierna: de vennootschap) failliet verklaard. De curator is benoemd tot curator.

2.2.

De vennootschap bestaat sinds 1999 en drijft een groothandel in voedingsmiddelen.

2.3.

[gedaagde 1] is vanaf 1999 tot en met 20 januari 2015 (enig aandeelhouder en) bestuurder geweest van de vennootschap. Vanaf 26 januari 2015 is de Stichting Administratiekantoor [gefailleerde] (hierna: de STAK) bestuurder, sinds 21 mei 2015 samen met [gedaagde 3] .

2.4.

De STAK is door [gedaagde 1] opgericht op 20 januari 2015. [gedaagde 1] is vanaf de oprichting tot en met 26 januari 2015 bestuurder geweest. Van 26 januari 2015 tot en met 21 mei 2015 is [gedaagde 2] bestuurder geweest van de STAK. Vanaf 21 mei 2015 is [gedaagde 4] bestuurder.

2.5.

Op 8 maart 2007 heeft de douane een zogenoemde ‘uitnodiging tot betaling’ aan de vennootschap gedaan ten bedrage van € 768.710,04. Een en ander had betrekking op naheffing en boete in verband met te lage door de vennootschap betaalde invoertarieven voor door haar geïmporteerde bulgur (een graanproduct). Het beroep van de vennootschap tegen de beschikking van de douane is in drie instanties ongegrond verklaard, laatstelijk bij arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2014. In verband met de ‘uitnodiging tot betaling’ heeft de vennootschap reeds in 2012 een betalingsregeling met de douane getroffen.

2.6.

Eind 2014 is [gedaagde 2] , via bemiddeling door een zekere [persoon 1] , in contact gekomen met [gedaagde 1] .

2.7.

Op 26 januari 2015 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een document getiteld “Overeenkomst van verkoop/koop van een stichting” ondertekend. Dit document bepaalt onder andere dat [gedaagde 2] van [gedaagde 1] “de volle en vrije eigendom” van zowel de STAK als de vennootschap koopt voor een koopsom van € 50.000,--.

2.8.

Bij het hier bedoelde document behoort een bijlage getiteld “Overdrachtsbalans per 23 januari 2015”. Deze balans luidt als volgt:

ACTIVA

Vaste activa

Materiële vaste activa

Verbouwing 18.095

Inventaris 1.120

Vervoermiddelen 131.350

150.565

Vlottende activa

Voorraden

Gereed product en handelsgoederen 689.400

Vorderingen

Vorderingen op handelsdebiteuren 460.424

Belastingen en premies sociale verzekeringen 49.195

Overigen vorderingen en overlopende activa 203.421

713.041

Liquide middelen 96.719 ________

1.649.726

PASSIVA

Eigen vermogen

Geplaatst kapitaal 18.000

Overige reserves 14.421

32.421

Langlopende schulden

Schulden aan kredietinstellingen 16.518

Kortlopende schulden

Schulden aan kredietinstellingen 549.085

Aflossingsverplichtingen langlopende schulden 13.200

Schulden aan leveranciers en handelskredieten 153.662

Belastingen en premies sociale verzekeringen 884.839

Overige schulden en overlopende passiva _______

1.600.787

_________

1.649.726

2.9.

Naar aanleiding van het faillissement heeft de curator van geen van de hierboven genoemde personen die als (indirect) bestuurder stonden of staan ingeschreven de beschikking gekregen over enigerlei administratie van de vennootschap, behoudens de hiervoor weergegeven overdrachtsbalans.

2.10.

Op 8 juni 2016 heeft [gedaagde 1] (als bijlage bij de conclusie van antwoord) aan de curator alsnog de balans en winst- en verliesrekening over 2014 van de vennootschap met de grootboekkaarten en de voorraadlijst ter beschikking gesteld.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert – kort samengevat – het volgende:

- primair:

hoofdelijke veroordeling van gedaagden om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te voldoen het bedrag van de totale boedelpassief zoals dat zal blijken na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans subsidiair tot betaling aan de curator van het tekort in het faillissement van de vennootschap, althans de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade, op te maken bij staat;

- subsidiair:

een verklaring voor recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld ex artikel 6:162 BW, althans hun taak onbehoorlijk hebben vervuld ex artikel 2:9 BW en hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling aan de curator van de ter zake geleden schade, op te maken bij staat;

- primair en subsidiair:

hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling aan de curator van een voorschot van € 75.000,-- en hoofdelijke veroordeling in de proceskosten;

met verstrekking van een Europese executoriale titel.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator met veroordeling van de curator in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

[gedaagde 2] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

in reconventie

3.4.

[gedaagde 1] vordert – samengevat – het volgende:

  • -

    een verklaring voor recht dat de curator persoonlijk aansprakelijk is voor de proceskosten in conventie in reconventie alsmede de beslagkosten en de daardoor veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat;

  • -

    opheffing van de gelegde conservatoire beslagen dan wel de curator te veroordelen tot doorhaling daarvan alsmede het vrijgeven van de in depot gehouden gelden;

  • -

    veroordeling van de curator tot vergoeding van de door de banken in rekening gebrachte beslagkosten, te vermeerderen met rente;

  • -

    veroordeling van de curator tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, ten gevolge van de op de onroerende zaken van [gedaagde 1] gelegde conservatoire beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    veroordeling van de curator in de proceskosten, waaronder de nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente.

3.5.

De curator voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.

4 De beoordeling

in conventie

de vordering jegens [gedaagde 1]

4.1.

De vordering van de curator is gebaseerd op artikel 2:248 leden 1 en 2 BW. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [gedaagde 1] ofwel kort voor de overdracht aan [gedaagde 2] de activa uit de vennootschap heeft gehaald, waardoor deze geen kans op voortbestaan had, ofwel in het kader van die overdracht zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hij het mogelijk heeft gemaakt dat de vennootschap door de opvolgend bestuurders is leeggehaald. In beide gevallen is sprake van onbehoorlijk bestuur (en onrechtmatig handelen) als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW, waarvan aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Ook heeft [gedaagde 1] zich volgens de curator schuldig gemaakt aan schending van de boekhoudplicht als bedoeld in artikel 2:10 BW. Noch over 2014, noch over 2015 is de boekhouding aan de curator ter beschikking gesteld. De documentatie die alsnog (bij conclusie van antwoord) is verstrekt, kan niet dienen als deugdelijke administratie. Op deze grond is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur, dat heeft te gelden als een belangrijke oorzaak van het faillissement.

4.2.

[gedaagde 1] bestrijdt dat hij in het kader van de overdracht aan [gedaagde 2] onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft zich terdege vergewist van haar deskundigheid en goede bedoelingen en kon dus in redelijkheid besluiten tot verkoop van de onderneming. Hij heeft evenmin de activa van de vennootschap verduisterd. Hoewel [gedaagde 1] de volledige administratie bij de overdracht aan [gedaagde 2] heeft overhandigd en de kopiestukken op haar verzoek heeft vernietigd, is hij erin geslaagd de administratie te reconstrueren. Hieruit blijkt dat voldaan is aan de boekhoudplicht van artikel 2:10 BW.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank komt de primaire vordering van de curator voor toewijzing in aanmerking. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.

Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is iedere bestuurder in geval van faillissement van de vennootschap hoofdelijk jegens de boedel aansprakelijk voor het bedrag van het boedeltekort, indien het zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als hier bedoeld is volgens vaste rechtspraak aan de orde indien geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben.

4.5.

Bij hetgeen hierna wordt overwogen neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat elke bestuurder tegenover de vennootschap is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak (artikel 2:9 BW). De bestuurder is aansprakelijk voor de gevolgen van schending van deze verplichting, waarbij blijkens vaste rechtspraak dezelfde norm geldt als zojuist in 4.4 weergegeven.

4.6.

Uit het betoog van [gedaagde 1] zelf blijkt dat hij vanaf eind 2014 naar mogelijkheden zocht om zich van de vennootschap los te maken. Hoewel [gedaagde 1] heeft gesteld dat deze wens mede werd ingegeven door problemen in de familiesfeer, leidt de rechtbank uit zijn betoog af dat een belangrijke drijfveer werd gevormd door het in 2.5 genoemde arrest van de Hoge Raad. Als gevolg van dat arrest kwam de verschuldigdheid van de (forse) belastingclaim immers definitief vast te staan (daargelaten of [gedaagde 1] voordien al die claim in de jaarrekening had behoren te verwerken, zoals de curator meent en [gedaagde 1] betwist). Gegeven die wens mocht van [gedaagde 1] als bestuurder worden verwacht dat hij zich in zijn zoektocht naar een opvolgend bestuurder mede zou laten leiden door het belang van de vennootschap en haar crediteuren. Dat geldt in dit geval te meer, nu, zoals niet ter discussie staat, de vennootschap eind 2014/begin 2015 niet alleen schuldeisers had met forse vorderingen, maar ook beschikte over activa met een aanzienlijke financiële waarde. In deze omstandigheden had van [gedaagde 1] mogen worden verwacht ten minste enig onderzoek te doen naar de achtergrond en gegoedheid van de persoon of personen aan wie hij het bestuur en de aandelen van de vennootschap wilde overdragen. [gedaagde 1] heeft niet aldus gehandeld.

4.7.

De curator heeft onbetwist gesteld, met verwijzing naar een uitlating van [gedaagde 1] tijdens een gesprek met de curator (productie 5 bij dagvaarding), dat [gedaagde 2] eenvoudigweg “op enig moment” is “binnen komen lopen in Rotterdam”. [gedaagde 1] heeft zich klaarblijkelijk op geen enkele wijze vergewist van de identiteit van [gedaagde 2] en hij beschikte niet over haar adres- en contactgegevens. [gedaagde 1] heeft gesteld dat [gedaagde 2] “een betrouwbare indruk” maakte, dat zij reeds geruime tijd in Nederland woonachtig was en actief was geweest “in de textiel” en voorts dat zij “ook overigens zeer actief en overtuigend overkwam met haar plannen voor de onderneming” (pleitaantekeningen sub 1.3 en 1.4). [gedaagde 1] heeft deze stellingen evenwel op geen enkele wijze onderbouwd of geconcretiseerd. Dit lag wel op zijn weg, nu op hem als bestuurder immers de verplichting rustte in het kader van de voorbereiding van de bestuursoverdracht onderzoek te doen naar de achtergrond en gegoedheid van de beoogde opvolger. Aan de hier weergegeven stellingen van [gedaagde 1] komt bij gebrek aan enige onderbouwing of concretisering geen betekenis toe.

4.8.

Voorts heeft [gedaagde 1] gesteld dat voorafgaande aan de met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst inzake “de volle en vrije eigendom” van de STAK en de vennootschap ook gesprekken tussen de bank en koper hebben plaatsgevonden en dat ook de bank enthousiast was over de beoogde opvolger. De curator heeft deze stelling betwist met verwijzing naar de door [gedaagde 1] als productie 16 overgelegde e-mail correspondentie van de bank, waarin de bank met zoveel woorden vermeldt dat zij pas in maart 2015 van de overdracht op de hoogte is geraakt. Dit heeft [gedaagde 1] vervolgens niet weersproken. Integendeel: uit de namens hem gedane uitlatingen ter zitting (pleitaantekeningen sub 2.1 en volgende) kan niet anders worden afgeleid dan dat het contact met de bank pas na de overdracht heeft plaatsgevonden. Anders dan wat [gedaagde 1] kennelijk meent, kan hij zich dus niet achter een positieve houding van de bank ten aanzien van de beoogde koper verschuilen, laat staan dat de opvatting van de bank hem ontsloeg van de verplichting zich van de achtergrond en de gegoedheid van de beoogde koper te vergewissen.

4.9.

Deze twee omstandigheden in samenhang bezien moeten leiden tot de conclusie dat [gedaagde 1] zich in onvoldoende mate ervan heeft vergewist dat de vennootschap bij [gedaagde 2] in goede handen zou zijn en dat de bestuursoverdracht mede in het belang van de crediteuren van de vennootschap zou zijn. Wetende dat zich in de vennootschap aanzienlijke activa bevonden, maar ook dat er schuldeisers waren met aanzienlijke vorderingen, heeft [gedaagde 1] door te handelen zoals hij stelt dat hij heeft gedaan een onverantwoord risico genomen dat na de overdracht de activa uit de vennootschap zouden verdwijnen en dat de schulden daarin zouden achterblijven. Geen redelijk handelend bestuurder zou in dezelfde omstandigheden hebben gehandeld zoals [gedaagde 1] heeft gedaan. Hij heeft dus zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk vervuld als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW. Hierbij komt het volgende.

4.10.

Bij dagvaarding heeft de curator het standpunt ingenomen dat het, in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden, “opmerkelijk” is dat de in de overeenkomst genoemde koopsom van € 50.000,-- kennelijk (volgens [gedaagde 1] ) deels contant is betaald. Hierop heeft [gedaagde 1] bij antwoord niet gereageerd. Ter zitting heeft hij bij monde van zijn advocaat verklaard dat deze contante betaling geenszins opmerkelijk is, omdat [gedaagde 1] het in zijn onderneming gewend was om veel contant te betalen (pleitaantekeningen sub 1.9). Vervolgens heeft de advocaat van [gedaagde 2] ter zitting het volgende verklaard:

“Op enig moment is zij benaderd door haar achterbuurman [persoon 1] . Dat was kerst 2014. Hij vroeg haar of ze samen met haar broer een onderneming wilde runnen en bestuurder wilde worden. Het ging om de onderneming van [gedaagde 1] , die volgens [persoon 1] familieproblemen had en van zijn bedrijf af wilde. [gedaagde 2] begreep niet goed waar het over ging. Nu begrijpt ze dat ze als katvanger is gebruikt. De verklaring van de betalingen zoals opgenomen in de conclusie van antwoord blijkt nu onjuist. Zij heeft de werkelijke gang van zaken eerst ten opzichte van de curator en mij verzwegen. Inmiddels is zij twee dagen lang door de fiod verhoord geweest en daar heeft zij het echte verhaal gedaan. In werkelijkheid heeft zij niet zelf € 10.000,-- betaald. [gedaagde 1] is met [gedaagde 2] en haar broer naar de ING Bank gegaan, daar heeft [gedaagde 1] € 10.000,-- op de rekening van haar broer gestort. Vervolgens zijn zij drieën naar het bowlingcentrum van [gedaagde 1] gegaan en daar is die € 10.000,-- overgemaakt op de rekening van [gedaagde 1] . Dat is alles wat er betaald is.

Hierna is [gedaagde 2] verschillende keren op het bedrijf geweest, maar ze mocht niet weten wat daar allemaal gebeurde, er werden transacties verricht achter gesloten deuren waar ze niet van af mocht weten. Elke keer dat zij daar was, was ook [persoon 2] er. [persoon 1] heeft enorme druk op [gedaagde 2] uitgeoefend om als katvanger op te treden. Hij benadert haar ook nu nog steeds.”

De juistheid van deze verklaring is uitdrukkelijk door [gedaagde 2] zelf bevestigd. Op de namens [gedaagde 2] gedane verklaring heeft [gedaagde 1] als volgt gereageerd:

“Wat [gedaagde 2] heeft verklaard over de betaling is onjuist. Zij heeft zelf € 10.000,-- naar mijn

rekening overgemaakt. Als het is gegaan zoals zij heeft verklaard, waarom heeft zij zich daarvoor dan laten gebruiken? Ik weet niets van betalingen van € 1.500,-- en € 1.300,--, ik ben na de verkoop immers nooit bij het bedrijf terug geweest, dat heeft [gedaagde 2] zelf ook verklaard. Ik blijf erbij dat ik in totaal € 50.000,-- heb ontvangen, waarvan € 10.000,-- per bank. Voor de € 40.000,-- die ik contant heb ontvangen heb ik geen kwitanties afgegeven.

Bij de verkoop van de onderneming heb ik de boekhouding netjes overgedragen, ik heb alles achtergelaten in het bedrijf. Daarbij waren [gedaagde 2] , haar broer en [persoon 1] aanwezig.”

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 1] aldus onvoldoende concreet gereageerd op de (concrete) verklaring van [gedaagde 2] . Van [gedaagde 1] had verwacht mogen worden al bij antwoord concreet in te gaan op de wijze waarop de betaling (volgens hem) is verlopen, een en ander onderbouwd met stukken. De curator had die betaling immers uitdrukkelijk genoemd als een van de omstandigheden die in dit verband van belang zijn. Aldus zou er geen onduidelijkheid kunnen resteren over de vraag van wiens rekening het bedrag van

€ 10.000,-- naar zijn rekening is overgemaakt: van die van [gedaagde 3] (verklaring [gedaagde 2] ) of van die van [gedaagde 2] zelf (verklaring [gedaagde 1] ). De reactie van [gedaagde 1] op de verklaring van [gedaagde 2] kan overigens niet anders worden gezien dan als kale betwisting. Met de curator is de rechtbank daarom van oordeel dat de gang van zaken rondom de (vermeende) betaling bijdraagt aan de conclusie dat [gedaagde 1] in het kader van de bestuursoverdracht niet heeft gehandeld zoals van hem als bestuurder verwacht had mogen worden.

4.11.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel [gedaagde 1] ook heeft gehandeld in strijd met de boekhoudplicht als bedoeld in artikel 2:10 BW, zodat ook op die grond sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur (artikel 2:248 lid 2 BW). Vaststaat dat in elk geval over het jaar 2015 (tot aan de datum van het faillissement) geen administratie is gevoerd, zodat reeds om die reden sprake is van schending van de boekhoudlicht. De rechtbank wijst erop dat de vennootschap ook volgens de verklaring van [gedaagde 1] zelf in de maand januari 2015 nog actief is geweest, dat wil zeggen gedurende de periode dat [gedaagde 1] nog bestuurder was, terwijl ook over die maand iedere administratieve verantwoording ontbreekt. Verder ontbreekt ook over 2014 een werkelijke boekhouding, althans vaststaat dat de curator daarover niet beschikt en dat [gedaagde 1] die boekhouding in deze procedure niet heeft overgelegd. Weliswaar heeft [gedaagde 1] als productie 13 bij conclusie van antwoord de balans en de grootboekkaarten van de vennootschap overgelegd, maar in elk geval ontbreekt een lijst van debiteuren en crediteuren. Dat betekent dat de overgelegde stukken niet van een zodanig niveau zijn dat snel inzicht kan worden verkregen in de debiteuren- en de crediteurenpositie op enig moment, zodat niet aan de eisen van artikel 2:10 BW is voldaan. In het midden kan daarom blijven of de boekhouding ook andere gebreken bevat, zoals de curator in zijn akte uitlaten uitvoerig heeft betoogd. Ook kan in het midden blijven of [gedaagde 1] na de bestuursoverdracht actief is gebleven als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:248 lid 7 BW.

4.12.

De aard van het handelen van [gedaagde 1] zoals beschreven in 4.6 tot en met 4.10 brengt mee dat aannemelijk is dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Ten aanzien van de schending van de boekhoudplicht geldt dat een dergelijk verband tussen het onbehoorlijk bestuur en het faillissement van de vennootschap wordt vermoed. Een alternatieve, van buiten komende oorzaak van het faillissement heeft [gedaagde 1] overigens niet gesteld. Voor zover [gedaagde 1] zou menen dat het faillissement niet door hem maar door de opvolgende bestuurders is veroorzaakt, geldt dat die omstandigheid niet aan de verantwoordelijkheid van [gedaagde 1] afdoet. Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft hij het eventuele voor de vennootschap en haar crediteuren schadelijke handelen van de opvolgende bestuurders immers mogelijk gemaakt.

4.13.

Niet ter discussie staat dat de hier bedoelde onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur binnen een periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement heeft plaatsgevonden. Aldus is voldaan aan de in lid 6 van artikel 2:248 BW genoemde voorwaarde voor een op dat artikel gebaseerde vordering.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele boedeltekort. De desbetreffende primaire vordering van de curator zal worden toegewezen.

4.15.

De curator vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van een voorschot van € 75.000,--. De curator heeft daartoe aangevoerd dat tot op heden voor een bedrag van bijna € 2 miljoen aan vorderingen in het faillissement van de vennootschap is ingediend, terwijl het gerealiseerde actief beperkt is tot ruim € 7.000,--. Op dit punt heeft [gedaagde 1] geen verweer gevoerd, zodat de vordering toewijsbaar is.

4.16.

De vordering inzake de wettelijke rente zal worden afgewezen. De regeling van artikel 2:248 BW strekt ertoe dat de aansprakelijke partij een zodanig bedrag betaalt dat het faillissement volledig kan worden afgewikkeld door alle schulden, inclusief de boedelschulden, te voldoen. Toewijzing van de wettelijke rente over dat bedrag zou ertoe leiden dat na voldoening van alle geverifieerde vorderingen en boedelschulden nog een bedrag resteert. Dat is niet de bedoeling van de regeling van artikel 2:248 BW. De wettelijke rente is daarom niet toewijsbaar.

4.17.

Toewijzing van de vordering op grond van artikel 2:248 BW leidt ertoe dat de aansprakelijke partij het gehele tekort aan de curator dient te voldoen, inclusief dat deel dat is ontstaan door de kosten van de onderhavige procedure. Veroordeling tot vergoeding van de door de curator gemaakte proceskosten is daarom niet nodig. Ook dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

de vordering jegens [gedaagde 2]

4.18.

De curator baseert zijn vordering op [gedaagde 2] op dezelfde gronden als de vordering ingesteld tegen [gedaagde 1] . Ook ten aanzien van [gedaagde 2] geldt volgens de curator het verwijt dat de boekhoudverplichting als bedoeld in artikel 2:10 BW is geschonden en dat zij verantwoordelijkheid draagt voor de omstandigheid dat de vennootschap op de datum van het faillissement geheel was ontdaan van haar activa.

4.19.

[gedaagde 2] heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat zij samen met haar broer [gedaagde 3] in totaal € 50.000,-- heeft betaald in het kader van de in 2.7 bedoelde koopovereenkomst. Verder heeft zij gesteld dat zij nimmer zelfstandig bestuurshandelingen in de vennootschap heeft verricht. Ter comparitie is [gedaagde 2] teruggekomen op haar verklaring omtrent de betaling, zoals weergegeven in 4.10.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat de primaire vordering jegens [gedaagde 2] toewijsbaar is. Vaststaat dat zij gedurende enige tijd (indirect) bestuurder is geweest van de vennootschap. Uit haar eigen verklaring volgt dat zij op geen enkele wijze daadwerkelijk als bestuurder actief is geweest. Daaruit kan worden afgeleid dat zij zich heeft laten gebruiken als katvanger, zoals zijzelf ook onderkent. Niet valt in te zien dat zij daarvoor niet verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden. Uit de eigen verklaring van [gedaagde 2] volgt dat zij zich geen rekenschap heeft gegeven van de bij een positie als bestuurder van een vennootschap behorende verantwoordelijkheden en dat zij zich evenmin de gerechtvaardigde belangen van de crediteuren van de vennootschap heeft aangetrokken. Zij heeft dus haar taak als bestuurder in ernstige mate veronachtzaamd. Aldus is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 jo. 2:11 BW. Aannemelijk is dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. [gedaagde 2] is dus aansprakelijk voor het boedeltekort. De vordering ter zake de veroordeling tot betaling van een voorschot op de uiteindelijke betalingsverplichting zal als voldoende onderbouwd en niet betwist worden toegewezen.

4.21.

Voor de vordering inzake de wettelijke rente en die inzake de proceskosten geldt hetzelfde als ten aanzien van [gedaagde 1] overwogen in 4.16 en 4.17.

de vordering jegens [gedaagde 3]

4.22.

is woonachtig in Roemenië, zodat sprake is van een internationaal geval. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier de situatie voor dat sprake is van meer verweerders, van wie er drie woonplaats hebben in Nederland, en voorts dat sprake is van een zo nauwe band tussen de vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Deze rechtbank is dus bevoegd (artikel 8 aanhef en sub 1 Herschikte EEX-Verordening).

4.23.

[gedaagde 3] heeft geen verweer gevoerd. De jegens hem door de curator ingestelde vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, waarbij de rechtbank aantekent dat, nu anderszins niet is gesteld of gebleken, de onderhavige vordering moet worden beoordeeld naar Nederlands recht (artikel 10:119 aanhef onder sub d BW). De vordering zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat ten aanzien van de wettelijke rente en de proceskosten hetzelfde geldt als overwogen in 4.16 en 4.17. Hierbij verdient opmerking dat naar het oordeel van de rechtbank reeds uit de dagvaarding in voldoende mate kan worden afgeleid dat de vordering van de curator mede is gebaseerd op artikel 2:248 lid 1 BW, zodat de aanvulling van de grondslag van de eis, opgenomen in de conclusie van antwoord in reconventie, in zoverre overbodig was. Dit betekent dat niet van belang is dat de aanvulling van de grondslag van de eis niet aan [gedaagde 3] is betekend als bedoeld in artikel 130 lid 3 Rv.

4.24.

De curator heeft verzocht om waarmerking van dit vonnis als Europese executoriale titel. Dit verzoek is toewijsbaar. De rechtbank zal daarom het door EG-verordening nr. 805/2004 voorgeschreven formulier afgeven.

de vordering jegens [gedaagde 4]

4.25.

is niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd. De jegens haar door de curator ingestelde vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De (primaire) vordering zal daarom worden toegewezen. In dit verband geldt hetzelfde als in 4.16, 4.17 en 4.23 is overwogen.

voorts met betrekking tot alle gedaagden

4.26.

De curator vordert hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden. Ook dit deel van de vordering is toewijsbaar.

in reconventie

4.27.

De vordering in reconventie is gebaseerd op het standpunt van [gedaagde 1] dat de curator ten onrechte tot beslaglegging ten laste van [gedaagde 1] is overgegaan. Uit de beoordeling in conventie volgt echter dat de curator op goede gronden tot beslaglegging ten laste van [gedaagde 1] is overgegaan, zodat reeds om die reden de vordering in reconventie niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.28.

Ten aanzien van de vordering tot veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten geldt hetzelfde als overwogen in 4.17.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt gedaagden in conventie hoofdelijk, des dat de één betalende ook de anderen zullen zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te voldoen het bedrag van het totale boedelpassief zoals dat zal blijken na het houden van de verificatievergadering;

5.2.

veroordeelt gedaagden in conventie hoofdelijk, des dat de één betalende ook de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een voorschot op het in 5.1 bedoelde boedelpassief van € 75.000,--;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

verstaat dat een Europese executoriale titel wordt verstrekt door middel van het aan de dagvaarding gehechte formulier;

(voorts) in conventie en in reconventie

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. C. Bouwman en mr. J. Roest en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.

[1980/1729/2254]