Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8661

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-11-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
10/997005-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

5 maanden gevangenis voor actieve omkoping niet-ambtenaren. Alternatieve toedracht niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997005-14

Datum uitspraak: 14 november 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

raadsvrouw mr. S.S.S. Heinerman, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 en 31 oktober 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. M.J. Dontje en A. Rogaar hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vaststaande feiten

[Stichting 1] (waarmee ook haar rechtsvoorgangers worden bedoeld) is een woningstichting die in de Rotterdamse regio woningen en bedrijfsruimtes bouwt, beheert en verhuurt. Bij het aantrekken van vermogen en andere financiële producten maakt [Stichting 1] gebruik van de diensten van geldmakelaars. Geldmakelaars bemiddelen tussen aanbieders en afnemers van financiële producten. Wanneer met bemiddeling van een geldmakelaar een overeenkomst tot stand was gebracht, ontving de geldmakelaar een bedrag aan provisie als beloning.

[medeverdachte] , de medeverdachte, is bij [Stichting 1] achtereenvolgens werkzaam geweest als Stafmedewerker Treasury, als Financieel Adviseur/Treasurer, als Controller en als Senior Adviseur Treasury. Uit hoofde van deze functies was hij in toenemende mate zelfstandig verantwoordelijk om namens [Stichting 1] met financiële instellingen te onderhandelen bij het sluiten van contracten over geldleningen en derivaten. Daartoe onderhield de medeverdachte relaties met banken en met geldmakelaars.

De verdachte (waarmee ook [bedrijf 1] wordt bedoeld, een vennootschap waarvan de verdachte directeur en enig aandeelhouder was) was een van de geldmakelaars waarmee [Stichting 1] zaken deed. In de jaren 2006 tot en met 2010 heeft de verdachte in totaal € 160.475 overgemaakt naar bankrekeningen op naam van [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ), het in Zuid-Afrika gevestigde bedrijf van de aldaar wonende [getuige] , broer van de medeverdachte. Er zijn zes aan [bedrijf 1] gerichte facturen van [bedrijf 2] bij de verdachte aangetroffen, voor een totaal bedrag van € 120.000. Op de terechtzitting hebben de verdachte en de medeverdachte verklaard dat deze facturen door de medeverdachte aan de verdachte zijn overhandigd. Over de toedracht van deze betalingen zijn verschillende verklaringen afgelegd.

4.2.

Scenario 1

Het eerste scenario is gebaseerd op de verklaring van de medeverdachte. Hij heeft tegenover zijn werkgever en tegenover de FIOD bekend dat hij geld heeft aangenomen van de verdachte. De medeverdachte heeft verklaard dat deze betalingen geen verband hielden met specifieke transacties, maar niet zouden zijn gedaan als [Stichting 1] geen diensten van de verdachte had afgenomen. In 2005 heeft de verdachte twee keer € 3.000 contant aan de medeverdachte betaald. Vanaf 2006 wilde de verdachte niet langer contante betalingen aan de medeverdachte doen maar bedragen giraal overmaken, en daarom vroeg hij de medeverdachte om facturen. De medeverdachte heeft vervolgens meerdere malen per factuur bedragen van telkens € 20.000 aan [bedrijf 1] in rekening gebracht. Hij gebruikte hiervoor het briefpapier van [bedrijf 2] . De verdachte leverde de tekst voor de omschrijving van de op de factuur vermelde werkzaamheden aan en het factuurbedrag. De betalingen kwamen binnen op een bankrekening die [getuige] op verzoek van de medeverdachte op naam van [bedrijf 2] had geopend. De medeverdachte nam de gelden op deze bankrekening op.

4.3.

Scenario 2

Het tweede, alternatieve, scenario is gebaseerd op de verklaring van de verdachte dat de betalingen die hij via [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] deed bestemd waren voor [getuige] . [getuige] had recht op een aanbreng-fee omdat hij [Stichting 1] als klant bij de verdachte had aangebracht. Dit was omstreeks 2004 besproken tijdens een etentje met de broers [medeverdachte] . Dat recht op een aanbreng-fee is blijven bestaan tijdens de volle duur van de klantrelatie met [Stichting 1] , tot wetgeving provisiebetalingen door banken aan geldmakelaars verbood. De verdachte wist niet dat de bedragen die hij aan [bedrijf 2] had overgemaakt naar de medeverdachte werden doorgeleid. De verdachte ontkent zich dan ook aan omkoping schuldig te hebben gemaakt.

4.4.

Beoordeling rechtbank

De door de verdediging aangevoerde alternatieve toedracht is een duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie onderbouwd standpunt dat tot vrijspraak van de verdachte moet leiden indien dit scenario door de rechtbank redelijkerwijs voor mogelijk wordt gehouden.

Steun voor de opvatting van de verdediging dat [getuige] [Stichting 1] als klant bij de verdachte heeft aangebracht en recht zou hebben op een beloning daarvoor, is allereerst te vinden in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Daarnaast past de omstandigheid dat de verdachte facturen van [bedrijf 2] , het bedrijf van [getuige] , heeft voldaan door betalingen te doen op een rekening van [bedrijf 2] in de voorgestelde loop der zaken. Onbeantwoord blijft evenwel de vraag hoe [getuige] , die zelf geen banden heeft met [Stichting 1] , in staat zou zijn om dit bedrijf als klant bij een geldmakelaar aan te brengen. Verbazing wekt de omstandigheid dat de verdachte en [getuige] elkaar maar een enkele keer hebben gezien, en dat die enkele ontmoeting de grondslag zou zijn voor een jarenlange reeks van betalingen van zeer substantiële omvang.

Steun voor de opvatting van de officieren van justitie is allereerst te vinden in het verhoor van de kasbeheerder van een grote woningcorporatie, die tegenover de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties heeft verklaard dat zijn collega bij de rechtsvoorganger van [Stichting 1] geld van derden heeft aangenomen. Kort daarna heeft de medeverdachte dat bevestigd en meermalen gedetailleerd en in voor hem zeer belastende zin tegenover de FIOD uiteengezet op welke manier en onder welke omstandigheden hij bedragen van de verdachte heeft aangenomen. In deze toedracht past ook de omstandigheid dat de medeverdachte en de verdachte elkaar over een reeks van jaren regelmatig troffen in het kader van de zakelijke relatie tussen [Stichting 1] en financiële dienstverleners. [Stichting 1] had de medeverdachte belast met onderhoud van relaties met geldverstrekkers en -makelaars zodat de medeverdachte qualitate qua in een voor omkoping vatbare positie verkeerde. Ten slotte staat de verklaring die [getuige] bij de FIOD heeft afgelegd haaks op de door de verdediging gestelde alternatieve toedracht.

Het door de officier van justitie gestelde scenario en de door de verdediging aangevoerde alternatieve toedracht sluiten elkaar uit; als de ene versie aannemelijk wordt bevonden kan de andere slechts onwaar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het scenario dat de verdachte de medeverdachte heeft omgekocht, stevig is verankerd in het dossier en niet is omgeven met onbeantwoorde vragen of met andere ongerijmdheden. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de door de verdediging gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden. De rechtbank is verder van oordeel dat de verdachte, gelet op de oorsprong en omvang van de betalingen alsmede gelet op de tussen de verdachte en de medeverdachte overeengekomen wijze waarop de betalingen werden gedaan, redelijkerwijs moest aannemen dat de medeverdachte die in strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegenover zijn werkgever. De verdachte die bij het aan hem verweten gedrag gebruik heeft gemaakt van de besloten vennootschap [bedrijf 1] , kan als functioneel dader worden aangemerkt.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Hij op tijdstippen in de periode van 8 juli 2008 tot

en met 16 december 2010 in Nederland, aan iemand, te weten [medeverdachte] ,

die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking bij [Stichting 2]

en/of [Stichting 1] (zijnde de rechtsopvolger van [Stichting 2]

per 1 juni 2011) in de functie van Financieel Adviseur en/of Treasurer van

[Stichting 2] en/of Controller van [Stichting 2] en/of [Stichting 1]

(zijnde de rechtsopvolger van [Stichting 2] per 1 juni 2011) en/of Senior

Adviseur Treasury van [Stichting 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze

[medeverdachte] in dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal

doen of nalaten, telkens een gift, te weten de betaling van een

giraal geldbedrag tot een totaalbedrag van Euro 80.000,-, heeft gedaan van die aard en/of onder

zodanige omstandigheden dat hij, redelijkerwijs moest aannemen dat die [medeverdachte] deze giften in

strijd met de goede trouw zou verzwijgen tegen over zijn werkgever;

2.

Hij op tijdstippen in de periode van 15 december 2005

tot en met 10 juli 2014 te Almere,

opzettelijk

voorhanden heeft gehad

zes (6), facturen van [bedrijf 2]

( [bedrijf 2] ) gericht aan [bedrijf 1]

ten bedrage van in totaal circa Euro 120.000,- (te

weten: DOC-020 en/of DOC-019 en/of DOC-008 en/of DOC-009 en/of DOC-010 en/of DOC-011),

zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs

van enig feit te dienen, terwijl hij wist dat die

geschriften bestemd waren tot gebruik als ware die geschriften

echt en onvervalst, en bestaande die valsheid telkenshierin

dat op die facturen is vermeld dat door [bedrijf 2]

werkzaamheden en/of diensten (te

weten: "begeleiding van financieringen") zijn verricht ten behoeve van [bedrijf 1]

, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden

en/of diensten niet, door [bedrijf 2]

zijn verricht ten behoeve van [bedrijf 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Aan iemand die, anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen deze in zijn dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten en/of zal doen en/of zal nalaten, een gift heeft gedaan van die aard en/of onder zodanige omstandigheden, dat hij redelijkerwijs moet aannemen dat deze gift in strijd met de goede trouw zal verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

2.

Opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan omkoping. Hij bemiddelde bij transacties tussen [Stichting 2] / [Stichting 1] en geldverstrekkers en heeft in de jaren 2008 tot en met 2010 in totaal € 80.000 smeergeld aan de kasbeheerder van een woningcorporatie betaald. Daarnaast heeft de verdachte valse facturen voorhanden gehad, die de medeverdachte had opgemaakt om het karakter van de betalingen te verhullen.

Giften aan de kasbeheerder van een woningcorporatie in een omvang zoals die zich hier voordoet leiden tot een onaanvaardbare belangenverstrengeling tussen de schenker en de ontvanger. De verdachte heeft met zijn handelen getracht om de zakelijke relatie met de woningcorporatie te smeren en bestendigen; zijn relatie met een woningcorporatie die zich richt op sociale woningbouw en volkshuisvesting voor de minst bedeelden in de samenleving. Mede door het handelen van de verdachte heeft de maatschappij het vertrouwen verloren in de integriteit van woningcorporaties. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij daaraan voorbij is gegaan en slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële belangen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 september 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft zich er rekenschap van gegeven dat het handelen van de verdachte zware gevolgen voor hem en zijn gezin heeft gehad; hij heeft zijn bron van inkomen verloren en zijn goede naam wat hem ernstig belemmert in het vinden van een dienstbetrekking, en hij is aansprakelijk gesteld voor de schade die [Stichting 2] / [Stichting 1] heeft geleden. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact en met het oog op normstelling generale preventie en vergelding, op de bewezenverklaarde feiten niet anders gereageerd kan worden dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57, 225 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 november 2016.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(onderzoek [Stichting 1] / gefisnummer 54988):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juli 2008 tot

en met 16 december 2010 te Rotterdam en/of Soest en/of Almere en/of Utrecht

en/of Laren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) aan iemand, te weten [medeverdachte] ,

die anders dan als ambtenaar, werkzaam is in dienstbetrekking bij [Stichting 2]

en/of [Stichting 1] (zijnde de rechtsopvolger van [Stichting 2]

per 1 juni 2011) (in de functie van Financieel Adviseur en/of Treasurer van

[Stichting 2] en/of Controller van [Stichting 2] en/of [Stichting 1]

(zijnde de rechtsopvolger van [Stichting 2] per 1 juni 2011) en/of Senior

Adviseur Treasury van [Stichting 1] ), naar aanleiding van hetgeen deze

[medeverdachte] in dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten dan wel zal

doen of nalaten, (telkens) een of meer gift(en), te weten de betaling van een

of meer girale geldbedrag(en) tot een totaalbedrag van circa Euro 80.000,-, in

elk geval enig(e) geldbedrag(en), heeft gedaan van die aard en/of onder

zodanige omstandigheden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

redelijkerwijs moest(en) aannemen dat die [medeverdachte] deze gift(en) in

strijd met de goede trouw zou/zal verzwijgen tegen over zijn werkgever;

Artikel 328ter lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 328ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(onderzoek [Stichting 1] / gefisnummer 54988):

Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 december 2005

tot en met 10 juli 2014 te Utrecht en/of Almere, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

voorhanden heeft gehad

zes (6), althans een of meer, factu(u)r(en) van [bedrijf 2]

( [bedrijf 2] ) en/of [medeverdachte] gericht aan [bedrijf 1]

en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 120.000,- (te

weten: DOC-020 en/of DOC-019 en/of DOC-008 en/of DOC-009 en/of DOC-010 en/of

DOC-011),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs

van enig feit te dienen, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die

geschrift(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware dat/die geschrift(en)

echt en onvervalst, en bestaande die valsheid en/of vervalsing (telkens)

hierin

dat op/in die factu(u)r(en) is vermeld dat door [bedrijf 2]

en/of [medeverdachte] werkzaamheden en/of diensten (te

weten: "begeleiding van financieringen") zijn verricht ten behoeve van [bedrijf 1]

en/of hem, verdachte, terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden

en/of diensten niet, althans niet geheel, door [bedrijf 2]

en/of [medeverdachte] zijn verricht ten behoeve van/voor

[bedrijf 1] en/of hem, verdachte

en/of (telkens)

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) is/zijn vermeld dat/die in

werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft op die in die

factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten,

Artikel 225 lid 2 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht