Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8653

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
18-11-2016
Zaaknummer
KTN-5313883_11112016
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot vernietiging ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1335
AR 2016/3454
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5313883 VZ VERZ 16-18350

uitspraak: 11 november 2016

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.J. Vis te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

Rotterdamse Electrische Tram N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. I.H.M. van den Berg-Buijsse te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “RET”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] , met producties, ontvangen op 19 augustus 2016;

  • -

    het verweerschrift van RET, met producties;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift, tevens reactie op het verweerschrift.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. RET heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in het bijzijn van [A.] , [B.] en [C.] , werkzaam als financieel manager respectievelijk teamleider en personeelsadviseur bij RET. De griffier heeft aantekening gehouden van het verhandelde ter zitting, waarbij de gemachtigde van RET het woord heeft gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.

1.3

Partijen hebben ter zitting een regeling getroffen waarmee de arbeidsovereenkomst met

wederzijds goedvinden is beëindigd. Deze beëindigingsovereenkomst is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting.

1.4

Bij brief van 7 oktober 2016 heeft [verzoekster] aan RET medegedeeld de

beëindigingsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter is hiervan op de hoogte gesteld en verzocht om een beschikking te geven.

1.5

De uitspraak van de beschikking is nader bepaald op heden.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten.

2.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 mei 1990 bij (de rechtsvoorganger van) RET in dienst getreden en heeft daar carrière gemaakt. Vanaf 1 januari 2012 is zij daar werkzaam geweest in de functie van Medewerker Projecten bij de afdeling Concernadministratie op grond van een arbeidsovereenkomst.

2.2

Op 20 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [A.] , voornoemd, en [D.] , personeelsadviseur, en anderzijds [verzoekster] in het bijzijn van haar toenmalige gemachtigde [E.] . Tijdens dit gesprek is [verzoekster] voorgehouden dat zij enkele dagen daarvoor een e-mailbericht had verzonden, waarin de volgende zin voorkwam: “Ik heb diverse gesprekken gehad met jou en mevrouw [A.] waarbij ik de VOC-mentaliteit heb geproefd.” Op de vraag wat zij hiermee bedoelde, heeft [verzoekster] geantwoord dat het ging om een “gevoel”. Daarnaar gevraagd kon [verzoekster] geen voorbeeld geven van wat [A.] en [D.] zouden hebben gedaan om een dergelijk gevoel bij [verzoekster] te veroorzaken en op deze wijze tot uiting te brengen. Vervolgens is [verzoekster] medegedeeld dat dergelijke (schofferende) uitingen niet worden geaccepteerd.

2.3

[verzoekster] heeft op 14 april 2016 tijdens een teamoverleg, waarbij een presentatie werd besproken, medegedeeld: “Zwarte medewerkers zijn buiten de presentatie gehouden”. Dit is door RET beschouwd als zou er sprake zijn (geweest) van racisme op de werkvloer. Op 19 april 2016 is [A.] hierover het gesprek aangegaan met [verzoekster] , wederom in het bijzijn van [E.] . Geconcludeerd is dat het “gevoel” van [verzoekster] , dat “eruit floepte” gebaseerd was op aannames en niet op feiten. [verzoekster] is medegedeeld dat zij discriminatie mag melden, maar dat het van belang is dat zij dit gefundeerd doet. Bij brief van RET van 26 april 2016 heeft [verzoekster] een officiële waarschuwing gekregen omdat haar uiting wordt gezien als ongeoorloofd gedrag en stemmingmakerij binnen de afdeling.

2.4

Op 7 juni 2016 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. Zij heeft een uitnodiging gehad om op 16 juni 2016 om 8:30 uur te verschijnen bij de bedrijfsverpleegkundige. [verzoekster] is toen verschenen in het bijzijn van haar zoon, die zich heeft gemengd in het gesprek tussen [verzoekster] en de bedrijfsverpleegkundige. De bejegening door de zoon van [verzoekster] heeft de bedrijfsverpleegkundige als bedreigend ervaren. Zij heeft [verzoekster] doorverwezen naar de bedrijfsarts, bij wie zij diezelfde dag nog moest verschijnen. De bedrijfsarts heeft [verzoekster] met ingang van 17 juni 2016 volledig arbeidsgeschikt geacht voor haar eigen werkzaamheden.

2.5

Op 17 juni 2016 is [verzoekster] niet op haar werk verschenen. Die dag heeft zij haar leidinggevende [F.] , voornoemd, om 8:49 uur een Whatsapp-bericht gezonden met de tekst: “Vrijdag vrije dag omdat ik ziek ben”. [F.] heeft de ziekmelding niet geaccepteerd, gelet op de melding door de bedrijfsarts dat [verzoekster] volledig arbeidsgeschikt was, en heeft aan haar medegedeeld dat er teveel werk lag om op een dergelijk korte termijn een verlofdag toe te kennen. Vervolgens heeft [verzoekster] de volgende berichten gestuurd naar [F.] : “Is advies van de bedrijfsarts. Tot dinsdag.” en “Ben wel zwart maar niet een werkslaaf van je.” en “Ik hoor wel hoeveel stokslagen ik krijg schriftelijk graag”. [verzoekster] is ook later die dag niet op het werk verschenen.

2.6

RET heeft [verzoekster] op 17 juni 2016 geschorst wegens onheuse bejegening van diverse medewerkers, waaronder haar direct leidinggevende, op 16 en 17 juni 2016 en wegens ongeoorloofde afwezigheid op 17 juni 2016 en in verband met het instellen van een nader onderzoek.

2.7

Op 22 juni 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds [A.] , [F.] en [C.] , voornoemd, aan de zijde van RET en anderzijds [verzoekster] bijgestaan door [E.] en haar huidige gemachtigde. In dit gesprek is zij om uitleg gevraagd over de voorvallen op 16 en 17 juni 2016. [verzoekster] is er tijdens het gesprek op gewezen dat RET discriminatie binnen haar organisatie absoluut niet tolereert. Tevens is [verzoekster] erop gewezen dat zij diverse malen promotie heeft gemaakt en steeds kansen en vertrouwen heeft gekregen van RET. Op de vraag of zij zich op het werk gediscrimineerd en/of bedreigd voelt, heeft [verzoekster] geantwoord dat zij zich niet veilig voelt, maar op de vraag naar de oorzaak daarvan is zij het antwoord schuldig gebleven. [verzoekster] is voorgehouden dat geconstateerd is dat de volgende teksten met betrekking tot haar leidinggevende en de bedrijfsarts op haar facebookpagina zijn aangetroffen:

Verwerkingsproces omdat ik gediscrimineerd wordt door blanke teringtrutten hihi haha”

en

“Gediscrimineerd door blankheid der vrouwen en ze vinden nog dat ze me helpen hihi”

en

“Wat een geluk heb jij, Ebru. Ik heb helaas niet het geluk gehad en nog erger door twee blanke vrouwen en Hrm deed mee. Jammer hoor om dat te voelen. Geef het aan mensen zodat je een ander de pijn kan besparen. Het heeft mijn kinderen geraakt daardoor is mijn haat zo diep dat ik niet wist dat ik zo kon haten.”

en

“Ach de blanke bedrijfsarts heeft compensatiedrang. Moderne slavenhandelaar.”

en

“Zelf meegemaakt. In een week 5 fouten. Mensen die zoveel fouten maken beslissen over jouw gezondheid. Hang ze op voor ze jou hangen.”

en

“Niveau verloederd. Maar niemand durft het aan te kaarten. Mensen kom op laat je door deze misselijk types die nergens anders aan de bak kunnen over jouw gezondheid beslissen. Hij schiet je af. Oog om oog tand om tand. Hihi”

[verzoekster] is in herinnering gebracht dat zij op 26 april 2016 is gewaarschuwd. Zij is om uitleg gevraagd, maar heeft geen verklaring gegeven voor haar uitlatingen. Vervolgens is zij op staande voet ontslagen.

2.8

Bij brief van 23 juni 2016 heeft RET het ontslag op staande voet bevestigd aan [verzoekster] .

2.9

Op 8 augustus 2016 heeft [verzoekster] bij het Uwv een deskundigenoordeel aangevraagd over haar arbeids(on)geschiktheid. Op 5 september 2016 heeft het Uwv geoordeeld dat [verzoekster] op 17 juni 2016 haar eigen werk kon verrichten.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoekster] verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. het op 22 juni 2016 verleende ontslag te vernietigen;

  2. te bepalen dat RET [verzoekster] dient te re-integreren en haar na volledig herstel te werk moet stellen in haar functie van Medewerker Projecten, althans een vergelijkbare functie met alle daarbij behorende taken, binnen uiterlijk twee dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of deel daarvan dat RET ook na betekening van de in deze te wijzen beschikking in gebreke mocht blijven aan een zodanige veroordeling te voldoen;

en voorts RET te veroordelen tot betaling van:

3. een bedrag ad. € 3.261,54 bruto per maand te vermeerderen met de overige emolumenten, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, ingaande 22 juni 2016 en zolang de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd;

4. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over de onder 3 genoemde post;

5. de wettelijke rente over de onder 3 en 4 gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

subsidiair

voor het geval geoordeeld wordt dat er sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, echter zonder dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoekster] , dan wel het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:

veroordeling van RET tot betaling binnen vijf dagen na de in deze te wijzen beschikking aan [verzoekster] van:

een transitievergoeding ad € 46.249,49 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

meer subsidiair

voor het geval dat [verzoekster] ervoor kiest om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst:

veroordeling van RET tot betaling binnen vijf dagen na de in deze te wijzen beschikking aan [verzoekster] van:

  1. een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

  2. een bedrag ter hoogte van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren conform artikel 7:672 lid 9 BW, neerkomend op € 15.310,16 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

  3. een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding ad € 46.249,49 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

  4. de wettelijke rente over de onder hiervoor gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;

met veroordeling van RET tot betaling van de kosten van het geding, het salaris van de gemachtigde van [verzoekster] en het griffierecht daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking.

3.2

Daarnaast verzoekt [verzoekster] om hangende de procedure de voorlopige voorzieningen te treffen vermeld in het verzoekschrift.

3.3

[verzoekster] legt aan haar verzoek - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag dat het ontslag op staande voet vernietigd dient te worden, omdat de daarvoor gegeven redenen geen dringende reden oplevert om tot een dergelijk ontslag over te gaan.

4 Het verweer en tegenverzoek

4.1

RET concludeert tot afwijzing van de verzoeken, zowel in de hoofdzaak als bij wijze van voorlopige voorziening, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten.

4.2

Daartoe voert RET - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - aan dat

[verzoekster] terecht op staande voet ontslagen is, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij op de afwijzing van haar aanvraag voor een verlofdag zeer ongepast en schofferend heeft gereageerd naar haar leidinggevende. Vervolgens is zij ondanks deze afwijzing op 17 juni 2016 niet op het werk verschenen, waardoor zij zonder toestemming afwezig is geweest. Voorts is gebleken dat [verzoekster] vanaf 31 mei 2016 via Facebook, haar leidinggevenden, de bedrijfsarts en de bedrijfsverpleegkundige heeft geschoffeerd en niet onderbouwd heeft beschuldigd van racisme, terwijl zij voor dergelijk gedrag al eens schriftelijk is gewaarschuwd.

4.3

Voor het geval tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt overgegaan, verzoekt RET om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de arbeidsovereenkomst tussen RET en [verzoekster] te ontbinden, met nevenverzoeken.

4.4

Op de nadere stellingen van partijen wordt ingegaan voor zover nodig in het kader van de beoordeling.

5 De beoordeling

in de hoofdzaak ten aanzien van het ontslag op staande voet

5.1

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op dat artikel kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Op grond artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, kort gezegd in geval van onverwijlde opzegging om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

5.2

Een dringende reden voor de werkgever bestaat ingevolge artikel 7:678 BW in daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag òf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

5.3

De redenen voor het door RET gegeven ontslag op staande voet zijn - zakelijk weergegeven - de volgende:

  1. het door [verzoekster] zeer ongepast en schofferend reageren naar de leidinggevende op de afwijzing van haar aanvraag voor een verlofdag, terwijl zij voor dergelijk gedrag al officieel is gewaarschuwd;

  2. het door [verzoekster] op 17 juni 2016 ongeoorloofd niet op het werk verschijnen;

  3. de constatering dat [verzoekster] vanaf 31 mei 2016 via Facebook, haar leidinggevenden, de bedrijfsarts en de bedrijfsverpleegkundige heeft geschoffeerd en niet onderbouwd heeft beschuldigd van discriminatie/racisme.

5.4

De kantonrechter zal allereerst stil staan bij het onder 3 vermelde verwijt, omdat dit verwijt het meest ernstig is en genoemde constatering voor RET doorslaggevend lijkt te zijn geweest om tot ontslag op staande voet over te gaan.

5.5

Niet weersproken is door [verzoekster] dat de onder 2.7 geciteerde teksten afkomstig zijn van haar Facebookpagina en door haar zijn geschreven. Kennelijk heeft [verzoekster] niet verhinderd dat deze pagina toegankelijk was voor medewerkers van RET, althans dat haar leidinggevenden op enigerlei wijze kennis konden nemen van de inhoud van de teksten. Om begrijpelijke redenen heeft RET, die aanvoert dat zij discriminatie binnen haar organisatie absoluut niet tolereert, hierover uitleg gevraagd. Die uitleg is blijkens het gesprekverslag van 22 juni 2016 niet, althans niet genoegzaam gegeven. [verzoekster] heeft geen feiten aangedragen die haar beschuldiging dat zij bij RET gediscrimineerd wordt, kunnen dragen. Zij heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor haar teksten, waarvan niet ontkend is dat die betrekking hebben op haar leidinggevenden, de bedrijfsarts en de bedrijfsverpleegkundige. Terecht heeft RET de ongefundeerde verwijten aan hun adres hoog opgenomen, omdat dergelijke verwijten, hoewel ongegrond, toch kunnen bewerkstelligen dat bij sommige medewerkers de gedachte postvat dat binnen RET gediscrimineerd wordt en afstand nemen daarvan lastig kan zijn, hetgeen de verhoudingen op de werkvloer zacht gezegd niet ten goede komt. Temeer heeft RET dit hoog kunnen opnemen, nu [verzoekster] herhaaldelijk gewaarschuwd is over de wijze waarop zij meent uiting te moeten geven aan haar gevoelens. Verwezen wordt naar hetgeen hierover onder 2.2 en 2.3 is vastgesteld. Daarbij komt dat uit de onder 2.7 geciteerde teksten blijkt dat er bij [verzoekster] kennelijk sprake is van dermate sterke negatieve gevoelens ten opzichte van voornoemde personen, dat zij spreekt over haat en in geweldstermen om de problemen die zij met hen ondervindt op te lossen. Haar eigen teksten zijn discriminatoir. De wijze waarop [verzoekster] zich heeft uitgelaten is niet alleen ernstig verwijtbaar, maar heeft haar positie volstrekt onhoudbaar gemaakt, zodat er een dringende reden is geweest voor RET om de arbeidsovereenkomst met haar onverwijld op te zeggen.

5.6

Omdat de onder 3 genoemde reden het ontslag op staande voet reeds kan dragen, behoeven de onder 1 en 2 weergegeven gronden daarvoor geen uitgebreidere bespreking dan dat het kwalijk is te noemen dat [verzoekster] zich op 17 juni 2016 met een WhatsApp-bericht ziek heeft gemeld, terwijl de bedrijfsarts haar een dag eerder volledig arbeidsgeschikt achtte voor haar werkzaamheden en ook het Uwv zich op het standpunt heeft gesteld dat zij op 17 juni 2016 haar eigen werk kon verrichten. Meer dan kwalijk is de wijze waarop [verzoekster] zich vervolgens heeft verstaan met haar leidinggevende toen die haar ziekmelding niet accepteerde en ook niet bereid was om [verzoekster] een verlofdag toe te kennen. Met de onder 2.5 vermelde berichten is [verzoekster] , die al gewaarschuwd was, flink over de schreef gegaan. Dat is zij ook door op 17 juni 2016 niet op het werk te verschijnen.

5.7

Als gezegd, is RET op goede gronden tot ontslag op staande voet overgegaan. Dat hierdoor een einde zou komen aan een langdurig dienstverband met [verzoekster] maakt niet dat deze onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet gerechtvaardigd is, want met haar onverbeterlijke zeer ongepaste en schofferende uitingen, die er niet zomaar zijn “uitgefloept”, maar ook zijn opgeschreven, heeft [verzoekster] haar handhaving in de organisatie van RET blijvend onmogelijk gemaakt en RET genoodzaakt om direct hiertegen op te treden. Dat een ontslag ingrijpende gevolgen kan hebben, omdat [verzoekster] gelet op haar leeftijd en kwalificaties mogelijk moeilijk elders werk zal kunnen vinden, laat staan werk op hetzelfde inkomensniveau als bij RET, zodat zij waarschijnlijk groot inkomensverlies zal lijden, maakt niet dat RET onder de gegeven omstandigheden daarvan heeft moeten afzien.

5.8

Het ontslag op staande voet houdt dus stand.

5.9

Het voorgaande betekent dat de primair verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet en de daarmee samenhangende nevenverzoeken worden afgewezen.

5.10

Het subsidiair verzochte treft hetzelfde lot, nu hiervoor reeds is geoordeeld dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en er geen grond wordt gezien om desondanks toch € 46.249,49 aan transitievergoeding toe te kennen op de voet van artikel 7:673 lid 8 BW. Evenmin wordt er grond gezien om een gedeelte van dit bedrag toe te wijzen.

5.11

Te minder reden is er om de meer subsidiair verzochte billijke vergoeding toe te wijzen. Ook dat wordt dus afgewezen. Nog daargelaten dat dit voorwaardelijk is verzocht, want voor het geval [verzoekster] ervoor kiest om te berusten in de opzegging van de arbeidsovereenkomst, terwijl die voorwaarde niet vervuld is nu zij hierin, gelet op het primair verzochte, niet heeft berust.

5.12

Omdat beslist wordt in de hoofdzaak is er geen belang meer bij het treffen van de verzochte voorlopige voorzieningen.

5.13

[verzoekster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van RET vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

ten aanzien van het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

5.14

RET verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te ontbinden, voor het geval tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt overgegaan. Uit het bovenstaande volgt echter dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, zodat de voorwaarde om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan niet is vervuld. Het verzoek en de daarmee samenhangende nevenverzoeken worden dan ook afgewezen.

5.15

RET wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak en ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen

wijst de verzoeken af;

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RET vastgesteld op € 600,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

ten aanzien van het tegenverzoek

wijst het verzoek af;

veroordeelt RET in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor haar gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465