Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8643

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2016
Datum publicatie
11-11-2016
Zaaknummer
ROT 15/1837 en verder
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in behandeling nemen of afwijzen aanvragen bijzondere bijstand. Geen misbruik van recht. Niet horen. Inroepen artikel 4:19 van de Awb tegen dwangsombesluit dat in bezwaar had kunnen worden betrokken. Overeenkomstige toepassing artikel 6:13 van de Awb. Beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 15/1837, ROT 15/2389, ROT 15/4343, ROT 15/4744, ROT 15/4904, ROT 15/4983, ROT 15/5996, ROT 15/7948, ROT 15/8380, ROT 16/523, ROT 16/2290, ROT 16/2509 en ROT 16/2639

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 november 2016 in de zaken tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigden: mr. L.J. van Es-Bel en mr. A.M. Spahr van der Hoek-de Waard.

Procesverloop

Eiseres heeft aanvragen om bijzondere bijstand bij verweerder ingediend voor vergoeding van de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand, kosten van griffierecht en in één geval kosten van het aanvragen van een urgentieverklaring.

Verweerder heeft bij de primaire besluiten de aanvragen van eiseres niet in behandeling genomen of afgewezen.

Bij besluiten op de bezwaren van eiseres (de bestreden besluiten) heeft verweerder deze primaire besluiten gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De beroepen van eiseres zijn in voorkomende gevallen ook gericht tegen besluiten waarbij verzoeken om toekenning van een dwangsom zijn afgewezen of tot een bepaald bedrag zijn toegewezen.

De primaire besluiten, de bestreden besluiten en de besluiten inzake verzoeken tot toekenning van een dwangsom (voor zover deze in beroep zijn betwist) zijn, met vermelding van de data waarop de aanvragen om bijzondere bijstand door eiseres bij verweerder zijn ingediend, vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2016, gevoegd met het onderzoek in de beroepen met de zaaknummers ROT 15/1937, ROT 15/4817, ROT 16/5047 en ROT 15/6943. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter zitting heeft eiseres het beroep met zaaknummer ROT 15/4817 ingetrokken.

Na zitting zijn de beroepen met de zaaknummers ROT 15/1937, ROT 16/5047 en ROT 15/6943 gesplitst van de in deze uitspraak beoordeelde beroepen. In die drie beroepen wordt bij aparte

uitspraken van heden uitspraak gedaan (ROT 15/1937, ROT 15/6943 en ROT 15/6943).

Overwegingen

1. Eiseres heeft bij verweerder aanvragen bijzondere bijstand ingediend voor vergoeding van de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en van het griffierecht en in het beroep met zaaknummer ROT 16/2509 voor vergoeding van de kosten van het aanvragen van een urgentieverklaring. Deze kosten zijn opgekomen in 2014 en 2015. Naar aanleiding van elk van de aanvragen heeft verweerder eiseres bij brief verzocht binnen een daarin vermelde termijn een aanvraagformulier Minimaregelingen ingevuld, ondertekend en samen met relevante bewijsstukken aan hem terug te sturen voordat de betreffende aanvraag in behandeling kon worden genomen. Eiseres heeft de aanvraagformulieren Minimaregelingen niet retour gezonden noch anderszins op verweerders brieven gereageerd. Eiseres heeft verweerder in enkele zaken ingebrekestellingen gezonden wegens het niet tijdig beslissen op door haar ingediende aanvragen om bijzondere bijstand of door haar ingediende bezwaarschriften.

2. Aan het niet in behandeling nemen of afwijzen van de aanvragen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat zonder de gevraagde informatie het recht op bijzondere bijstand niet kon worden beoordeeld. Volgens verweerder kan het recht op bijzondere bijstand niet worden vastgesteld zonder dat hij over kopieën van bankafschriften van bank- en of spaarrekeningen van eiseres beschikt waarop een actueel saldo is vermeld. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

3. Eiseres heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat verweerder haar aanvragen ten onrechte niet in behandeling heeft genomen of heeft afgewezen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij complete aanvragen bij verweerder heeft ingediend. Zij heeft erop gewezen dat verweerder bij de toekenning van algemene bijstand in 2013 haar vermogen heeft vastgesteld op € 40.000,- negatief en heeft bepaald dat eiseres kan beschikken over een periodiek inkomen van € 382,-. Nadien heeft zij wijzigingen in haar financiële situatie door middel van ingediende mutatieformulieren aan verweerder doorgegeven. Eiseres stelt dat verweerder op grond van de Wet Eenmalige Gegevensuitvraag verplicht is tot hergebruik van hem reeds ter beschikking staande gegevens. Zij heeft erop gewezen dat aan haar bijzondere bijstand betreffende woonkostentoeslag is toegekend, waarbij haar draagkracht is bepaald. Volgens eiseres is haar draagkracht voor de jaren 2014 en 2015 onherroepelijk vastgesteld door eerdere aanvragen om bijstand, die betrekking hebben op die jaren, te honoreren. Verweerder mag van die draagkrachtbepaling niet afwijken. Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zijn bestuurlijke bevoegdheden misbruikt omdat de opgevraagde gegevens ter beoordeling van de draagkracht tijdens een nog niet verstreken draagkrachtperiode voor een doel werden gebruikt waarvoor verweerder op grond van zijn beleid niet bevoegd was. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder ten onrechte gegevens bij haar heeft opgevraagd omdat de draagkracht in haar specifieke geval als bijstandsklant standaard op nihil wordt gesteld. Ten laatste betoogt eiseres in een aantal beroepen dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

4. De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet (Pw). Volgens artikel 78z, vierde lid, van de Pw wordt op een bezwaar- of beroepschrift dat vóór of op 1 januari 2015 is ingediend tegen een door het college op grond van de Wwb genomen besluit en waarop op die datum nog niet onherroepelijk is beslist, beslist met toepassing van de Wwb. Dit brengt met zich dat op een deel van de beroepen de Wwb van toepassing is en op een ander deel de Pw. Nu de in de beroepen aan de orde zijnde artikelen in beide wetten gelijkluidend zijn, is er geen verschil in de materiële beoordeling.

Misbruik van recht

6. Verweerder heeft, behalve in het beroep met het zaaknummer ROT 16/2509 (betreffende een urgentieverklaring), als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat eiseres misbruik maakt van recht en dat de beroepen van eiseres om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Volgens verweerder dient eiseres bewust incomplete aanvragen bijzondere bijstand bij hem in en reageert zij bewust niet op aan haar geboden hersteltermijnen om de incomplete aanvragen aan te vullen. Eiseres kon weten dat incomplete aanvragen niet in behandeling worden genomen of worden afgewezen omdat deze rechtbank bij uitspraak van 11 september 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6423) in een soortgelijke zaak, waarin de handhaving van een afwijzing bijzondere bijstand ter beoordeling voorlag, het beroep van eiseres ongegrond heeft verklaard. Volgens verweerder bemoeilijkt de wijze van corresponderen van eiseres, mede gelet op de grote hoeveelheid aanvragen, bezwaarschriften en ingebrekestellingen die verweerder van eiseres ontvangt, verweerders besluitvorming. Daarmee wordt tijdige besluitvorming onnodig bemoeilijkt. Verweerder heeft erop gewezen dat eiseres in 2015 48 beroepen bij de rechtbank heeft ingesteld en dat zij 35 bezwaarschriften en 40 dwangsomverzoeken bij de gemeente heeft ingediend. Gelet hierop en gelet op de weigerachtige houding van eiseres om de gevraagde informatie aan te leveren, moet volgens verweerder worden geconcludeerd dat eiseres enkel het oogmerk heeft om ten laste van de overheid verbeurde dwangsommen te incasseren bij niet tijdig beslissen.

7. Het betoog van eiseres dat het beroep van verweerder op misbruik van recht als een wijziging van de motivering van de bestreden besluiten moet worden opgevat en dat de beroepen van eiseres daarom gegrond moeten worden verklaard, slaagt niet. Het is verweerder toegestaan nog ter zitting te stellen dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn wegens misbruik van recht. Die stelling is geen wijziging van de grondslag van de bestreden besluiten (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling, van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1587) en leidt als zodanig daarom niet tot gegrondverklaring van de beroepen.

8. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van

19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4135, en de uitspraken van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1839, ECLI:NL:RVS:2016:1840 en ECLI:NL:RVS:2016:1841 en laatstelijk de uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2375) zijn voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door een burger tegen de overheid ingesteld rechtsmiddel, gelet op de - soms zeer verstrekkende - bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Slechts als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt niet-ontvankelijkverklaring. In het licht daarvan en gelet op artikel 13, tweede lid, van Boek 3 van het BW en de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2003 in zaak nr. 200302497/1 (AB 2004, 9) zijn in geval van een dergelijk rechtsmiddel zwaarwichtige gronden onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Zoals volgt uit de uitspraak van 21 juli 2003 levert een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

9. De rechtbank ziet in de stellingen van verweerder noch anderszins grond voor het oordeel dat eiseres in de voorliggende zaken misbruik van recht maakt.

9.1.

De wijze van het indienen van de aanvragen om bijzondere bijstand en het versturen van ingebrekestellingen via e-mail acht de rechtbank geen misbruik van recht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder het indienen van aanvragen via de e-mail uitdrukkelijk toestaat, zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard. Het kan eiseres bezwaarlijk worden tegengeworpen dat zij dan van deze weg gebruikmaakt. De rechtbank ziet niet in dat het sturen van stukken in de bijlage van een e-mail een wijze van inleveren van stukken is die op zichzelf misbruik van recht oplevert. Verder heeft eiseres ter zitting onbestreden aangevoerd dat zij, wanneer zij over een kenmerk van verweerder beschikt, dit kenmerk in haar e-mail vermeldt.

9.2.

Eiseres heeft niet gereageerd op verweerders verzoeken om informatie naar aanleiding van de ingediende aanvragen om bijzondere bijstand. De reden daarvoor is dat zij zich op het standpunt stelt dat zij de benodigde informatie al heeft aangeleverd en verweerder op grond van de hem beschikbare informatie haar recht op bijzondere bijstand vast kan stellen. Daarbij is volgens eiseres van belang dat verweerder bij eerdere toekenning van bijzondere bijstand (bijvoorbeeld voor een woonkostentoeslag) haar draagkracht voor één jaar onherroepelijk heeft vastgesteld. Dit betoog van eiseres is weliswaar bij genoemde uitspraak van deze rechtbank van 11 september 2015 verworpen, maar eiseres heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. Over genoemde standpunten van eiseres is dus nog geen onherroepelijk rechterlijk oordeel geveld. Daarom vindt de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eiseres door haar handelwijze misbruik maakt van recht.

9.3.

Ten derde neemt de rechtbank in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat eiseres in 2015 in totaal 12 aanvragen om bijzondere bijstand bij verweerder heeft ingediend, wat niet als een bovenmatige belasting van het gemeentelijk apparaat en daardoor ook niet als misbruik van recht kan worden gekwalificeerd.

9.4.

In de omstandigheid dat eiseres in voorkomende gevallen ingebrekestellingen verzendt, kan evenmin een aanknopingspunt worden gevonden voor het oordeel dat zij daardoor misbruik maakt van recht. Eenieder heeft in beginsel het recht een bestuursorgaan in gebreke te stellen wanneer termijnen voor besluitvorming worden overschreden; eiseres dus ook. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiseres niet in alle gevallen om een dwangsom verzoekt.

9.5.

Op grond van de hiervoor genoemde vier overwegingen ziet de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten voor misbruik van recht. Er is dan ook geen zwaarwichtige reden op grond waarvan de beroepen wegens misbruik van recht niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Het betoog van verweerder faalt.

Afwijzing aanvragen om bijzondere bijstand (ROT 15/1837, ROT 15/2389, ROT 15/4904, ROT 15/4983, ROT 15/5996, ROT 15/7948, ROT 15/8380, ROT 16/523 en ROT 16/2509)

10. De beoordeling spitst zich toe op de vraag of verweerder van eiseres mocht vergen de gevraagde gegevens over te leggen.

11. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1256, moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstand verlenend orgaan om in het kader van de onderzoekplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting op grond van artikel 17 van de Wwb of artikel 17 van de Pw voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

12. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Wwb of artikel 53a, eerste lid, van de Pw, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

13.
Verweerder heeft met juistheid gesteld dat het in het geval van een aanvraag voor bijzondere bijstand noodzakelijk is om over actuele financiële informatie te beschikken, opdat (mede) op basis daarvan het recht op bijzondere bijstand kan worden vastgesteld. Het betoog van eiseres dat verweerder haar aanvragen op grond van de in zijn systemen beschikbare informatie over de financiële situatie van eiseres had kunnen beoordelen, slaagt daarom niet. Niet kan worden uitgesloten dat haar financiële positie nadien is gewijzigd. Nu vaststaat dat eiseres bij de aanvragen gevoegde aanvraagformulieren Minimaregelingen noch de daarin gevraagde (financiële) gegevens heeft ingeleverd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvragen niet konden worden beoordeeld. De stelling van eiseres dat haar draagkracht voor één jaar onherroepelijk is vastgesteld bij eerder toegekende bijzondere bijstand voor woonkosten, is onjuist. De vaststelling van de draagkracht in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand heeft geen zelfstandig rechtsgevolg en krijgt daarom, anders dan eiseres veronderstelt, geen formele rechtskracht. Verweerder moet bij elke aanvraag om bijzondere bijstand opnieuw beoordelen of daar recht op bestaat en in dat kader de draagkracht opnieuw beoordelen. Gelet hierop faalt het betoog van eiseres dat verweerder misbruik van bestuurlijke bevoegdheden maakt door naar aanleiding van de aanvragen om bijzondere bijstand om actuele financiële gegevens te vragen. Wat eiseres verder heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aanvragen om bijzondere bijstand ten onrechte heeft afgewezen.

14. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand terecht heeft gehandhaafd.

Niet in behandeling nemen van aanvragen om bijzondere bijstand (ROT 15/4343,

ROT 15/4744, ROT 16/2290 en ROT 16/2639)

15. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

16. Eiseres heeft in de vier hier ter beoordeling staande beroepen niet de gevraagde informatie bij verweerder aangeleverd. Zoals hiervoor onder r.o. 14. is overwogen, was de gevraagde informatie noodzakelijk voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand en was verweerder bevoegd om actuele financiële informatie bij eiseres op te vragen. Eiseres is ook een voldoende lange hersteltermijn geboden.

17. Gelet op het bovenstaande was verweerder op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de vier aanvragen van eiseres om bijzondere bijstand niet in behandeling te nemen. Wat eiseres heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het niet in behandeling nemen van de aanvragen om bijzondere bijstand gebruik heeft kunnen maken.

Beroepen inzake verzoeken tot toekenning van een dwangsom (ROT 15/1837,

ROT 15/2389, ROT 15/4343, ROT 15/4744, ROT 15/4904, ROT 16/2509, ROT 15/7948 en ROT 16/2509)

18.1.

De beroepen van eiseres met de hierboven vermelde zaaknummers zijn op grond van artikel 4:19 van de Awb mede gericht tegen de primaire besluiten waarbij verweerder heeft vastgesteld geen dwangsom verschuldigd te zijn wegens niet tijdig beslissen op de gemaakte bezwaren of tegen het besluit op het door eiseres gemaakte bezwaar tegen het primaire dwangsombesluit (het beroep met zaaknummer ROT 15/4744). In de eerstgenoemde beroepen is de situatie aan de orde dat na een ingebrekestelling door verweerder is beslist binnen de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb (behalve in het beroep met zaaknummer ROT 16/2509). Dit betekent dat verweerder de verzoeken om toekenning van een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen op goede gronden heeft afgewezen.

18.2.

In het beroep met zaaknummer ROT 16/2509 heeft verweerder terecht geoordeeld geen dwangsom verschuldigd te zijn omdat de ingebrekestelling prematuur was (vergelijk de uitspraak van de Raad van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2851).

18.3.

In het beroep met zaaknummer ROT 15/4744 heeft eiseres ook verzocht om een dwangsom omdat een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit niet tijdig zou zijn genomen. Op grond van vaste jurisprudentie wordt echter geen dwangsom verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448).

18.4.

Onder verwijzing naar artikel 4:19 van de Awb richt eiseres in de beroepen met zaaknummers ROT 15/4904 en ROT 15/4983 haar beroep mede tegen de primaire dwangsombesluiten (van 20 maart 2015 onderscheidenlijk van 12 mei 2015). Zij heeft die besluiten echter niet voorafgaand aan het nemen van de onderscheiden bestreden besluiten betwist. Dat betekent dat er op grond van artikel 4:19 van de Awb geen bezwaar van rechtswege tegen deze dwangsombesluiten is ontstaan. Nu er voorafgaand aan de beroepen geen bezwaar tegen de dwangsombesluiten is gemaakt of van rechtswege is ontstaan en niet gebleken is van omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat het ontbreken van bezwaar tegen het dwangsombesluit redelijkerwijs niet aan eiseres kan worden verweten, moeten deze beroep voor zover gericht tegen de primaire dwangsombesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

19. Ter zitting heeft eiseres van de in deze uitspraak te beoordelen beroepen alleen in het beroep met zaaknummer 15/1837 de stelling gehandhaafd dat verweerder haar ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord. Verweerder heeft ter zitting erkend dat eiseres is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat zij de hoorkaart tijdig retour heeft gezonden, maar dat het bezwaar desondanks kennelijk ongegrond is verklaard. De rechtbank zal deze schending van artikel 7:2 van de Awb echter passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb. Eiseres is in de beroepsprocedure ruimschoots in de gelegenheid gesteld haar standpunt naar voren te brengen, zodat aannemelijk is dat zij door het afzien van het horen in de bezwaarprocedure niet is benadeeld (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:101).

20. In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden.

21. De beroepen zijn ongegrond.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met zaaknummers ROT 15/4904 en ROT 15/4983, voor zover gericht tegen de primaire dwangsombesluiten van 20 maart 2015 onderscheidenlijk van 12 mei 2015, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. A.C. Rop en

mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage behorende bij de uitspraak ROT 15/1837 e.v.

Zaaknummer

Datum aanvragen

Datum primair besluit

Datum dwangsom besluit(en)

Datum bestreden besluit(en)

ROT 15/1837

30 juli 2014 en

3 augustus 2014

16 september 2014

9 februari 2015

5 februari 2015

ROT 15/2389

18 september 2014

20 oktober 2014

12 maart 2015

5 maart 2015

ROT 15/4343

30 december 2014

23 januari 2015

10 juni 2015

4 juni 2015

ROT 15/4744

23 december 2014

27 februari 2015

26 februari 2015

13 juli 2015

19 juni 2015

ROT 15/4904

31 december 2014

16 maart 2015

(20 maart 2015)

28 juli 2015

22 juli 2015

ROT 15/4983

25 februari 2015

8 mei 2015

(12 mei 2015)

10 augustus 2015

ROT 15/5996

twee aanvragen van

18 september 2014

29 april 2015

18 augustus 2015

ROT 15/7948

12 mei 2015

24 juni 2015

9 november 2015

6 november 2015

ROT 15/8380

2 juli 2015

10 augustus 2015

24 november 2015

ROT 16/523

3 juli 2015

10 augustus 2015

15 december 2015

ROT 16/2290

29 oktober 2015

20 november 2015

3 maart 2016

ROT 16/2509

2 juli 2015

21 oktober 2015

28 april 2016

3 maart 2016

ROT 16/2639

2 november 2015

1 december 2015

8 maart 2016