Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8479

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-11-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
C/10/469577 / HA ZA 15-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis na deskundigenbericht over dakconstructie woning; een aanvullend deskundigenbericht is noodzakelijk, nu onder andere onduidelijk is hoe deskundige tot conclusies is gekomen en hoe opmerkingen van partijen op concept deskundigenbericht zijn verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/469577 / HA ZA 15-150

Vonnis van 9 november 2016

in de zaak van

1 [eiser sub1] ,

2. [eiseres sub2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. H.R. Flipse te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Keulen te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 november 2015 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het deskundigenbericht van 4 april 2016;

  • -

    de loonbepaling ten aanzien van het deskundigenbericht van 26 april 2016;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht tevens akte wijziging van eis van [eisers] ;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De onderhavige procedure gaat om de vraag of de woning die [gedaagde] aan [eisers] heeft verkocht ten tijde van de levering van die woning op 28 december 2012 non-conform was in de zin van artikel 7:17 BW. De vraag die na de eerdere tussenvonnissen nog resteert is of het door [eisers] gestelde gebrek aan de dakconstructie een normaal gebruik van de woning in de weg stond.

2.2.

Bij tussenvonnis van 11 november 2015 heeft de rechtbank [deskundige] als deskundige benoemd (hierna: de deskundige) en hem verzocht onderzoek te doen naar de constructie ter zake van het dak, de twee kunststof schuifpuien en de gevel- en draagconstructie aan de terraszijde van de woning. De volgende vragen zijn daarbij aan de deskundige voorgelegd:

  1. Is het volgens u, ondanks het feit dat er inmiddels een ingrijpende verbouwing in de woning aan de [adres] is doorgevoerd, nu nog mogelijk aan de hand van de beschikbare foto’s, tekeningen en voorwerpen te bepalen welke constructie ter zake van het dak, de twee kunststofpuien en de gevel- en draagconstructie aan de terraszijde van de woning aanwezig was op het moment van de levering van de woning aan de kopers, te weten op 28 december 2012? Zo nee, ziet u mogelijkheden om dat te bepalen door middel van het opvragen van nadere stukken?

  2. Zo ja, kunt u die constructie beschrijven?

  3. Was naar uw mening sprake van een deugdelijke constructie? Zo nee, kunt u toelichten in welk opzicht niet?

  4. Indien u vraagt 3 ontkennend beantwoordt, was naar uw mening de bestaande constructie dermate gevaarlijk dat deze aan een normaal gebruik van de woning in de weg stond? Was er in het bijzonder ten aanzien van het dak sprake van een reëel instortingsgevaar? Hierbij graag betrekken dat de verkoper reeds jaren in de woning heeft gewoond zonder dat het door kopers gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt.

  5. Indien u vraag 3 ontkennend beantwoordt en dus van oordeel bent dat de constructie ondeugdelijk was, welke werkzaamheden waren volgens u nodig om een deugdelijke constructie te realiseren en wat zouden de kosten van herstel zijn geweest? Hierbij graag een onderscheid maken tussen directe herstelkosten (zoals berekening en vervanging draagconstructie, vervanging puien etc.) en de gevolgschade (zoals boeiboorden). Voorts hierbij gaarne betrekken dat de kopers ten tijde van de levering van de woning reeds plannen hadden om de woning te verbouwen (vervanging dakbedekking, nieuwe plafonds, nieuwe keuken, verplaatsing van een muur en opknappen badkamer).

  6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

2.3.

In het deskundigenbericht heeft de deskundige de eerste vraag bevestigend beantwoord. Voorts heeft hij - samengevat - aangegeven dat sprake is van een ondeugdelijke constructie wat betreft de dakconstructie boven de kunststofpuien en de gevel- en draagconstructie aan de terraszijde, welke constructie dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg stond. De deskundige heeft de totale herstelkosten geschat op een bedrag van € 51.565,00 (inclusief BTW). Rekening houdend met een afschrijvingspercentage van 45% bedragen de herstelkosten volgens de deskundige € 28.361,00 (inclusief BTW). Het deskundigenbericht luidt - voor zover van belang - als volgt:

3. Was naar uw mening sprake van een deugdelijke constructie? Zo nee, kunt u toelichten in welk opzicht niet?

(…)

HET DAK
Conform de tekening (…) bestond het oorspronkelijke constructieve dak uit houten balklagen, een enkele stalen ligger en met name aan de terraszijde stalen kolommen. De stalen kolommen zorgden voor de belasting afdracht naar de fundatie voortkomend uit het platte dak.
In 1994 werden de kunststofpuien aan beide terraszijde geplaatst waarbij tevens de toen nog aanwezige stalen kolommen al goeddeels werden verwijderd waardoor de kunststofpuien tevens een dragende functie gingen vervullen.
in 2007 werd aan de woning een badkamer toegevoegd en bovendien werd de woonkamer aan de terraszijde uitgebreid. Daartoe werd de bestaande houten balklaag conform de tekeningen (…) uitgebreid en een stalen ligger ingebracht. Ook bij deze uitbreiding ontstond de situatie dat de al aanwezige kunststofkozijnen een dragende functie gingen vervullen.

Zowel als gevolg van de uitgevoerde verbouwing in 1994 als bij de verbouwing in 2007 ontstond een ondeugdelijke constructie. Gelet op het gegeven dat de kunststof kozijnen geen verticale belastingen kunnen opvangen, werden de kunststof kozijnen als gevolg van de toegepaste constructie evenwel zodanig belast dat er vervormingen ontstonden en de schuifpuien uiteindelijk niet meer (goed) geopend en/of gesloten konden worden.

DE TWEE KUNSTSTOF PUIEN

Aan de terraszijde zijn 2 stuks kunststof puien geplaatst, waarvan de plaatsing in 1994 plaatsvond. In 2007 (…) werd de kunststof pui in de woonkamerzijde verplaatst naar buiten ter vergroting van de woonkamer. Zoals voorgaand reeds is aangegeven sloten de puien aan de bovenzijde aan op een houten ligger welke de verbinding vormde tussen de houten balklaag van de dakconstructies en de boeiboorden en geveloverstekken.

De houten ligger was vrij opgelegd op de puien en bestond uit meerdere delen. De houten ligger aan de slaapkamerzijde werd ondersteund door een stalen kolom (steigerpaal) en houten stijl. De binnenzijde was afgetimmerd. De puien waren aan de vloerzijde door middel van stalen strippen verankerd in de cementdekvloer. De puien sloten aan de onderzijde aan op een prefab betondorpel welke doorliep tot in het maaiveld. Gesteld dient te worden dat dergelijke puien niet dragend mogen worden uitgevoerd. De uit de dakconstructie voortkomende belastingen belasten de puien zodanig dat vervormingen optreden, waarbij de schuifdeuren uiteindelijk niet meer (goed) functioneren. Als gevolg van de optredende krachten kunnen isolerende beglazingen lekraken en kan er gemakkelijk ruitbreuk optreden. Bovendien was er vrijwel geen enkele koppeling met omliggende constructies aanwezig en ontbrak een deugdelijke verankering aan de onderzijde, waarbij zelfs bleek dat stripankers los waren gekomen van de onderliggende betonvloer.

Daarnaast bleek er een grote koudebrug aanwezig te zijn ter hoogte van de aansluiting kunststof pui op de vloer. De buiten de gevel geplaatste prefab betonplint was aan de achterzijde niet voorzien van een isolerende laag waardoor de vloer ter plaatse van de vloeraansluiting regelmatig vochtig tot nat bleek.

GEVEL EN DRAAGCONSTRUCTIE TERRASZIJDE
Zoals voorgaand reeds werd aangegeven is gebleken dat de dakconstructie zowel boven de pui aan de noordoostzijde als ook de pui aan de woonkamerzijde volledig droeg op de kunststof pui. Dat er slechts sprake was van een gebrekkige ondervanging van de belastingen voortkomend uit de dakconstructie. Normaliter vindt afdracht van dergelijke belastingen plaats door het aanbrengen van een stalen ligger boven de pui en afhankelijk van de plaatsingsmogelijkheden van de ligger, ja dan neen voorzien van stalen kolommen. Bovendien kan op deze wijze een goede koppeling tot stand gebracht worden tussen de stalen ligger en kunststof puien.

4. Indien u vraagt 3 ontkennend beantwoordt, was naar uw mening de bestaande constructie dermate gevaarlijk dat deze aan een normaal gebruik van de woning in de weg stond? Was er in het bijzonder ten aanzien van het dak sprake van een reëel instortingsgevaar? Hierbij graag betrekken dat de verkoper reeds jaren in de woning heeft gewoond zonder dat het door kopers gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt.

Uit de ter beschikking gestelde stukken is gebleken dat met name de kunststofpuien aan de terraszijde in hoge mate belast werden aan de uit het dak voortkomende belastingen. Deze konden zich manifesteren door de ondeugdelijk uitgevoerde constructie boven de kunststofpuien.
Bij een optredende calamiteit als gevolg van verstopte hemelwaterafvoeren, waardoor er veel water op het dak zou komen te staan, is niet uit te sluiten dat deze gewichtstoename zodanig zou kunnen zijn, dat daarmee de nog net aanvaardbare dakbelasting zou kunnen worden overschreden. Dit gegeven zou kunnen leiden tot het bezwijken van de kunststof kozijnen en/of de aanwezige gebrekkige ondersteuning van de uit delen bestaande houten balk boven de kunststof kozijnen met als mogelijk gevolg plaatselijk instortingsgevaar.

Ten aanzien van de vraag of de constructie dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg zou staan, spelen diverse aspecten een rol.

Eerstens gaat het daarbij over de vraag of de woning of onderdelen daarvan zouden voldoen aan de in het Bouwbesluit 2012 onder Artikel 2.6 lid 1 en 2 gestelde minimum eis inzake de sterkte van bouwconstructies.

Voor wat betreft de dakconstructie boven de kunststofpuien en gevel- en draagconstructie terraszijde kan gesteld worden dat op basis van de gestelde eis in het Bouwbesluit en gelet op de uitermate instabiele constructie rond de kunststofpuien en oplegging dakconstructie, niet aan deze eis wordt voldaan.

De woning met het bouwjaar 1972 werd gedurende de periode 1989 – 2012 bewoond door [gedaagde] . In deze periode werden verbouwingen doorgevoerd waaronder het plaatsen van kunststofpuien, het bekleden van de boeiboorden met Trespa, het aanbouwen van een badkamer en het vergroten van de woning aan de terraszijde. Het langdurig bewonen van een dergelijke woning waarbij ook genoemde verbouwingen (verbeteringen) werden doorgevoerd kunnen er bij [gedaagde] mogelijk toe hebben bijgedragen dat het vertrouwen bestond dat een solide woning werd bewoond. Daarbij werd door [gedaagde] “als leek” kennelijk ook volledig vertrouwd op de aannemer(s) die de werkzaamheden in haar opdracht uitvoerde(n).

Wel dient gesteld te worden dat onder andere aan de verkleuringen, kringen en vlekkerigheid aan het plafond en het slecht of geheel niet goed functioneren van de schuifpuien al veel langere tijd zichtbaar en/of merkbaar moet zijn geweest dat er mogelijk reeds gebreken en/of tekortkomingen zouden zijn.

Gelet op voorgaande beschouwing is de deskundige van oordeel dat de bestaande constructie dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg stond.”

2.4.

[eisers] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht aangegeven dat zij zich in grote lijnen kunnen vinden in de inhoud van het deskundigenbericht. Voorts hebben zij, gelet op conclusies van de deskundige, hun eis gewijzigd, in die zin dat naast de primair gevorderde bedragen van € 31.300,00 (onderdeel A) en € 43.197,97 (onderdeel B), subsidiair wordt gevorderd het door de deskundige genoemde bedrag van € 28.361,00.

2.5.

[gedaagde] heeft in haar conclusie na deskundigenbericht het volgende aangevoerd. De motivering van de deskundige kan niet de conclusie dragen dat de constructie dermate gevaarlijk was, dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg stond. De deskundige is niet of nauwelijks ingegaan op het feit dat [gedaagde] jaren zonder problemen in de woning heeft kunnen verblijven. [gedaagde] heeft dit naar aanleiding van het concept deskundigenbericht bij de deskundige aangekaart en terzake om uitleg verzocht, maar de deskundige is hier niet op ingegaan in de definitieve versie van het deskundigenbericht. Voorts is de deskundige ook niet ingegaan op de opmerkingen van [gedaagde] dat er ten tijde van de bewoning door [gedaagde] nog geen verkleuringen, kringen en vlekken op het plafond zichtbaar waren en dat de schuifpui - behoudens het sluitingsmechanisme - goed functioneerde en dat er in het definitieve deskundigenbericht een ander afschrijvingspercentage is gehanteerd (45% in plaats van 57%). Ten slotte betwist [gedaagde] de kostenbegroting van de deskundige, nu er (1) ten onrechte nieuwe puien in de begroting zijn opgenomen, (2) werkzaamheden in de begroting zijn opgenomen die het strikt noodzakelijke te boven gaan en (3) er een onjuist afschrijvingspercentage is gehanteerd.

2.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 198 lid 1 Rv is de deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen. Ingevolge artikel 198 lid 2 Rv dienen deskundigen bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het deskundigenbericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Voorts moet in het deskundigenbericht melding worden gemaakt van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken. In het tussenvonnis van 11 november 2015 is de deskundige op die verplichting gewezen en is voorts expliciet bepaald dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden (zie 3.11 van het tussenvonnis). Voorts is de deskundige in het tussenvonnis erop gewezen dat hij voor aanvang van zijn onderzoek kennis diende te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (hierna: de Leidraad). In de Leidraad is onder meer opgenomen dat een deskundige de keuze heeft uit twee methoden voor de wijze waarop hij reageert op de opmerkingen en verzoeken: hij hecht aan het rapport een bijlage waarin hij reageert op de opmerkingen en verzoeken, of hij verwerkt zijn reactie op de opmerkingen en verzoeken in zijn rapport (zie nr. 25 van de Leidraad). Voorts is in de Leidraad opgenomen dat een deskundige behoort te reageren op opmerkingen en verzoeken die vallen binnen het kader van de door de rechter gestelde vragen (zie nr. 28 van de Leidraad). Ten aanzien van opmerkingen en verzoeken die niet binnen de door de rechter gestelde vragen zijn te brengen, hoeft de deskundige niet te reageren. In het deskundigenbericht of in de bijlage, dient de deskundige evenwel te vermelden op welke opmerkingen en verzoeken hij niet reageert en waarom (zie nr. 32 van de Leidraad).

2.7.

De rechtbank stelt voorop dat zij niet beschikt over de conceptversies van het deskundigenbericht. Blijkens de definitieve versie van het deskundigenbericht zijn partijen zowel naar aanleiding van het eerste als het tweede concept in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. [eisers] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 10 en 21 maart 2016. [gedaagde] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 2 en 25 maart 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is de deskundige in de definitieve versie van het deskundigenbericht onvoldoende duidelijk geweest over de wijze waarop hij is omgegaan met de opmerkingen en verzoeken die beide partijen in hun brieven hebben gedaan, en met name die van [gedaagde] . Weliswaar zijn de brieven van partijen als bijlagen aan het deskundigenbericht gehecht, maar noch uit het deskundigenbericht noch uit een aparte bijlage bij het deskundigenbericht blijkt waartoe deze opmerkingen en verzoeken concreet hebben geleid. Voor zover de deskundige van oordeel is dat opmerkingen niet binnen de door de rechtbank gestelde vragen zijn te brengen (en dus niet relevant zouden zijn), heeft hij nagelaten om toe te lichten op welke opmerkingen en verzoeken hij niet heeft gereageerd en waarom niet.

2.8.

In het bijzonder heeft de deskundige nagelaten om toe te lichten wat hij heeft gedaan met de opmerkingen van [gedaagde] (1) dat er ten tijde van de bewoning door [gedaagde] nog geen verkleuringen, kringen en vlekken op het plafond zichtbaar waren en dat de schuifpui - behoudens het sluitingsmechanisme - goed functioneerde (welke opmerking zowel bij brief van 2 als 25 maart 2016 door [gedaagde] is gemaakt) en (2) dat er in het definitieve deskundigenbericht een lager afschrijvingspercentage is gehanteerd dan in het eerste concept deskundigenbericht (namelijk 45% in plaats van 57%). Naar het oordeel van de rechtbank vallen deze opmerkingen binnen het kader van de door de rechtbank gestelde vragen. Eerstgenoemde opmerking van [gedaagde] is met name relevant omdat deze ziet op een aspect dat door de deskundige (kennelijk) in het nadeel van [gedaagde] is meegewogen in de beoordeling van de vraag of de constructie dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg zou staan. De tweede opmerking van [gedaagde] is relevant nu een lager afschrijvingspercentage zich logischerwijs vertaalt in een hogere toewijsbare vordering. De deskundige had dan ook op deze opmerkingen moeten reageren.

2.9.

Daarnaast heeft de deskundige naar het oordeel van de rechtbank thans nog onvoldoende toegelicht waarom hij tot de conclusie komt dat sprake was van een dermate gevaarlijke constructie dat deze in de weg stond aan een normaal gebruik van de woning. De rechtbank stelt voorop dat zij naar aanleiding van vraag 4 (zie hiervoor onder 2.2) van de deskundige wil horen of de door hem geconstateerde gebreken dusdanig ernstig zijn dat deze feitelijk het normaal gebruik van de woning beletten (bijvoorbeeld vanwege een reëel instortingsgevaar, eventueel op langere termijn, te verwachten ernstige lekkage of vanwege de onmogelijkheid om bepaalde gebruikelijke werkzaamheden in of om het huis uit te voeren) en dat deze vraag dus los van het juridische kader beantwoord moet worden. Of (en zo ja, in hoeverre) de constructie voldeed aan het Bouwbesluit (daargelaten de datum 2012), is voor de beantwoording van die vraag dus niet zonder meer relevant en in elk geval niet doorslaggevend.

Daarbij blijkt uit het deskundigenbericht thans nog onvoldoende duidelijk in hoeverre de deskundige in zijn oordeel heeft meegewogen dat [gedaagde] jarenlang in de woning heeft kunnen verblijven zonder dat het door [eisers] gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt. De enkele opmerking dat het langdurig bewonen van een dergelijke woning waarbij ook verbouwingen werden doorgevoerd er bij [gedaagde] mogelijk toe heeft bijgedragen dat het vertrouwen bestond dat een solide woning werd bewoond, acht de rechtbank in dat verband onvoldoende. Dat er ten tijde van de bewoning door [gedaagde] (in haar hoedanigheid van eigenaar van de woning) al verkleuringen, kringen en vlekken op het plafond zichtbaar zouden zijn geweest en dat de schuifpui al slecht functioneerde, is geen feit dat door de rechtbank is vastgesteld en is bovendien door [gedaagde] betwist. Het is onduidelijk op welke bron de deskundige zich ten aanzien van dit aspect heeft gebaseerd en voorts is onduidelijk of de deskundige ook zonder dit aspect tot voornoemd oordeel zou zijn gekomen. In dat verband merkt de rechtbank op dat vast staat dat [gedaagde] na verkoop de woning nog als huurder heeft bewoond, welke periode dus niet bedoeld kan zijn (zie hierna onder 2.10).

2.10.

Overigens komt het de rechtbank voor dat de deskundige in zijn bericht is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken wat betreft het moment waarop lekkage is geconstateerd. De rechtbank wenst dan ook – met name richting de deskundige – te benadrukken dat als onbetwist tussen partijen vaststaat dat levering van de woning aan [eisers] heeft plaatsgevonden op 28 december 2012, dat [gedaagde] nadien op grond van een met [eisers] gesloten huurovereenkomst tot 29 maart 2013 in de woning heeft gewoond en dat [gedaagde] eind maart 2013, derhalve ruim nadat zij de woning aan [eisers] had verkocht (en dus in haar hoedanigheid van huurder), lekkage in de slaapkamer van de aanbouw heeft ontdekt, waarvan zij [eisers] vervolgens op de hoogte heeft gesteld. Tijdens destructief onderzoek dat nadien heeft plaatsgevonden is vervolgens geconstateerd dat sprake is (geweest) van forse lekkages die zich openbaarden in de uit strovezelplaten bestaande platdakconstructies.

2.11.

Ten slotte constateert de rechtbank dat in het deskundigenbericht thans nog geen onderscheid is gemaakt tussen directe herstelkosten enerzijds en gevolgschade anderzijds. De globale kostenraming van de deskundige vermeldt een bedrag van € 51.564,74 aan ‘herstelkosten’, zonder dat daarbij onderscheid is gemaakt op de wijze zoals verzocht in vraag 5 (zie hiervoor onder 2.2).

2.12.

Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank de conclusies van het deskundigenbericht vooralsnog niet overnemen en behoeft zij een nadere schriftelijke toelichting van de deskundige. Zij zal de deskundige dan ook opdragen binnen zes weken na ontvangst van dit tussenvonnis een aanvullend deskundigenbericht uit brengen, waarin (i) inzicht wordt gegeven in de wijze waarop is omgegaan met alle opmerkingen en vragen van partijen op het (eerste danwel tweede) concept deskundigenbericht, (ii) nader wordt toegelicht waarom de bestaande constructie naar het oordeel van de deskundige dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg stond, waarbij tevens wordt toegelicht in hoeverre het aspect dat [gedaagde] jarenlang in de woning heeft gewoond zonder dat het door [eisers] gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt een rol heeft gespeeld bij dat oordeel en (iii) nader wordt toegelicht welk deel van het begrote bedrag van € 51.564,74 directe herstelkosten betreft en welk deel gevolgschade.
Nu het aanvullend deskundigenbericht een nadere toelichting op (althans verduidelijking van) het reeds uitgebrachte deskundigenbericht betreft, terwijl van dat bericht reeds duidelijkheid op de hiervoor genoemde punten mocht worden verwacht, wordt er vanuit gegaan dat het reeds vastgestelde deskundigenloon mede de beantwoording van deze aanvullende vragen omvat. Voor het aanvullend deskundigenbericht zal derhalve geen aanvullende loonbepaling worden gegeven.

2.13.

[eisers] zullen worden opgedragen binnen twee weken na heden een afschrift van de na het deskundigenbericht gewisselde processtukken alsmede van dit tussenvonnis aan de deskundige te doen toekomen. Na ontvangst van het aanvullend deskundigenbericht zullen partijen nog in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren.

2.14.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt dat [eisers] binnen twee weken na heden een afschrift van de na het deskundigenbericht gewisselde processtukken alsmede van dit tussenvonnis aan de deskundige zullen doen toekomen,

3.2.

draagt de deskundige op bij aanvullend deskundigenbericht:

(i) inzicht te geven in de wijze waarop concreet is omgegaan met alle opmerkingen en vragen van partijen op het (eerste danwel tweede) concept deskundigenbericht;

(ii) nader toe te lichten waarom de bestaande constructie naar het oordeel van de deskundige dermate gevaarlijk was dat deze een normaal gebruik van de woning in de weg stond, waarbij tevens wordt toegelicht in hoeverre het aspect dat [gedaagde] jarenlang in de woning heeft gewoond zonder dat het door [eisers] gestelde gevaar zich heeft verwezenlijkt een rol heeft gespeeld bij dat oordeel; en

(iii) nader toe te lichten welk deel van het begrote bedrag van € 51.564,74 directe herstelkosten betreft en welk deel gevolgschade.

3.3.

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend aanvullend deskundigenbericht zal inleveren ter griffie van deze rechtbank vóór 18 januari 2017,

3.4.

bepaalt dat [eisers] binnen vier weken nadat het deskundigenbericht door de griffie van deze rechtbank is ontvangen een akte na aanvullend deskundigenbericht dienen te nemen, waarna [gedaagde] een antwoordakte kan nemen,

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.1

1 106/2544