Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8226

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
C/10/511746 / KG ZA 16-1176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/511746 / KG ZA 16-1176

Vonnis in kort geding van 26 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser1] ,

wonende en zaak doende te [woonplaats] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[eiser2] ,

wonende te [woonplaats2] ,

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats2] ,

eisers,

advocaat mr. D. Brouwer te Ede,

tegen

de stichting

STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk de bewindvoerder, [eiser2] en Stichting Woonstad Rotterdam genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling de dato 20 oktober 2016

  • -

    de pleitnota van Stichting Woonstad Rotterdam.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft bij verstekvonnis van 31 augustus 2012 onder meer de ontbinding uitgesproken van de huurovereenkomst ter zake van de woning die [eiser2] huurde van Stichting Woonstad Rotterdam op het adres [adres] . Voorts is [eiser2] daarbij onder meer veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde alsmede tot betaling aan Stichting Woonstad Rotterdam van een bedrag van € 1.825,46 vanwege een huurachterstand inclusief rente en kosten. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Na het wijzen van dit vonnis is tussen deze partijen een betalingsregeling getroffen en is [eiser2] in de woning blijven wonen.

2.2.

[eiser2] staat vanaf 2013 onder bewind ex art. 1:431 lid 1 BW met thans (voormelde) Kleis als bewindvoerder.

2.3.

De door Stichting Woonstad Rotterdam ingeschakelde deurwaarder heeft bij brief van 22 september 2016 met als onderwerp “kennisgeving huisuitzetting” aan [eiser2] medegedeeld dat het saldo van haar betalingsachterstand € 7.562,74 bedraagt, dat een betalingsregeling niet meer mogelijk is en dat ontruiming van de woning slechts nog kan worden voorkomen door betaling van de volledige achterstand, bij gebreke waarvan het vonnis zal worden betekend en de datum van ontruiming zal worden aangezegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser2] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 31 augustus 2012. [eiser2] stelt daartoe het volgende.

3.2.

Het vonnis van de kantonrechter uit 2012 geeft thans, in 2016, geen executoriale titel tot ontruiming meer. Na het wijzen van dat vonnis is tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand gekomen, ex art. 7:270 BW. [eiser2] is met toestemming van Stichting Woonstad Rotterdam gebruik blijven maken van de woning. Steun voor het standpunt van [eiser2] valt te vinden in de parlementaire geschiedenis van artikel 7:230 BW en uit het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 5 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0899. In die zaak achtte het Hof niet onredelijk het beleid van de verhuurder om een termijn van (niet meer dan) één jaar na het wijzen van het vonnis te hanteren waarbinnen nog ontruimd mocht worden op basis van het vonnis waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst is uitgesproken, indien de huurder de getroffen betalingsregeling niet nakwam. In het onderhavige geval is niet sprake van het verstrijken van één jaar sinds het wijzen van het vonnis, maar van maar liefst vier jaar. Volgens de deurwaar zijn twee maanden huur niet betaald maar het is [eiser2] niet duidelijk welke maanden dat dan zijn.

3.3.

Stichting Woonstad Rotterdam voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering is ingesteld zowel door [eiser2] in persoon als door haar bewindvoerder. Volgens Stichting Woonstad Rotterdam is [eiser2] in persoon niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat slechts haar bewindvoerder een vordering als de onderhavige in kan stellen. De voorzieningenrechter onderschrijft dit verweer. De juistheid daarvan volgt uit HR 7 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:525. Daarin is onder meer geoordeeld: “Een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende voor de instelling van het bewind gesloten huurovereenkomst, en tot ontruiming van het gehuurde, dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, indien de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten in het onder bewind gestelde vermogen vallen. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt daarom ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.” Dit oordeel heeft ook te gelden indien de bewindvoerder niet de gedaagde, maar de eisende partij is.

4.2.

Het spoedeisend belang volgt uit de stellingen van de bewindvoerder.

4.3.

Ter zitting bleek dat tussen partijen niet (meer) in geding is dat [eiser2] een steeds verder opgelopen achterstand heeft in de betaling van hetgeen zij aan Stichting Woonstad Rotterdam verschuldigd is. Volgens het vonnis van de kantonrechter uit 2012 was [eiser2] nog € 1.825,46 verschuldigd aan Stichting Woonstad Rotterdam. Deze achterstand is opgelopen tot € 7.562,74 in september 2016. Hieruit blijkt genoegzaam dat [eiser2] ook na het wijzen van het vonnis door de kantonrechter tekort is blijven schieten in haar financiële verplichtingen jegens Stichting Woonstad Rotterdam. Uit een door [eiser2] (althans de bewindvoerder) zelf overgelegd betalingsoverzicht blijkt dat zij in de maanden februari, maart, juni en augustus 2016 geen huur/ gebruiksvergoeding heeft betaald, zij het dat [eiser2] in andere maanden soms twee keer heeft betaald, kennelijk om de achterstand deels in te lopen. De tekortkoming van [eiser2] staat genoegzaam vast, nu zowel niet-betalen als niet-tijdig betalen een tekortkoming oplevert.

4.4.

De volgende vraag is of de tekortkoming van [eiser2] thans, in 2016, de voorgenomen ontruiming van de woning van [eiser2] rechtvaardigt met als executoriale titel een vonnis van de kantonrechter uit 2012. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ontruiming in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd meer is. Daarbij is het volgende van belang.

4.5.

De voorzieningenrechter hanteert het toetsingskader zoals dat is geformuleerd in het door [eiser2] aangehaalde arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dit gerechtshof heeft in dit verband geoordeeld:

“4.10. Voorts is van belang dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:230 BW volgt dat de hier aan de orde zijnde situatie onder ogen is gezien en niet is uitgesloten.

In artikel 7:230 BW is het volgende bepaald: "Indien na afloop van een huurovereenkomst de huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het gehuurde behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere bedoeling blijkt, de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij was aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd.".

De Minister heeft op vragen uit de Tweede Kamer over artikel 7:230 BW geantwoord:

"De bepaling belet niet dat een huurder na ontbinding van de huurovereenkomst nog enige tijd het gebruik van het gehuurde behoudt met het vonnis als stok achter de deur dat hij zich aan het vonnis houdt. Dit is een ander geval dan dat de huurder het gebruik van het gehuurde behoudt «met goedvinden van de verhuurder». Het gedogen van het voortgezet gebruik is hier immers in belangrijke mate gericht op het voorlopig niet ten uitvoer leggen van het vonnis waartoe de verhuurder zich evenwel het recht voorbehoudt. Pas indien de verhuurder zijn recht tot tenuitvoerlegging van het vonnis zou prijs geven of dit recht zou hebben verwerkt, doet zich de in artikel 230 bedoelde situatie voor." (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk 1999-2000, 26089, nr. 6, p. 36).”

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Stichting Woonstad Rotterdam het recht tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter uit 2012 prijsgegeven voorzover het de ontruiming betreft, respectievelijk het recht daartoe verwerkt. In de gegeven omstandigheden heeft [eiser2] het gerechtvaardigd vertrouwen mogen hebben dat (stilzwijgend) een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen, althans kan de voorzieningenrechter niet met een voldoende mate van zekerheid op voorhand uitsluiten dat de kantonrechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat er geen nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. Er zijn inmiddels 4 jaar verstreken sinds het wijzen van het vonnis door de kantonrechter, hetgeen een niet onaanzienlijk tijdsverloop is. Stichting Woonstad Rotterdam stelt in haar pleitnota “Als gezegd zijn de betalingsregelingen keer op keer niet nagekomen. In januari en juli 2013 is de ontruiming aangezegd. In alle correspondentie is verder steeds aangegeven dat bij niet nakoming van de regeling de ontruiming zal worden ingepland, c.q. nadere maatregelen zullen worden genomen. Deze stelling vindt onvoldoende bevestiging in de desbetreffende producties (de correspondentie tussen partijen). Uit deze correspondentie blijkt niet dat Stichting Woonstad Rotterdam zich voortdurend en ondubbelzinnig het recht op ontruiming heeft voorbehouden. In de brieven van de deurwaarder aan [eiser2] die dateren uit de periode van net na het vonnis van de kantonrechter wordt nog wel gerept over de mogelijkheid van ontruiming. In de latere correspondentie, (reeds) vanaf 2014 echter niet meer. In de correspondentie (brieven en e-mailberichten) van de deurwaarder van Stichting Woonstad Rotterdam vanaf 2014 wordt niet meer met zoveel woorden de mogelijkheid van ontruiming aangegeven. Daarin wordt ofwel niets gesteld over ontruiming, ofwel worden slechts bewoordingen gebruikt als dat er “verdere maatregelen” getroffen kunnen worden. Dit kunnen echter evengoed incassomaatregelen zijn. [eiser2] heeft niet zonder meer hoeven te begrijpen dat met “verdere maatregelen” ook de mogelijkheid van ontruiming bedoeld werd.

4.7.

Het verbod op ontruiming zal derhalve worden toegewezen. Voor zover wordt gevorderd om de executie van het vonnis van de kantonrechter ook op andere onderdelen te staken, zal dit worden afgewezen. De uit het vonnis van de kantonrechter voortvloeiende verplichting tot betaling van een geldsom aan Stichting Woonstad Rotterdam dient in stand dienen te blijven.

4.8.

Het oordeel dat niet mag worden ontruimd sluit -vanzelfsprekend- niet uit dat een nieuwe huurovereenkomst ook weer door de kantonrechter ontbonden kan worden, in geval van wanbetaling door [eiser2] . Deze kwestie ligt in de onderhavige procedure echter niet voor.

4.9.

Een dwangsom wordt niet nodig geacht. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat Stichting Woonstad Rotterdam het vonnis niet vrijwillig zal nakomen.

4.10.

De vordering zal derhalve deels worden toegewezen voor zover deze is ingesteld door de bewindvoerder en (geheel) niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover deze is ingesteld door [eiser2] in persoon. Nu partijen (in feite) over en weer deels in het ongelijk worden gesteld zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eiser2] (in persoon) niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.2.

verbiedt Stichting Woonstad Rotterdam om op basis van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2012 met kenmerk 1369908 \ CV EXPL 12-39322 over te gaan tot ontruiming van de woning van [eiser2] , met ingang van de dag na betekening van het onderhavige vonnis,

5.3.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.

1

1 2517/676