Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8119

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
5288087 VZ VERZ 16-17488
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek artikel 7:682 lid 1 sub a BW; uitzendkracht; herstel arbeidsovereenkomst afgewezen; Ontslagregeling artikel 7

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1440
AR 2016/3894

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5288087 VZ VERZ 16-17488

uitspraak: 25 oktober 2016

beschikking ex artikel 7:682 Burgerlijk Wetboek (BW) van de kantonrechter,

zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. B.M. Voogt te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap

Manpower B.V.,

handelend onder de naam Manpower Uitzendorganisatie,

verweerster,

gemachtigde: mr. J.M.A. Mooij (Legalmatters.com).

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘Manpower’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen 4 augustus 2016;

  • -

    de producties aan de zijde van [verzoeker];

  • -

    het verweerschrift, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op dinsdag 27 september 2016. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. B.M. Voogt. Namens Manpower zijn verschenen [Z.] (account specialist) en [B.] (senior account specialist) bijgestaan door de gemachtigde mr. J.M.A. Mooij. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft tot slot de beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Manpower is een uitzendorganisatie. [verzoeker] is op 15 september 2003 in dienst getreden bij Manpower. Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.2

Laatstelijk was [verzoeker] geplaatst bij Suiker Unie in Puttershoek. [verzoeker] vervulde bij Suiker Unie de functie van operator.

2.3

Op enig moment heeft Suiker Unie aan de bij haar werkzaam zijnde operators de eis gesteld dat zij dienen te beschikken over Vapro-certificaat. Manpower heeft [verzoeker] aangeboden het certificaat te behalen. In dat verband schreef [Z.], account specialist bij Manpower, in een e-mail van 25 februari 2014 aan een medewerker van Suiker Unie:

‘[M.] en ik hebben woensdag de scholingsovereenkomst met Dhr. [verzoeker] doorgenomen. Hij was niet bereid om te tekenen, omdat hij de opleiding niet te combineren vindt met de zorg voor zijn 4 kinderen. Om het toch te motiveren hebben we navraag gedaan bij Technicom. De studiebelasting is ongeveer 24 uur per maand. Dit vindt Dhr. [verzoeker] te veel. Daarnaast hebben we de optie aangeboden om eventueel later dit jaar te starten met de opleiding. Maar ook hier ging hij niet mee akkoord.

Naar onze mening hebben wij er alles aan gedaan om Dhr. [verzoeker] te motiveren de opleiding te volgen, maar helaas staat hij er niet voor open. (…)’

2.4

In de overeenkomst met betrekking tot het scholingstraject (hierna ‘de scholingsovereenkomst’) die door Manpower aan [verzoeker] is voorgelegd is in artikel 14.11 bepaald:

‘De Flexmedewerker zal zijn deelname aan de beroepsbegeleidende leerweg in de richting Basisoperator aan scholingsinstituut Technicom moeten beëindigen indien:

(…)

 Flexmedewerker niet de benodigde cijfers behaalt die vereist zijn voor toelating tot het opvolgende studiejaar of niet de benodigde cijfers behaalt die vereist zijn om de studie met succes af te ronden

(…)’

en in artikel 4.12:

‘Indien en zodra

 de Flexmedewerker zijn deelname aan de beroepsbegeleidende leerweg, in de richting van Basisoperator aan scholingsinstituut Technicom op grond van artikel 14.11 moet beëindigen,

 de Flexmedwerker zelf zijn deelname aan de beroepsbegeleidende leerweg, in de richting Basisoperator aan scholingsinstituut beëindigt,

 de detacheringsovereenkomst wegens een dringende reden ten tijde van de scholing tussentijds wordt beëindigd, zullen de terug te betalen kosten als volgt worden berekend: (…)’

2.5

In een e-mail van 1 september 2015 schreef een medewerker van Suiker Unie aan [M.], operations manager bij Manpower, het volgende:

‘(…) Wij hebben geen plannen om na 31 december 2015 door te gaan met [verzoeker]. Hij is bij ons ook niet meer uit zichzelf komen praten over de opleiding. (…)’

2.6

Suiker Unie heeft de inleenopdracht met Manpower met betrekking tot [verzoeker] per 1 januari 2016 beëindigd.

2.7

Manpower heeft het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend. Manpower heeft op 25 juli 2016 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd, waarmee de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 25 augustus 2016.

2.8

Op 15 augustus 2016 heeft [M.], operations manager Manpower, schriftelijk verklaard, voor zover thans van belang:

‘(…) Hierbij verklaar ik dat wij, [Z.] (Accountspecialist) en [M.] (Operations Manager) bij Manpower, op woensdag 19 februari 2014 met [verzoeker] de scholing hebben besproken.

Het betrof een scholingstraject met betrekking tot de opleiding Basis Operator.

[verzoeker] heeft toen aangegeven dat hij de studiebelasting te zwaar vond en dit niet kon combineren met zijn privé situatie. Dit was de reden dat hij niet in kon gaan op het scholingsaanbod. Daarnaast wilde hij niet akkoord gaan met de bepaling waarin wordt verwezen naar het terugbetalen van het scholingsgeld. Het terugbetalen van het scholingsgeld is alleen van toepassing als de flexmedewerker tussentijds besluit te stoppen met de opleiding of als er sprake is van grove nalatigheid van de flexmedewerker. Het betreft een standaard bepaling die normaliter door iedereen wordt ondertekend die een scholingstraject aangaat via Manpower.

We hebben [verzoeker] ondanks zijn beslissing een aantal dagen bedenktijd gegeven, maar hij bleef bij zijn standpunt en sloeg het scholingsaanbod af. (…)’

3 Het verzoek

[verzoeker] verzoekt Manpower te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort gezegd – dat de opzegging door Manpower in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a BW en dat geen sprake is van een situatie waarin ontslag wegens een bedrijfseconomische reden gerechtvaardigd is. In dat kader heeft [verzoeker] aangevoerd dat zijn arbeidsplaats niet is vervallen. Hij kan de arbeidsplaats niet vervullen door een oorzaak die voor rekening van Manpower komt. Manpower heeft [verzoeker] de vereiste opleiding voor operators bij Suiker Unie aangeboden, echter wel onder de voorwaarde dat [verzoeker] de opleidingskosten diende te betalen als hij het Vapro-certificaat niet zou behalen. Dat risico vond [verzoeker] te groot, zeker gezien de forse studiebelasting van 24 uur per maand. Manpower heeft het daarbij gelaten en [verzoeker] kon daardoor niet meer bij Suiker Unie te werk gesteld worden. Daarnaast heeft Manpower niet voldaan aan haar inspanningsverplichting [verzoeker] te herplaatsen.

4 Het verweer

Manpower verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, moet worden afgewezen. Op de afzonderlijke verweren van Manpower wordt hierna in het kader van de beoordeling ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

[verzoeker] heeft het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst tijdig ingediend nu het verzoek reeds is ingediend voordat de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk tot een einde was gekomen.

5.2

Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b, BW. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot een redelijke grond voor ontslag (Ontslagregeling).

5.3

[verzoeker] was bij Manpower in dienst als uitzendkracht op basis van een zogenoemde fase C arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat [verzoeker] in vaste dienst was bij Manpower.

In artikel 7 van de Ontslagregeling is met betrekking tot de redelijke grond voor ontslag van een uitzendkracht bepaald:

‘Bij het beëindigen van een inleenopdracht, bestaat een redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden, indien aannemelijk is dat de werknemer niet binnen een periode van 26 weken, bedoeld in artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bij die derde dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden zal kunnen verrichten en de uitzendwerkgever zich gedurende een periode gelijk aan de redelijke termijn, bedoeld in artikel 10, heeft ingespannen om de werknemer te herplaatsen in een passende functie.’

5.4

De kantonrechter toetst aan dezelfde criteria als die welke voor het UWV gelden (zie Kamerstukken II 2013/14 33818, 3, p.31). Hij dient vol te toetsen of de beslissing van de werkgever noodzakelijk is gelet op, in dit geval, het bepaalde van artikel 7 van de Ontslagregeling.

5.5

Vast staat dat Suiker Unie de inleenopdracht met betrekking tot [verzoeker] heeft beëindigd. Verder is door [verzoeker] niet betwist dat Suiker Unie aan de bij haar werkzaam zijnde operators de eis stelt dat zij beschikken over een Vapro A-certificaat. [verzoeker] beschikt niet over een dergelijk diploma en heeft de opleiding, om hem moverende redenen, ook niet alsnog gevolgd. Het staat derhalve voldoende vast dat bij Suiker Unie niet dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden voor [verzoeker] voorhanden waren. Verder dient aannemelijk te zijn dat de derde met wie de inleenovereenkomst is aangegaan, in dit geval Suiker Unie, over een toekomstige periode van 26 weken bezien, voor [verzoeker] voor dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden die [verzoeker] voorheen verrichtte, geen nieuwe inleenovereenkomst met Manpower zal aangaan. De zogenoemde vooruitblik over een periode van 26 weken om te bezien of sprake is van een structureel verval van de arbeidsplaats, wordt hiermee beperkt tot de laatste opdrachtgever (in dit geval Suiker Unie). Dat [verzoeker] binnen 26 weken het Vapro A-certificaat alsnog zou weten te verkrijgen was in de gegeven omstandigheden volstrekt onaannemelijk. Kortom, de arbeidsplaats van [verzoeker] bij Suiker Unie was blijvend vervallen.

5.6

Daarnaast heeft Manpower voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de redelijke termijn als bedoeld artikel 10 Ontslagregeling, zich heeft ingespannen [verzoeker] te herplaatsen. De hier bedoelde redelijke termijn vangt aan op de dag waarop de inleenopdracht eindigt (artikel 10 lid 5a Ontslagregeling). De inleenopdracht bij Suiker Unie eindigde per 1 januari 2016 en de ontslagaanvraag van Manpower is door het UWV ontvangen op 2 juni 2016. Manpower heeft over deze periode gespreksverslagen overgelegd met daarbij telkens gevoegd een overzicht van functies en waarom deze functies niet passend zijn voor [verzoeker]. [verzoeker] heeft de gespreksverslagen niet getekend maar daaraan kan geen betekenis worden verleend nu [verzoeker] de inhoud van de verslagen niet concreet heeft betwist. [verzoeker] heeft verder betoogd dat Manpower ook bij andere vestigingen had moeten informeren of er passend werk voor hem was. Manpower had bij alle vestigingen in Nederland moeten informeren, aldus [verzoeker]. Manpower heeft te dien aanzien aangevoerd dat [verzoeker] niet verder dan op een afstand van 35 kilometer van Rotterdam wilde werken. In het verslag van het herplaatsingsgesprek van 11 februari 2016 is dit vastgelegd. Manpower heeft dit nader onderbouwd met een concreet voorbeeld. Aan [verzoeker] werd een vacature getoond op de Zuid-Hollandse eilanden, op 60 kilometer afstand van Rotterdam, waarop [verzoeker] aangaf dit te ver te vinden. Bovendien heeft [verzoeker] erkend dat hij heeft aangegeven binnen een straal van 35 kilometer te willen werken. Dat hij daarbij gelijktijdig betoogt dat Manpower hem alle vacatures moet laten zien en dat hij daarna beslist of hij daarop in zal gaan, is dan ook weinig geloofwaardig. Bovendien zou het voor Manpower haast ondoenlijk zijn om alle passende vacatures in heel Nederland in de gaten te houden. Dat behoeft van een redelijk handelende werkgever niet verwacht te worden. In ieder geval staat vast dat Manpower zich een redelijke termijn heeft ingespannen [verzoeker] te herplaatsen.

5.7

Uit het bovenstaande volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat het UWV de wet en de Ontslagregeling op juist wijze heeft toegepast, zodat niet in strijd met artikel 7:669 lid 3 onderdeel a of b BW is gehandeld. In zoverre is de vordering van [verzoeker] ongegrond.

5.8

[verzoeker] heeft verder als grond aangevoerd dat de arbeidsplaats niet is komen te vervallen, maar dat hij die arbeidsplaats niet meer heeft kunnen vervullen door een oorzaak die voor rekening van Manpower moet komen. Aangenomen wordt dat onder de in artikel 7:682 lid 1 sub a BW genoemde grond ook artikel 7:669 lid 1 begrepen moet worden.

Met de stelling dat de ontslaggrond ontstaan is door toedoen van Manpower, beoogt [verzoeker] een verdergaande toets dan die welke gelegen is in de wet en in Ontslagregeling, namelijk een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid. Daarvoor biedt het stelsel weinig ruimte. In ieder geval is de opzegging niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Manpower om –indien [verzoeker] daarom verzocht zou hebben– aan hem een billijke vergoeding toe te kennen. Overigens is de kantonrechter van oordeel dat de oorzaak van het vervallen van de arbeidsplaats aan [verzoeker] zelf is te wijten. Gelet op de overgelegde correspondentie en de summiere betwisting daarvan, komt voldoende vast te staan dat Manpower [verzoeker] tijdig heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het gemis van een Vapro A-diploma en dat aan [verzoeker] scholing is aangeboden. Dat Manpower aan het bekostigen van die opleiding de voorwaarde verbond dat die kosten op [verzoeker] verhaald mogen worden in het geval hij er “met zijn pet naar gooit” is niet onredelijk. Bovendien is gezien de toelichting op artikel 9 van de Ontslagregeling scholing pas een verplichting voor de werkgever als er zicht is op herplaatsing in een passende functie. Kortom, Manpower heeft jegens [verzoeker] gedaan wat van haar verlangd mocht worden. Aan haar kan het ontstaan van de ontslaggrond niet worden toegerekend.

5.9

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat er geen grond is om Manpower te veroordelen de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te herstellen. Het verzoek van [verzoeker] wordt als ongegrond afgewezen met veroordeling van [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst het verzoek van [verzoeker] af;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Manpower vastgesteld op € 400,- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
540