Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8031

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
C/10/498575 / HA ZA 16-329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een (hier: indirect) bestuurder van een vennootschap tegenover een derde wiens facturen de vennootschap onbetaald laat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0016
AR 2016/3051

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/498575 / HA ZA 16-329

Vonnis van 5 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. M.A. T Schroots te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. van Bunge te Dordrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 maart 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 18 mei 2016;

  • -

    de brief van 15 juni 2016 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 september 2016 gehouden comparitie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf1] was een schadeherstelbedrijf. Zij had vestigingen in Den Haag, Rotterdam en Amersfoort. De laatste vestiging was ondergebracht in een aparte B.V.: RGN Amersfoort B.V. [gedaagde] is bestuurder van SR Holding B.V. SR Holding is groot aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf1] en RGN Amersfoort.

2.2.

[bedrijf1] was tot mei 2015 aangesloten bij RGN Nederland. RGN Nederland is een coöperatie van samenwerkende schadeherstelbedrijven. Zij werkt als doorgeefluik tussen verzekeraars en de aangesloten leden. [bedrijf1] was voor het grootste deel van haar omzet afhankelijk van de opdrachten van RGN Nederland.

2.3.

[bedrijf1] heeft in december 2014 opdracht aan [eiseres] gegeven tot het verrichten van verschillende werkzaamheden. Daarbij heeft [bedrijf1] een extra lange betalingstermijn bedongen.

2.4.

[eiseres] heeft de opgedragen werkzaamheden vanaf december 2014 naar tevredenheid van [bedrijf1] verricht.

2.5.

Ter zake van de uitgevoerde werkzaamheden heeft [eiseres] facturen aan [bedrijf1] verstuurd, de laatste met factuurdatum 27 maart 2015.

2.6.

[bedrijf1] heeft de facturen onbetaald gelaten.

2.7.

In mei 2015 heeft RGN Nederland het lidmaatschap aan [bedrijf1] opgezegd. De grond voor de opzegging was dat [bedrijf1] al geruime tijd niet aan de solvabiliteitseisen voldeed waaraan leden van de coöperatie dienden te voldoen.

2.8.

[bedrijf1] is op 9 juni 2015 op eigen aangifte failliet verklaard. RGN Amersfoort is vervolgens op 6 oktober 2015 op verzoek van de curator van [bedrijf1] failliet verklaard.

2.9.

De curator heeft geconstateerd dat de boekhouding van [bedrijf1] niet op orde was. Er werd sinds medio 2013 gewerkt met twee boekhoudsystemen die niet op elkaar waren aangesloten. Jaarrekeningen van [bedrijf1] zijn vanaf 2012 niet gedeponeerd.

2.10.

Uit de faillissementsboedel van [bedrijf1] kunnen de vorderingen van [eiseres] niet worden voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'1. gedaagde zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 35.808,12 (zegge: vijfendertigduizend achthonderd acht euro en twaalf cent) te vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de vervaldatum van iedere factuur tot aan de dag der algehele voldoening;

2. gedaagde zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de bedrag van € 1.103,32 (zegge: éénduizend éénhonderd drie euro en tweeëndertig cent) ter vermeerderen met de daarover verschenen wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf 22 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;'

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] grondt haar vorderingen op onrechtmatige daad. Daartoe stelt zij - kort weergegeven - het volgende. [gedaagde] heeft als (indirect) bestuurder van [bedrijf1] willens en wetens opdrachten aan [eiseres] verstrekt (dan wel laten verstrekken) terwijl hij wist c.q. behoorde te weten dat [bedrijf1] de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen. [gedaagde] kende de financieel precaire situatie van [bedrijf1] . Hij wist, althans behoorde te weten dat [bedrijf1] ten tijde van het verlenen van de opdrachten aan [eiseres] op omvallen stond en dat opdrachtgevers van [bedrijf1] een ernstig risico liepen dat hun facturen niet zouden worden voldaan.

4.2.

De rechtbank zal de vorderingen afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3.

Voor het juridisch kader waarbinnen de vorderingen dienen te worden beoordeeld, verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4.2 en 4.3 uit het arrest HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22:

'4.2 (…) Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).

4.3

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/C), geval (i)). In de kern houdt dit zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.'

4.4.

Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een (hier: indirect) bestuurder van een vennootschap tegenover een derde wiens facturen de vennootschap onbetaald laat, geldt een hoge drempel. [gedaagde] zou jegens [eiseres] aansprakelijk kunnen zijn indien hij inderdaad opdrachten aan [eiseres] zou hebben verstrekt op een moment dat hij wist of behoorde te begrijpen dat de ter zake daarvan door [eiseres] aan [bedrijf1] te verzenden facturen niet zouden kunnen worden voldaan.

4.5.

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij ten tijde van het verstrekken van de opdrachten aan [eiseres] wist of behoorde te begrijpen dat [bedrijf1] de facturen ter zake van die opdrachten niet zou kunnen voldoen.

4.6.

In de gegeven omstandigheden lag het op de weg van [eiseres] om feiten of omstandigheden te stellen die - mits, in geval van voldoende betwisting, bewezen - de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen, dat [gedaagde] ten tijde van het verstrekken van de opdrachten wist of behoorde te begrijpen dat [bedrijf1] de facturen niet zou kunnen voldoen. Dergelijke feiten of omstandigheden heeft [eiseres] niet gesteld. De rechtbank zal hierna de door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden bespreken en motiveren waarom deze niet tot toewijzing van haar vorderingen kunnen leiden.

4.7.

[eiseres] heeft gesteld dat achteraf blijkt dat [bedrijf1] al sinds 2012 verlies draait. [gedaagde] wist in de visie van [eiseres] halverwege 2014 al dat [bedrijf1] in serieuze financiële problemen verkeerde. Geen van beide omstandigheden, wat daar ook van zij, brengt echter zonder meer mee dat [gedaagde] ten tijde van het verstrekken van de opdrachten aan [eiseres] wist of behoorde te weten dat de facturen van [eiseres] niet zouden kunnen worden voldaan. [gedaagde] heeft in dit verband aangevoerd dat men binnen [bedrijf1] juist heel hard aan het werk was om het tij te keren. Oorzaken van ontstane problemen werden aangepakt. Een administratief en financieel onderlegde partij zou in [bedrijf1] gaan participeren en financiële middelen aan [bedrijf1] ter beschikking stellen. Op uitgevoerde projecten werd winst gemaakt en op kosten werd bespaard. Problemen die er waren met de administratie, vooral doordat het oorspronkelijk toegepaste administratiepakket niet bleek te voldoen en men was overgestapt op een ander administratiepakket, werden aangepakt door een daartoe ingeschakelde accountant. De rechtbank is van oordeel dat tegen deze achtergrond, die door [eiseres] niet gemotiveerd is weersproken, moet worden aangenomen dat [gedaagde] ten tijde van het verstrekken van de opdrachten aan [eiseres] kon menen dat (er een reële mogelijkheid bestond dat) [bedrijf1] in staat zou zijn om de facturen ter zake van die opdrachten te voldoen.

4.8.

[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig handelde door in de gegeven omstandigheden opdrachten te verstrekken aan [eiseres] , zonder te waarschuwen voor het betalingsrisico. Dat [gedaagde] [eiseres] niet waarschuwde voor het betalingsrisico is echter onvoldoende voor het aannemen van een aan [gedaagde] te maken persoonlijk ernstig verwijt. Indien een verplichting om steeds te waarschuwen voor betalingsrisico's voor bestuurders van rechtspersonen zou bestaan, zouden rechtspersonen bij enige financiële tegenwind al snel in onoverkomelijke financiële problemen geraken. Immers, indien men gehouden is om alle partijen die men een opdracht verstrekt te waarschuwen voor een betalingsrisico, zal vrijwel geen enkele wederpartij nog willen presteren zonder dat betaling vooraf zeker is gesteld. De bestuurder die een contractuele wederpartij niet waarschuwt voor het bestaan van een betalingsrisico handelt daarmee dan ook nog niet onrechtmatig jegens die wederpartij. Daarvoor is op basis van de rechtspraak hieromtrent meer nodig. Immers, het door de Hoge Raad geformuleerde zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ houdt in de kern de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. Daarvan is nog geen sprake indien de bestuurder weliswaar weet dat er financiële problemen zijn en dat er een betalingsrisico is, maar nog niet behoort te begrijpen dat de vennootschap niet zal kunnen betalen. De lat voor het kunnen aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap ligt hoger. De achtergrond daarvan is het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

4.9.

[eiseres] heeft erop gewezen dat [bedrijf1] al geruime tijd niet aan de solvabiliteitseisen voldeed toen RGN Nederland in mei 2015 het lidmaatschap van [bedrijf1] opzegde. [bedrijf1] werd in de visie van [eiseres] al enige tijd kritisch gevolgd door RGN Nederland. [gedaagde] behoorde - zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiseres] - te begrijpen dat RGN Nederland het lidmaatschap zou gaan opzeggen, dat [bedrijf1] daardoor vrijwel direct in financiële problemen zou geraken en dat [bedrijf1] vervolgens de facturen van [eiseres] niet zou kunnen voldoen waardoor [eiseres] schade zou lijden. De rechtbank kan uit de stellingen van [eiseres] echter niet afleiden dat [gedaagde] op de hoogte was van feiten of omstandigheden die meebrengen dat hij behoorde te begrijpen dat RGN Nederland er in mei 2015 toe zou overgaan het lidmaatschap van [bedrijf1] op te zeggen. Dat [gedaagde] ermee bekend was dat er solvabiliteitseisen golden voor het (continueren van) het lidmaatschap van RGN Nederland en dat [bedrijf1] op dat moment niet kon aantonen dat zij daaraan voldeed, brengt niet mee dat [gedaagde] wist of behoorde te weten dat RGN Nederland in mei 2015 feitelijk tot opzegging zou overgaan, met alle gevolgen van dien. Dat een dergelijk risico bestond, behoorde [gedaagde] wellicht te begrijpen. Het enkele bestaan van een dergelijk risico (of van andere zakelijke risico's) rechtvaardigt echter niet de conclusie dat [gedaagde] wist of behoorde te begrijpen dat de facturen van [eiseres] niet zouden (kunnen) worden voldaan. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat [gedaagde] behoorde te begrijpen dat het lidmaatschap zou worden opgezegd en dat [bedrijf1] niet zou overleven. Dat [gedaagde] behoorde te begrijpen dat de facturen van [eiseres] niet zouden kunnen worden voldaan, kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet worden (vast)gesteld. Uit de hoge aansprakelijkheidsdrempel die geldt voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van een (indirect) bestuurder vloeit voort dat het handelen/nalaten van [gedaagde] jegens [eiseres] in de gegeven omstandigheden niet kan worden gekwalificeerd als een door hem gepleegde onrechtmatige daad die hem ertoe verplicht om persoonlijk de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden.

4.10.

[eiseres] heeft zich beroepen op de inhoud van de faillissementsverslagen van de curator in de faillissementen van [bedrijf1] en RGN Amersfoort. Uit die verslagen blijkt dat de curator van oordeel is dat de administratie van [bedrijf1] en RGN Amersfoort gebrekkig was. Er werd gewerkt met twee verschillende boekhoudsystemen (na de moeizaam verlopen poging om van het oorspronkelijke op een ander systeem over te stappen), die niet op elkaar waren aangesloten. Daardoor gaven de in de boekhouding aanwezige cijfers geen inzicht in de financiële positie van de vennootschap. De laatst gedeponeerde jaarrekening van [bedrijf1] dateert van 2011. De rechtbank is met [eiseres] van mening dat uit de beschikbare informatie kan worden afgeleid dat onder verantwoordelijkheid van [gedaagde] als (indirect) bestuurder van [bedrijf1] en RGN Amersfoort gedurende enkele jaren een administratie is gevoerd die niet voldeed aan de eisen die men daaraan kan stellen. Het is ook zeer wel mogelijk dat juist dat een belangrijke oorzaak is geweest van de faillissementen. Indien de administratie onvoldoende inzicht biedt, is het immers vrijwel onmogelijk om een bedrijf van enige omvang adequaat te leiden. Dan kan men negatieve ontwikkelingen niet tijdig signaleren en bijsturen. Dat wellicht sprake was van een gebrekkige administratie, rechtvaardigt echter niet de conclusie dat [gedaagde] ten tijde van het verstrekken van de opdrachten aan [eiseres] wist of behoorde te begrijpen dat [eiseres] niet zou worden betaald voor haar werkzaamheden. De gebrekkigheid van de administratie zou in het bijzonder van belang kunnen zijn in het kader van een tegen [gedaagde] ingestelde vordering ex artikel 2:248 BW. Echter, alleen de curator is bevoegd om een op dat wetsartikel gebaseerde vordering tegen de bestuurders van een vennootschap in te stellen. Een individuele schuldeiser van de vennootschap heeft die bevoegdheid niet.

4.11.

[eiseres] heeft er ook op gewezen als gevolg van de gebrekkig gevoerde boekhouding en het niet gedeponeerd zijn van jaarrekeningen afnemers en leveranciers van [bedrijf1] niet konden weten hoe [bedrijf1] er financieel voor stond. Zij konden de meest recente jaarrekeningen niet opvragen. Echter, gesteld noch gebleken is dat [eiseres] heeft getracht door bijvoorbeeld jaarrekening op te vragen inzicht in de financiële situatie waarin [bedrijf1] verkeerde te verwerven voordat zij opdrachten van haar aanvaardde en uitvoerde. Als dat anders was zou bovendien juist het niet gedeponeerd zijn van jaarstukken die gedeponeerd hadden moeten zijn een belangrijke indicatie voor [eiseres] zijn geweest dat er iets mis was met het functioneren van [bedrijf1] . Wat daar ook van zij, ook het feit dat er problemen waren met de administratie van [bedrijf1] en dat bepaalde jaarrekeningen niet tijdig zijn gedeponeerd, brengt niet mee dat [gedaagde] jegens [eiseres] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt. Aan het zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ is niet voldaan en de stellingen van [eiseres] bieden geen basis om [gedaagde] op een andere grond aansprakelijk te achten voor de door [eiseres] geleden schade.

4.12.

De slotsom is dat [eiseres] , in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd de aan haar vorderingen ten grondslag gelegde stelling dat [gedaagde] als (indirect) bestuurder van [bedrijf1] willens en wetens opdrachten aan [eiseres] heeft verstrekt (dan wel laten verstrekken) terwijl hij wist of behoorde te weten dat [bedrijf1] de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen. Aan het opdragen van bewijs komt de rechtbank derhalve niet toe. De vorderingen zullen, zoals hiervoor onder 4.2 aangekondigd, worden afgewezen.

4.13.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.043,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.043,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

[1729;1629]