Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8029

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
C/10/493815 / HA ZA 16-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een (indirect) bestuurder van een vennootschap tegenover een derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0014
OR-Updates.nl 2016-0319
AR 2016/3050

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/493815 / HA ZA 16-102

Vonnis van 5 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

W&O SUPPLY NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

eiseres,

advocaat mr. M.M. Broere-Blokland te Dordrecht,

tegen

1 [gedaagde1]

,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHIPYARD TRICO B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde3] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DURASHIP B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. Y.M.M. Ooykaas te Rotterdam.

Partijen zullen hierna W&O, de curator, Shipyard Trico, [gedaagde3] en Duraship genoemd worden. Shipyard Trico, [gedaagde3] en Duraship zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als Shipyard Trico c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 maart 2015, met producties;

  • -

    het herstelexploot van 29 mei 2015;

  • -

    de beslagstukken;

  • -

    de conclusie van antwoord van 20 april 2016 van Shipyard Trico c.s.;

  • -

    de brief van 11 mei 2016 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een comparitie van partijen;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis van 2 augustus 2016, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 2 augustus 2016 en de ter zitting door W&O overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Voor zover de tegen het in staat van faillissement verkerende Trico Piping B.V. (hierna: Trico Piping) gerichte rechtsvorderingen voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, is het geding na de faillietverklaring geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering wordt betwist.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De bedrijfsactiviteiten van Shipyard Trico bestaan onder andere uit het (af)bouwen van en het verrichten van reparatie en onderhoud aan schepen. [gedaagde3] en Duraship zijn de bestuurders van Shipyard Trico.

2.2.

Tot 29 december 2014 was Shipyard Trico enig aandeelhouder en bestuurder van Trico Piping. De bedrijfsactiviteiten van Trico Piping bestonden uit het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot pijpleidingsystemen op schepen. Het overgrote deel van de opdrachtgevers/klanten van Trico Piping maakte deel uit van de Trico groep.

2.3.

W&O is een groothandel in metaalertsen. W&O heeft in 2014 en in januari 2015 werkzaamheden verricht aan door Shipyard Trico (af) te bouwen schepen. Ter zake van die werkzaamheden heeft W&O voor een bedrag van € 50.341,69 facturen verzonden aan Trico Piping. Die facturen zijn onbetaald gebleven.

2.4.

Trico Piping is op 24 maart 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator tot curator.

3 Het geschil

3.1.

W&O vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

'Primair

I. Shipyard Trico B.V. te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag ter hoogte van EUR 51.640,85 (hoofdsom inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarding), terzake door haar bestelde en aan haar geleverde materialen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

Subsidiair

II. Trico Piping B.V. te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag ter hoogte van EUR 51.640,85 (hoofdsom inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarding), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

III. gedaagden (onder meer in hun functie van (indirect) bestuurder van Trico Piping B.V.) te bevelen tot openlegging van boeken, bescheiden en geschriften, waaruit de financiële status van Trico Piping B.V. ten tijde van de opdrachten aan eiseres kan worden vastgesteld, waaronder de in alinea 6 genoemde stukken [gespecificeerd in alinea 6 van de dagvaarding; toevoeging rechtbank], op straffe van een door u nader te bepalen dwangsom;

IV. te verklaren voor recht dat gedaagden sub 2, 3 en 4 als (indirect) bestuurders van Trico Piping B.V. hoofdelijk, des de een betalende de ander zij gekweten, gehouden zijn om de door eiseres geleden schade te vergoeden;

V. gedaagden sub 2, 3 en 4 te veroordelen tot betaling van EUR 51.640,85 (inclusief wettelijke rente tot de datum van dagvaarding), vermeerderd met wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

Primair en subsidiair

VI. gedaagde(n) te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten tot een beloop van EUR 1.278,42;

VII. gedaagden sub 2, 3 en 4 te veroordelen tot betaling van de kosten met betrekking tot de gelegde beslagen ad EUR 2.036,77 P.M.;

VIII. gedaagden te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 131,00, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.'

3.2.

Shipyard Trico c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van W&O - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tegen de wijziging van eis is door Shipyard Trico c.s. geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht de wijziging van eis ten opzichte van Shipyard Trico c.s. niet in strijd met de goede procesorde. Ten opzichte van Shipyard Trico c.s. zal de rechtbank recht doen op de gewijzigde eis. Nu de curator niet in het geding is verschenen, is een wijziging van eis tegen de curator uitgesloten. Immers, de wijziging is niet bij exploot aan de curator kenbaar gemaakt (artikel 130 Rv).

4.2.

Na wijziging van eis en van de grondslag van de eis vordert W&O primair nakoming van Shipyard Trico, subsidiair is haar standpunt dat zij aanspraak kan maken op nakoming door Trico Piping. W&O grondt haar subsidiaire vorderingen tegen Shipyard Trico c.s. op onrechtmatige daad en op ongerechtvaardigde verrijking. Daartoe stelt zij - kort weergegeven - het volgende.

Primair stelt W&O dat Shipyard Trico W&O opdracht heeft gegeven voor de levering van diverse materialen. Shipyard Trico heeft W&O verzocht de facturen ter zake van die opdrachten op naam van Trico Piping te zetten. Nu Trico Piping die facturen niet betaalt, is Shipyard Trico als feitelijke opdrachtgever zelf gehouden om tot betaling over te gaan.

Subsidiair stelt W&O dat Shipyard Trico van derden opdracht heeft gekregen voor de bouw of verbouw van schepen. Zij heeft werkzaamheden uitbesteed aan haar dochtermaatschappij Trico Piping. Kort nadien, op 29 december 2014, is Shipyard Trico teruggetreden als bestuurder van Trico Piping. Eveneens op 29 december 2014 zijn Trico Holding en de onderliggende werkmaatschappij Trico Materialen opgericht. Trico Materialen werd bestuurder van Trico Piping. [gedaagde3] en Duraship zijn zowel (indirect) bestuurder van Trico Holding als van Shipyard Trico. Bijna alle vennootschappen zijn op hetzelfde adres gevestigd en gelieerd aan het Trico-concern. Nu de eindopdrachtgevers betaling zullen verrichten aan Shipyard Trico en er geen rechtstreekse link meer is met Trico Piping, kan het niet anders dan dat Trico Piping niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Om die reden is Shipyard Trico hoofdelijk aansprakelijk en gehouden, op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, de vordering van W&O te voldoen.

Shipyard Trico c.s. en de achterliggende natuurlijke personen, de heren [persoon1] en [persoon2] , waren persoonlijk aanspreekpunt voor de verstrekte opdrachten. Ondanks de financiële situatie en de reeds ingezette reorganisatie hebben zij de opdracht vanuit Trico Piping verstrekt. Het tijdsbestek tussen het verstrekken van de opdracht en de mededeling over financiële onmacht van Trico Piping is dusdanig kort dat er sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt. Shipyard Trico c.s. behoorden redelijkerwijs te weten dat de door Trico Piping aangegane verplichtingen niet zouden kunnen worden nagekomen en dat zij geen verhaal zou bieden.

Als opdrachtgevers aan hun verplichtingen jegens Shipyard Trico hebben voldaan, maar anderzijds W&O niet voor haar werkzaamheden wordt betaald, is er sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van Shipyard Trico, in die zin dat zij werkzaamheden, zonder betaling, heeft verkregen en anderzijds W&O schade lijdt en aldus in haar vermogen wordt geschaad.

Teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de financiële situatie van Trico Piping op het moment dat W&O diverse opdrachten heeft verkregen, dienen Trico Piping en Shipyard Trico c.s. te worden bevolen om op grond van artikel 162 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde in de dagvaarding gespecificeerde administratieve stukken te overleggen (winst- en verliesrekening per 31 december 2013, halfjaarlijkse prognose over 2014, projectadministraties, grootboekmutaties, onverdichte grootboekmutaties).

4.3.

De rechtbank zal de vorderingen afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.

De stelling dat niet Trico Piping, maar Shipyard Trico W&O opdrachten heeft gegeven, is onvoldoende onderbouwd. Bij dagvaarding onder 2 heeft W&O het volgende gesteld:

'Op verzoek van Trico Piping B.V., tot voor kort een dochteronderneming van Shipyard Trico, heeft W&O werkzaamheden verricht op een nieuwbouwschip van de firma [bedrijf1] (de Tess). [bedrijf1] heeft aan Shipyard Trico B.V. opdracht gegeven het schip te bouwen. Zij heeft vervolgens Trico Piping B.V. ingeschakeld voor het maken/leveren van het leidingwerk op het schip. Trico Piping heeft dit uitbesteed aan W&O. Shipyard Trico blijkt tot 29 december 2014 enig aandeelhouder te zin geweest van Trico Piping. Hetzelfde geldt voor de Mystery van Trico Mystery B.V., die via Trico Piping opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden.'

4.5.

Reeds uit deze stellingen bij dagvaarding blijkt dat W&O de juridische situatie voor wat betreft de opdrachtverlening voorafgaande aan het faillissement van Trico Piping helder op het netvlies had staan. Shipyard Trico had haar dochteronderneming Trico Piping ingeschakeld voor het maken/leveren van het leidingwerk. Trico Piping heeft dat vervolgens uitbesteed aan W&O. Het faillissement van Trico Piping brengt niet mee dat W&O alsnog met terugwerkende kracht Shipyard Trico in plaats van Trico Piping als haar opdrachtgever kan aanwijzen. Dat een bepaalde werknemer van Shipyard Trico destijds ook werkzaamheden ten behoeve van Trico Piping heeft verricht, maakt dit niet anders. Voor W&O was destijds duidelijk dat zij opdracht kreeg van Trico Piping en dat zij aan Trico Piping diende te factureren. Dat laatste heeft zij dan ook gedaan. De situatie dat Shipyard Trico bij W&O de schijn heeft opgeroepen dat niet Trico Piping, maar Shipyard Trico opdrachtgever was van W&O heeft zich niet voorgedaan.

4.6.

Hetgeen W&O stelt over de wijziging van de structuur van het Trico-concern is voor de vorderingen niet relevant. Dat die structuurwijziging tot doel had crediteuren van Trico Piping te benadelen, heeft W&O niet aannemelijk gemaakt. Dat ligt ook niet in de rede. De overeenkomsten tussen Shipyard Trico en Trico Piping hebben geen wijziging ondergaan doordat Shipyard Trico vanaf 29 december 2014 niet langer enig aandeelhouder en bestuurder van Trico Piping was. Het is uiteraard niet zo dat Shipyard Trico vanaf dat moment kon weigeren de uit die overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen jegens Trico Piping na te komen. De visie van W&O dat de eindopdrachtgevers betaling zouden verrichten aan Shipyard Trico en dat er geen rechtstreekse link meer was met Trico Piping zodat het niet anders kan dan dat Trico Piping niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, is een miskenning van de juridische verhoudingen. Shipyard Trico bleef steeds gehouden om haar verplichtingen jegens Trico Piping na te komen. Op een eventueel tekortschieten zou zij door - de curator in het faillissement van - Trico Piping kunnen worden aangesproken.

4.7.

W&O grondt haar vorderingen jegens Shipyard Trico c.s. mede op de stelling dat zij als (indirect) bestuurders van Trico Piping hoofdelijk aansprakelijkheid zijn voor hetgeen Trico Piping verschuldigd is aan W&O. Voor het juridisch kader waarbinnen deze grondslag van de vorderingen dient te worden beoordeeld, verwijst de rechtbank naar de overwegingen 4.2 en 4.3 uit het arrest HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22:

'4.2 (…) Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).

4.3

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger/C), geval (i)). In de kern houdt dit zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.'

4.8.

Voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een (indirect) bestuurder van een vennootschap tegenover een derde geldt in dit soort gevallen dus een hoge drempel. Shipyard Trico c.s. zouden jegens W&O aansprakelijk kunnen zijn indien zij inderdaad opdrachten aan W&O zouden hebben verstrekt of zouden hebben laten verstrekken op een moment dat zij wisten of behoorden te begrijpen dat de ter zake daarvan door W&O aan Trico Piping te verzenden facturen niet zouden kunnen worden voldaan.

4.9.

Shipyard Trico c.s. hebben gemotiveerd betwist dat zij ten tijde van het verstrekken van de opdrachten aan W&O wisten of behoorden te begrijpen dat Trico Piping de facturen ter zake van die opdrachten niet zou kunnen voldoen.

4.10.

In de gegeven omstandigheden lag het op de weg van W&O om feiten of omstandigheden te stellen die - mits in geval van voldoende betwisting bewezen - de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat Shipyard Trico c.s. ten tijde van het verstrekken van de opdrachten wisten of behoorden te begrijpen dat Trico Piping de facturen niet zou kunnen voldoen. Dergelijke feiten of omstandigheden heeft W&O niet gesteld. Hetgeen W&O wel heeft gesteld, betreft in feite slechts veronderstellingen. W&O heeft gesteld dat het ondenkbaar is dat de heren Van de Wijgaart en Durinck in 2014 niet reeds in de gaten hadden dat het met Trico Piping helemaal fout liep. Ondenkbaar acht de rechtbank dat echter niet. Ter zitting is van de zijde van Shipyard Trico c.s. medegedeeld dat voor hen op het moment dat de opdrachten aan W&O werden verstrekt niet kenbaar was dat er onoverkomelijke problemen waren. Uit hetgeen door W&O concreet is gesteld, kan het tegendeel niet worden afgeleid. De stelplicht en de bewijslast ter zake van de relevante feiten en omstandigheden rust op W&O. Nu W&O haar stellingen met betrekking tot hetgeen Shipyard Trico c.s. op welk moment wisten of behoorden te begrijpen onvoldoende heeft geconcretiseerd, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijsvoering komt de rechtbank dan niet toe.

4.11.

Ook voor zover W&O haar vorderingen heeft gegrond op ongerechtvaardigde verrijking, heeft zij deze onvoldoende onderbouwd. Dat Shipyard Trico ongerechtvaardigd is verrijkt, kan uit de stellingen van W&O niet worden afgeleid. Dat W&O voor bepaalde werkzaamheden niet is betaald, betekent niet zonder meer dat Shipyard Trico daarvan heeft geprofiteerd. Shipyard Trico had ter zake van die werkzaamheden immers een contractuele relatie met Trico Piping. Voor zover Trico Piping werkzaamheden ten behoeve van Shipyard Trico door W&O heeft doen verrichten, was Shipyard Trico jegens Trico Piping gehouden de overeengekomen tegenprestatie te voldoen, ongeacht de vraag of Trico Piping op haar beurt de facturen van W&O had voldaan.

4.12.

Voor de gevorderde openlegging van boeken, bescheiden en geschriften op grond van artikel 162 Rv is geen grond aanwezig. De rechter kan openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die een partij ingevolge de wet moet houden, maken of bewaren. De vordering ziet in het bijzonder op administratieve bescheiden van Trico Piping. Uit de vorderingen blijkt immers dat het gaat om openlegging van boeken, bescheiden en geschriften, waaruit de financiële status van Trico Piping ten tijde van de opdrachten aan W&O kan worden vastgesteld. Shipyard Trico c.s. zijn echter niet de partijen die ingevolge de wet die boeken, bescheiden en geschriften moeten maken, houden of bewaren. Zij kunnen dus ook niet worden bevolen om die stukken open te leggen. Voor zover de vordering mede ziet op boekhoudkundige bescheiden van Shipyard Trico c.s. acht de rechtbank geen voldoende zwaarwegende grond aanwezig om daarvan openlegging te bevelen. Als schuldeiser van Trico Piping kan W&O daar jegens Shipyard Trico c.s. geen aanspraak op maken louter op de grond dat zij een onderzoek wenst in te stellen naar de vraag of Shipyard Trico c.s. als toenmalig (indirect) bestuurders van Trico Piping ter zake van het verstrekken van opdrachten aan W&O wellicht onrechtmatig hebben gehandeld.

4.13.

Ter comparitie heeft de rechtbank W&O gevraagd waarom zij niet eenvoudigweg de curator heeft verzocht om informatie. Daarop heeft W&O geantwoord dat de curator niet in staat is om de informatie waarin W&O inzage wenst te verstrekken omdat de curator niet over alle relevante informatie kan beschikken. Nu W&O ervan uitgaat dat de curator niet over de relevante bescheiden beschikt en bovendien gesteld noch gebleken is dat de curator niet bereid is om op verzoek van W&O inzage te verstrekken in relevante bescheiden waarover de curator wel beschikt, bestaat er reeds om die redenen evenmin grond om de niet in het geding verschenen curator te bevelen boeken, bescheiden en geschriften open te leggen.

4.14.

W&O zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.15.

De kosten aan de zijde van Shipyard Trico c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.697,00

4.16.

De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagde worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verstaat dat voor zover de rechtsvorderingen zijn gericht tegen Trico Piping B.V. en voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, het geding na de faillietverklaring van Trico Piping B.V. is geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet, om alleen dan voortgezet te worden, indien de verificatie van de vordering wordt betwist,

5.2.

wijst de vorderingen voor het overige af,

5.3.

veroordeelt W&O in de proceskosten, aan de zijde van Shipyard Trico c.s. tot op heden begroot op € 3.697,00, en aan de zijde van de curator tot op heden begroot op nihil,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.
[1729;2221]