Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8028

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
C/10/505062 / HA ZA 16-644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot het stellen door eiser, die woonplaats heeft in Duitsland en de Duitse nationaliteit heeft, van proceskostenzekerheid. Art. 224 Rv. Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954. Voldaan aan art. 17 van dit verdrag, dus afwijzing van de incidentele vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/505062 / HA ZA 16-644

Vonnis in incident van 12 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M. Annink,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. M.C.V. Dornstedt.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 juni 2016,

  • -

    het herstelexploot van 24 juni 2016,

  • -

    de incidentele conclusie tot het stellen van ‘zekerheid voor proceskosten ex artikel 224 Burgerlijke Rechtsvordering’,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

[gedaagde] vordert dat [eiser] op grond van art. 224 Rv wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid aan [gedaagde] voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan [eiser] veroordeeld zou kunnen worden, begroot op € 75.000,00 exclusief btw dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een bankgarantie gesteld door een Nederlandse bank dan wel door middel van overmaking van het te bepalen bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde] . [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat [eiser] zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland is, zodat hij dient te worden beschouwd als vreemdeling in de zin van art. 224 lid 1 Rv. Voorts is de nationaliteit van [eiser] onbekend en uit de door [eiser] in het geding gebrachte stukken wordt niet duidelijk waar [eiser] thans woonachtig is of verblijft. Ten slotte is volgens [gedaagde] redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op [eiser] in Nederland niet mogelijk zal zijn, gezien de onbekendheid met zijn woon- of verblijfplaats/nationaliteit en zijn verleden om zich geregeld in andere landen te vestigen.

2.2.

De conclusie van [eiser] strekt tot afwijzing van de incidentele vordering. [eiser] verweert zich met het betoog dat hij woonachtig is in Duitsland en de Duitse nationaliteit heeft, zodat er op grond van art. 224 lid 2 Rv geen verplichting bestaat tot het stellen van zekerheid. Uit zowel art. 17 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, 40; hierna: Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954) als uit art. 56 van Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), Pb. 2012, L 351/1 (hierna: Herschikte EEX-Verordening), volgt dat op [eiser] als Duitse onderdaan woonachtig in Duitsland geen verplichting rust tot het stellen van zekerheid voor de kosten van een door hem te voeren procedure in Nederland. Bovendien regelt art. 39 van de Herschikte EEX-Verordening dat een eventuele veroordeling van [eiser] tot betaling van proceskosten en schadevergoeding ten uitvoer kan worden gelegd in Duitsland. Ook betoogt [eiser] dat in het geval hij woonachtig zou zijn in Italië of Estland het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en de Herschikte EEX-Verordening van toepassing zijn en geen verplichting bestaat tot het stellen van zekerheid, terwijl een eventuele veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding ten uitvoer kan worden gelegd.

2.3.

Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in art. 224 lid 1 Rv een partij een vordering tot het stellen van zekerheid voor de voldoening van de proceskosten kan indienen als zijn wederpartij geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Die verplichting bestaat volgens art. 224 lid 2 (onder meer) niet indien dit voortvloeit uit een verdrag of uit een EG-verordening en indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, een verdrag, een EG-verordening of een wet ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie de zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Evenals Nederland is Duitsland partij bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarvan art. 17 lid 1 kort gezegd inhoudt dat geen zekerheidstelling kan worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben.

2.4.

[eiser] heeft zijn stelling dat hij voldoet aan de in art. 17 lid 1 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 gestelde vereisten - doordat hij Duits onderdaan is en in Duitsland domicilie heeft - bij conclusie in het incident onderbouwd door overlegging van een kopie van zijn Duitse identiteitsbewijs, alsmede een kopie van de brief van het Einwohnermeldeamt Landeshauptstadt Düsseldorf van 22 augustus 2016. Uit die brief blijkt dat [eiser] met ingang van 15 oktober 2015 in het bevolkingsregister van de Landeshauptstadt Düsseldorf staat ingeschreven ten titel van woon- en verblijfplaats en dat hij de Duitse nationaliteit bezit. [eiser] heeft bij de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak al een kopie van zijn identiteitsbewijs in het geding gebracht (prod. 1). [gedaagde] is daaraan voorbijgegaan in haar incidentele conclusie. Ook is bij de inleidende dagvaarding een kopie van de brief van het Einwohneranmeldeamt Landeshauptstadt Düsseldorf van 2 december 2015 gevoegd (prod. 1) met - voor zover relevant - dezelfde inhoud als de brief van het Einwohneranmeldeamt Landeshauptstadt Düsseldorf die bij conclusie van antwoord in het incident is overgelegd. Zij het dat laatstgenoemd document van recentere datum is. [gedaagde] heeft haar stellingen dan ook onvoldoende onderbouwd en het beroep van [eiser] op het bepaalde in art. 17 lid 1 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 slaagt. Een nadere conclusiewisseling wordt daarom niet opportuun geacht. De vordering tot zekerheidstelling van [gedaagde] zal dus worden afgewezen.

2.5.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 894,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW als niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis is betaald tot de dag van volledige betaling,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 23 november 2016 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.1

1 2457 / 2870