Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8027

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
C/10/497982 / HA ZA 16-304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op artikel 3:45 BW (pauliana). Tegen een van beide gedaagden is verstek verleend. De door de wel verschenen gedaagden gevoerde verweren werken niet in het voordeel van de gedaagden die niet zijn verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing. Die situatie doet zich hier voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3052
RFR 2017/26

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/497982 / HA ZA 16-304

Vonnis van 5 oktober 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.B. van Beem,

tegen

1 [gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.S. Kuiper.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 maart 2016, met producties 1 tot en met 10,

  • -

    het herstelexploot van 21 maart 2016,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20,

  • -

    de brief van de rechtbank van 20 juli 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de ten behoeve van de comparitie overgelegd producties 11 tot en met 15 van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde1] en [gedaagde2] zijn gehuwd.

2.2.

[gedaagde1] is bestuurder van Safe Holding B.V., voorheen genaamd [bedrijf1] (hierna: [bedrijf1] ). [bedrijf1] hield de aandelen in het kapitaal van [bedrijf2] , [bedrijf3] , [bedrijf4] en [bedrijf5] (hierna: [adviesgroep] )

2.3.

Op 19 juni 2012 heeft [eiser] zijn verzekeringsportefeuille verkocht aan [bedrijf1] voor een bedrag van € 550.000,00. Van dat bedrag is op 1 augustus 2012 een bedrag van € 100.000,00 betaald. Voor een bedrag van € 390.186,00 zou [bedrijf1] een stamrechtverplichting aangaan op grond waarvan per 1 augustus 2015 maandelijkse lijfrente-uitkeringen aan [eiser] zouden worden gedaan en voor het restant van de koopsom ad € 59.814,00 heeft [eiser] aan [bedrijf1] een lening verstrekt.

2.4.

Op 5 juli 2012 is tussen [eiser] en [gedaagde1] een borgtochtovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagde1] zich jegens [eiser] borg heeft gesteld tot zekerheid voor de verplichtingen van [bedrijf1] uit de onder 2.3 genoemde overeenkomst tot een maximum van € 750.000,00.

2.5.

Op 16 juli 2013 is de auto van het merk Mercedes Benz, type GL 320 CDI met kenteken [kenteken] (hierna: de Mercedes) op naam van [gedaagde2] overgeschreven.

2.6.

[gedaagde1] en [gedaagde2] waren gehuwd in gemeenschap van inboedel. Op 23 mei 2014 hebben zij hun huwelijkse voorwaarden laten wijzigen in een koude uitsluiting.

2.7.

Op 26 juni 2014 hebben [gedaagde1] en [gedaagde2] de volgende panden, die aan hen gezamenlijk in eigendom toebehoorden, bij notariële akte aan [gedaagde2] toebedeeld:

  • -

    [adres1]

  • -

    [adres2]

  • -

    [adres3] .

Daarnaast heeft [gedaagde1] bij notariële akte van (eveneens) 26 juni 2014 het pand met grond [adres4] aan [gedaagde2] geleverd. Dit pand was eigendom van [gedaagde1] . De levering vloeide voort uit een koopovereenkomst tussen [gedaagde1] en [gedaagde2] op grond waarvan [gedaagde1] het betreffende pand aan [gedaagde2] had verkocht voor een bedrag van € 348.000,00. Blijkens de betreffende notariële akte is de koopprijs voldaan door verrekening.

2.8.

Een brief van Direktbank Hypotheken aan [gedaagde1] van 21 juli 2014 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Wij sommeren u uiterlijk per 1 augustus a.s. over te gaan tot betaling van onderstaande bedragen:

(…) termijnen 01-03-2014 t/m 01-08-2014

13.430,28

(…) idem

8.277,82

(…) termijnen 01-04-2014 t/m 01-08-2014

12.682,52

(…)

Wanneer per 1 augustus a.s. niet volledig aan de verplichtingen is voldoen zal overgegaan worden tot opeisend van de leningen en uiteindelijk uitwinning van de zekerheden (verkoop van de onderpanden).

2.9.

De onder 2.1 genoemde werkmaatschappijen van [bedrijf1] zijn op 5 augustus 2014 respectievelijk 23 september 2014 ( [bedrijf5] ) in staat van faillissement verklaard. [bedrijf1] is vervolgens op 14 april 2015 in staat van faillissement verklaard.

2.10.

Bij brief van 13 augustus 2015 heeft de advocaat van [eiser] de vernietigbaarheid van de rechtshandelingen met betrekking tot de Mercedes (zie 2.5) en de panden (zie 2.7) ingeroepen.

2.11.

[gedaagde1] is bij vonnis van 3 augustus 2016 van de rechtbank Rotterdam bij verstek tot veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 704.239,83, vermeerderd met rente en kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1) de rechtshandelingen met betrekking tot de Mercedes, de huwelijkse voorwaarden en de panden gerechtelijk te vernietigen,

2) te verklaren voor recht dat [gedaagde1] en [gedaagde2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

subsidiair

3) te verklaren voor recht dat [gedaagde1] en [gedaagde2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

4) [gedaagde1] en [gedaagde2] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat de rechtshandelingen ten aanzien van de Mercedes (zie 2.5), de huwelijkse voorwaarden (zie 2.6) en de panden (zie 2.7) onverplicht en om niet zijn verricht en hebben geleid tot benadeling van de schuldeisers van [gedaagde1] , waaronder [eiser] , terwijl [gedaagde1] dat wist althans behoorde te weten. Deze rechtshandelingen zijn daarom vernietigbaar. [gedaagde1] en [gedaagde2] zijn bovendien aansprakelijk voor de schade die [eiser] door het paulianeuze handelen van [gedaagde1] en [gedaagde2] heeft geleden.

3.3.

[gedaagde2] concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tegen [gedaagde1] is verstek verleend. Nu door [gedaagde2] is voortgeprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Ten opzichte van de niet verschenen partij geldt dat de vordering in beginsel wordt toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). Naar vaste jurisprudentie werken de door de wel verschenen gedaagden gevoerde verweren niet in het voordeel van de gedaagden die niet zijn verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing. (HR 28 mei 1999, NJ 2000, 290). Die situatie doet zich hier voor. [eiser] vordert vernietiging van rechtshandelingen waarbij zowel [gedaagde1] als [gedaagde2] bij betrokken waren. Toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde1] en afwijzing van de vorderingen jegens [gedaagde2] , zou leiden tot een tegenstrijdig vonnis.

4.2.

Artikel 3:45 BW bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, indien deze rechtshandeling onverplicht is verricht en de schuldenaar bij het verrichten ervan wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.

Mercedes

4.3.

Ten aanzien van de Mercedes is tussen partijen in geschil of deze auto door de overschrijving op naam van [gedaagde2] uit het vermogen van [gedaagde1] is gevloeid. [eiser] stelt de Mercedes aan [gedaagde1] toebehoorde. Hij heeft ter zitting toegelicht dat de verzekeringspolis ook op naam van [gedaagde1] stond en dat het in de verzekeringswereld gebruikelijk is dat de verzekeringspolis op naam van de kentekenhouder wordt gezet.

4.4.

[gedaagde2] betwist dat de Mercedes voor de overschrijving op haar naam aan [gedaagde1] toebehoorde. De aankoop van deze auto was gefinancierd door een financieringsmaatschappij. Zij weet niet meer op wiens naam de overeenkomst met de financieringsmaatschappij was gesloten. Zij heeft ter comparitie aangevoerd dat het niet op haar weg lag om uit te zoeken op wiens naam de financieringsovereenkomst stond. De bewijslast ter zake rust immers op [eiser] .

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde2] ter betwisting van de stelling dat de Mercedes uit het vermogen van [gedaagde1] is gevloeid, niet volstaan met het verweer dat op [eiser] de bewijslast rust. Gelet op de stellingen van [eiser] in de dagvaarding en het verweer van [gedaagde2] in de conclusie van antwoord, lag het voor de hand dat ter comparitie zou worden besproken op wiens naam de Mercedes voor de overschrijving op naam van [gedaagde2] stond. Naar het oordeel van de rechtbank lag het voor de hand dat [gedaagde2] op dat punt informatie zou verschaffen. Het gaat immers om een financieringsovereenkomst waarbij [eiser] geen partij was en [gedaagde1] en/of [gedaagde2] en/of een aan hen gelieerde onderneming wel. Er moet dus vanuit worden gegaan dat [gedaagde2] (op relatief eenvoudige wijze) over de benodigde informatie kon beschikken en [eiser] niet. [gedaagde2] heeft die informatie ter comparitie echter niet verschaft. Nu [gedaagde2] kennelijk geen openheid van zaken heeft willen geven en nu [eiser] gemotiveerd heeft gesteld dat de Mercedes op naam van [gedaagde1] stond (zie 4.3), kan de rechtbank niet anders dan er in rechte als onvoldoende gemotiveerd weersproken van uitgaan dat de Mercedes, althans de financieringsovereenkomst voor de overschrijving van het kenteken op naam van [gedaagde1] stond.

4.6.

Gesteld noch gebleken is dat de overschrijving van het kenteken van de Mercedes is verricht op grond van een op de wet of overeenkomst berustende verplichting. Voorts is niet betwist dat de overschrijving van bovenvermeld kenteken op naam van [gedaagde2] om niet is geschied.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] voorts door de overschrijving van de Mercedes op naam van [gedaagde2] in zijn verhaalsmogelijkheden benadeeld. Door die overschrijving kan hij zich voor de schuld van [gedaagde1] (zie 2.11) niet meer op de Mercedes kan verhalen en gesteld noch gebleken is dat voor die Mercedes enig verhaalsobject terug is gekomen in het vermogen van [gedaagde1] .

Niet betwist is de stelling van [eiser] dat er vanaf 2005 aan zijde van [gedaagde1] en zijn ondernemingen sprake was van financiële problemen, die begin 2013 zodanig waren, dat de continuïteit van [adviesgroep] daardoor ernstig werd bedreigd. Daar komt bij dat [gedaagde1] ter zitting namens [gedaagde2] heeft verklaard dat zij in 2013 liquiditeitsproblemen hadden. De rechtbank gaat er daarom als niet (voldoende gemotiveerd) weersproken vanuit dat [gedaagde1] wist althans behoorde te weten dat hij door de overschrijving van de Mercedes zijn schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zou benadeling. Nu er vanuit moet worden gegaan dat de betreffende rechtshandeling om niet is geschied, is ingevolge artikel 3:45 lid 2 BW niet van belang of [gedaagde2] – kort gezegd – wetenschap van benadeling had.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot de Mercedes aan de vereisten van artikel 3:45 BW is voldaan. Dat betekent dat de vordering tot vernietiging van de betreffende rechtshandeling toewijsbaar is.

Huwelijkse voorwaarden

4.9.

Vaststaat dat [gedaagde1] en [gedaagde2] op 23 mei 2014 hun huwelijkse voorwaarden hebben laten wijzigen van een gemeenschap van inboedel naar koude uitsluiting. [eiser] stelt dat hij door deze rechtshandeling, die onverplicht is verricht, als schuldeiser van [gedaagde1] is benadeeld. Tot de inboedel van [gedaagde1] en [gedaagde2] behoren namelijk een aantal waardvolle zaken, waarop hij als schuldeiser van [gedaagde1] verhaal had kunnen nemen.

4.10.

[gedaagde2] voert aan dat zij en [gedaagde1] al in 2013 een afspraak hadden gemaakt bij de notaris om hun huwelijkse voorwaarden te laten wijzigen. Zij en [gedaagde1] verkeerden in financiële problemen en haar familie was bereid financieel bij te springen. De voorwaarde van haar familie was dat alles op haar naam zou komen te staan. Als het eventueel fout zou gaan tussen haar en [gedaagde1] , zou de inboedel voor haar zijn. Uiteindelijk heeft [gedaagde2] in 2014 financiële bijstand van haar familie gekregen, omdat zij en [gedaagde1] de maandelijkse hypotheeklasten niet meer konden betalen.

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden is verricht op grond van een op de wet of overeenkomst berustende verplichting. [gedaagde2] beroept zich weliswaar op een afspraak met haar familie, maar gesteld noch gebleken is dat daaruit voor [gedaagde1] een verplichting voortvloeide tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Voor zover een dergelijke verplichting wel uit de afspraak met de familie van [gedaagde2] voor [gedaagde1] zou voortvloeien, dan is niet gebleken dat het voor [gedaagde1] (of [gedaagde2] ) verplicht was om die afspraak aan te gaan. De enkele omstandigheid dat de financiële situatie van [gedaagde1] en [gedaagde2] daartoe noodzaakte, is onvoldoende. Het gaat immers om een op de wet of overeenkomst berustende verplichting.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het vereiste van een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 3:45 BW

4.12.

[gedaagde2] heeft voorts niet betwist dat de inboedel enkel kostbare zaken bevat en dat door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden de schuldeisers van [gedaagde1] zich niet meer op die inboedel kunnen verhalen. Gesteld noch gebleken is dat voor het aandeel in de inboedel van [gedaagde1] enig verhaalsobject is teruggekomen in het vermogen van [gedaagde1] . Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de schuldeisers van [gedaagde1] door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zijn benadeeld.

4.13.

Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste dat [gedaagde1] wist of behoorde te weten dat hij door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in een koude uitsluiting zijn schuldeisers zou benadelen. [gedaagde1] heeft namelijk namens [gedaagde2] ter comparitie verklaard dat zij in dermate financiële problemen verkeerden dat zij hun maandelijkse hypotheekverplichtingen niet meer konden voldoen en dat de bank dreigde met openbare verkoop van hun panden.

De omstandigheid dat [gedaagde2] en [gedaagde1] niet de bedoeling hadden de schuldeisers van [gedaagde1] te benadelen, omdat zij al in 2013 al van plan waren om hun huwelijkse voorwaarden te wijzigen, doet aan het bovenstaande niets af. Niet vereist is dat [gedaagde1] de bedoeling had zijn schuldeisers te benadelen. Enkel is vereist dat hij wist of behoorde te weten dat hij zijn schuldeisers zou benadelen. Dat is, zoals hier voor reeds is overwogen, het geval.

Ook ten aanzien van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden geldt dat ingevolge artikel 3:45 lid 2 BW slechts van belang of [gedaagde1] wetenschap van benadeling had. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde1] voor de wijziging van de huwelijkse voorwaarden en daarmee de toebedeling van de inboedel aan [gedaagde2] , enige tegenprestatie heeft ontvangen.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook ten aanzien van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden aan de vereisten van artikel 3:45 BW is voldaan. De gevorderde vernietiging van de betreffende rechtshandeling ligt daarom voor toewijzing gereed.

Panden

4.15.

Vaststaat dat op 26 juni 2014 drie panden, die gezamenlijk aan [gedaagde1] en [gedaagde2] in eigendom toebehoorden, en één pand dat geheel van [gedaagde1] toebehoorde, zijn toebedeeld aan [gedaagde2] . [eiser] stelt dat de schuldeisers van [gedaagde1] hierdoor zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. De eventuele overwaarde (in de toekomst) uit die panden en (de helft van) de huurinkomsten uit die panden zijn onttrokken aan de schuldeisers van [gedaagde1] .

4.16.

[gedaagde2] voert aan dat die panden op het moment de toebedeling aan haar, onder water stonden. De schuld op die panden was veel hoger dan de verwachte opbrengst ervan. De bank dreigde al met een executieveiling. Om dat te voorkomen zijn de panden toebedeeld aan [gedaagde2] . Als de panden waren geëxecuteerd, was de schuld nog veel groter geweest. Omdat de familie van [gedaagde2] is bijgesprongen, kon de executie van de panden worden voorkomen.

4.17.

Tussen partijen is aldus in geschil of de toebedeling van de panden aan [gedaagde2] heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers van [gedaagde1] .

4.18.

De rechtbank stelt voorop dat van benadeling van schuldeisers sprake is als zij werkelijk in hun verhaalsmogelijkheden blijken te zijn beperkt. Daarbij moet de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling worden vergeleken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft.

4.19.

Uit de onweersproken inhoud van de door [gedaagde2] overgelegde stukken kan worden geconcludeerd dat, zoals [gedaagde2] stelt en [eiser] op zich niet betwist, de onder 2.7 bedoelde panden medio 2014 ‘onder water’ stonden: de marktwaarde (vrij van verhuur) van de panden bedroeg per 20 maart 2014 in totaal € 1.400.000.00, terwijl de schulden per ultimo december 2014 € 1.950.000,00 bedroegen. [gedaagde2] heeft voorts diverse brieven van Direktbank overgelegd waarin is vermeld dat [gedaagde1] een betalingsachterstand had en waarin de bank meldt dat zij tot opeising van de lening en uitwinning van de zekerheden zal overgaan, indien per 1 augustus 2014 niet volledig aan de openstaande verplichtingen is voldaan (zie 2.8). [gedaagde2] heeft daarnaast ter comparitie naar voren gebracht dat in de periode van de overdracht van de panden executie daarvan door Direktbank al langer dreigde.

Tegen die achtergrond en gelet op de onweersproken verklaring van [gedaagde2] dat haar familie alleen financiële hulp wilde bieden, indien de panden op haar naam zouden komen te staan, acht de rechtbank het aannemelijk dat, indien [gedaagde1] en [gedaagde2] niet waren overgegaan tot toebedeling van de panden aan [gedaagde2] , Direktbank zou zijn overgegaan tot verkoop van die panden. Aannemelijk is dat dan voor [gedaagde1] een forse restschuld had geresteerd. De schuldeisers van [gedaagde1] hadden zich in dat geval dus niet op de panden kunnen verhalen.

Aldus leidt een vergelijking van de hypothetische situatie waarin de schuldeisers hadden verkeerd zonder de gewraakte rechtshandelingen met de situatie waarin zij verkeren als de rechtshandelingen onaangetast blijven, ertoe dat [eiser] als schuldeiser door de overdracht van de panden aan [gedaagde2] niet is benadeeld in zijn verhaalspositie. De omstandigheid dat er inmiddels is afgelost op de panden, dat de panden meer waard zijn geworden en dat een hypothecaire inschrijving op de panden is komen te vervallen, zijn in dat licht niet relevant.

4.20.

Nu van benadeling van schuldeisers met betrekking tot de panden geen sprake is, zijn de betreffende rechtshandelingen reeds om die reden niet vernietigbaar op grond van artikel 3:45 BW. De vraag of aan de overige vereisten van artikel 3:45 BW is voldaan, behoeft daarom geen bespreking meer.

De gevorderde vernietiging met betrekking tot de panden zal dus worden afgewezen.

schade

4.21.

De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde1] en [gedaagde2] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] door bovenvermelde (paulianeuze) rechtshandelingen heeft geleden, acht de rechtbank evenmin toewijsbaar. [eiser] heeft geen grondslag voor deze vordering gesteld. Evenmin kan een grondslag uit de stellingen van [eiser] worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat de rechtshandelingen met betrekking tot de Mercedes en de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd op grond van artikel 3:45 BW, brengt niet zonder meer met zich [gedaagde1] en [gedaagde2] aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden schade.

4.22.

[gedaagde1] en [gedaagde2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,95

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.289,95

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt de rechtshandeling waarbij de auto met het kenteken [kenteken] op naam van [gedaagde2] is overgeschreven,

5.2.

vernietigt de rechtshandeling waarbij de huwelijkse voorwaarden van [gedaagde1] en [gedaagde2] op 23 mei 2014 zijn gewijzigd,

5.3.

veroordeelt [gedaagde1] en [gedaagde2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.289,95,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.

2083/1729