Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:8005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
20-10-2016
Zaaknummer
511827 / HA RK 16-875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Wraking op grond van afwijzende beslissingen van de rechters - en de motivering van die beslissingen - op verzoeken van de verdediging tot het andermaal horen van een getuige en tot toevoeging van een ander onderzoeksdossier aan het dossier van de strafzaak tegen verzoeker, alsmede de beslissing tot het verlenen van inzagerecht in een ander onderzoeksdossier. Geen onbegrijpelijke, althans geen zodanig onbegrijpelijke beslissingen dat daaraan een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd vermoeden van partijdigheid van de rechters kan worden ontleend (beslissing op tweede wrakingsverzoek in de mega Focus; zie ook ECLI:NL:RBROT:2016:8260, -8154 en -8261).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 511827 / HA RK 16-875

Beslissing van 20 oktober 2016

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in P.I. [naam P.I.] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.B. Boone te Wijk bij Duurstede,

strekkende tot wraking van:

mr. J. van der Groen, mr. N. Doorduijn en mr. S. Jordaan, rechters in de rechtbank Rotterdam, teams straf (hierna: de rechters).

1 Het procesverloop en de processtukken

Bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, zijn in behandeling de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaken (mega Focus), welke zaken als parketnummers dragen: 10/750107-14 en 10/750078-15.

Ter terechtzitting van 6 oktober 2016 hebben de rechters in de hiervoor omschreven zaak een aantal beslissingen uitgesproken, inhoudende:

[naam getuige 1]

De verdediging heeft verzocht de getuige [naam getuige 1] opnieuw te doen horen om een onderzoek naar diens betrouwbaarheid in te kunnen stellen. Als basis voor dit verzoek dient de verklaring die de getuige [naam getuige 2] ter terechtzitting heeft afgelegd.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De vraag is of de verklaring van [naam getuige 2] thans aanleiding dient te zijn om [naam getuige 1] nogmaals te horen. Naast diverse uitlatingen over gedragingen in het verdere verleden van de getuige [naam getuige 1] (met name in de jaren ‘90 en 2006), heeft de getuige [naam getuige 2] verondersteld dat [naam getuige 1] in 2014 betrokken zou zijn geweest bij een melding in een andere zaak, te weten het TGO Dokkum. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om [naam getuige 1] opnieuw te horen in verband met het door de verdediging gestelde onderzoek. De rechtbank overweegt daarbij dat het moeilijk is vast te stellen in hoeverre de getuige [naam getuige 2] uit eigen wetenschap over deze zaak verklaart, nu hij - naar eigen zeggen - (vrijwel) alle dagen van het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak heeft bijgewoond als bezoeker van de publieke tribune. Het door de verdediging thans gewenste verhoor zal niet worden gelast, waarbij, gelet op het vorenstaande, in het midden kan blijven op basis van welk criterium het onderzoek wordt afgewezen.

Dossier Stekelbaars

De officier van justitie is bereid inzage te verlenen in relevante delen van het dossier. Dat is in lijn met bestendige jurisprudentie op dit punt. De verdediging dient daartoe gemotiveerd aan te geven welke delen van het dossier Stekelbaars zij wenst toegevoegd te zien. De verdediging kan geen rechten doen gelden op kennisneming van voor haar niet relevante delen van dossiers waarin derden verdachten zijn.

TGO Dokkum

Het verzoek tot toevoeging van het dossier TGO Dokkum wordt, bij gebrek aan enige connectie met het onderzoek Focus en daarmede geen verdedigingsbelang [relevantie], afgewezen.

Bij brief van 6 oktober 2016 heeft de raadsman van verzoeker wraking van de rechters verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de vordering nadere omschrijving tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ten name van verzoeker als verdachte, met aangehecht een vordering wijziging tenlastelegging;

  • -

    een schriftelijk stuk, zijnde de tekst van de ter terechtzitting van 21 september 2016 door de rechters uitgesproken beslissingen;

  • -

    een schriftelijk stuk, zijnde de tekst van de ter terechtzitting van 6 oktober 2016 door de rechters uitgesproken beslissingen;

  • -

    een schriftelijk stuk met als titel ‘agenda Focus’, inhoudende de planning indeling van de zittingsdagen van de meervoudige strafkamer in die strafzaak;

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer in deze rechtbank van 22 september 2016 ten aanzien van een eerder verzoek van verzoeker tot wraking van de rechters.

Verzoeker, zijn raadsman, de rechters, alsmede de officieren van justitie mr. M. Boheur en mr. J. Spaans zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Ter zitting van 13 oktober 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen: de raadsman van verzoeker, de rechters en de genoemde officieren van justitie.

Zij hebben allen - de raadsman en officier van justitie mr. Boheur mede aan de hand van een pleitnotitie - hun standpunten nader toegelicht.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van:

  • -

    het e-mailbericht van de raadsman van verzoeker van 10 oktober 2016, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker niet ter zitting van de wrakingskamer wenst te verschijnen;

  • -

    het e-mailbericht van de rechters van 11 oktober 2016, waarin wordt meegedeeld dat de rechters niet in de wraking berusten en dat zij ter zitting zullen verschijnen om hun standpunt zo nodig nader toe te lichten.

Het onderhavige wrakingsverzoek is door de wrakingskamer gelijktijdig behandeld met het wrakingsverzoek van:

[naam mede-verzoeker] , bijgestaan door zijn raadsman mr, R. Zilver, advocaat te Utrecht (parketnummer 10/750108-14), dat eveneens in de Mega Focus is ingediend.

2 Het verzoek en de reactie daarop

2.1.

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1.

De weigering van de rechters om [naam getuige 1] opnieuw als getuige ter zitting te horen geeft blijk van het vermoeden van vooringenomenheid. De weigering kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat door de rechters de onder ede afgelegde verklaringen van [naam getuige 3] en [naam getuige 4] als juist zullen worden geoordeeld, zonder dat de verdediging door het horen van [naam getuige 1] het tegendeel heeft kunnen beoordelen of aannemelijk maken. Dit geldt te meer nu de verdediging van oordeel is dat [naam getuige 1] een niet in het dossier gemelde informant dan wel een criminele burgerinfiltrant is en [naam getuige 3] en [naam getuige 4] dat wisten, dan wel behoorden te weten of vermoeden bij het verhoor van [naam getuige 1] op 22 januari 2016; het enige verhoor waarvan [naam getuige 1] zegt aan mee te hebben gewerkt. De bewering van [naam getuige 1] dat hij niet op 13 en 23 november 2015 is gehoord, wint aan geloofwaardigheid door de wijze waarop die verhoren zouden hebben plaatsgevonden: geen audio, geen vraag en antwoord verbaal van verhoor en de ongeloofwaardige stelling dat [naam getuige 1] zou hebben bepaald dat het verhoor niet zou worden opgenomen. Het afwijzen van het opnieuw horen van [naam getuige 1] schaadt de verdediging, nu immers uit het verhoor van [naam getuige 1] op 22 januari 2016 blijkt dat aan [naam getuige 1] wordt medegedeeld: “U wordt gehoord in verband met de inhoud van een krantenartikel uit de Telegraaf van woensdag 6 januari 2016, waarin onder meer wordt aangehaald een door Dennis [naam getuige 2] afgelegde verklaring omtrent de ‘vergisliquidatie’ op 1 januari 2014 te Berkel en Rodenrijs. Dennis [naam getuige 2] verklaart daarin over het conflict tussen hem en [naam 1] .”

De verdediging meent dat uit het verhoor van [naam getuige 1] van 22 januari 2016 en de getuigenverklaring die [naam getuige 2] ter zitting van 4 oktober 2016 heeft afgelegd, de noodzaak tot het opnieuw horen van [naam getuige 1] als getuige vaststaat. Het weigeren van het opnieuw horen van [naam getuige 1] strekt slechts tot het voordeel van het Openbaar Ministerie, nu het OM moet vrezen dat [naam getuige 1] zal worden ontmaskerd als informant dan wel als criminele burgerinfiltrant. Bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is ook de vraag naar de rechtmatigheid van de aanvang van het onderzoek aan de orde. Beide elementen die de verdediging op grond van geldende jurisprudentie mag en moet kunnen onderzoeken. De verdediging te beletten deze vragen te onderzoeken draagt al evenzeer bij aan het vermoeden van vooringenomenheid van de rechters.

2.1.2.

Het weigeren [naam getuige 1] opnieuw te horen door te motiveren middels de overweging “dat het moeilijk is vast te stellen in hoeverre de getuige [naam getuige 2] uit eigen wetenschap

over deze zaak verklaart, nu hij - naar eigen zeggen - (vrijwel) alle dagen van het onderzoek ter terechtzitting in deze zaak heeft bijgewoond als bezoeker van de publieke

tribune”, gaat geheel voorbij aan de inhoud van het arrest van de Hoge Raad van 4

juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD9474, NJ 2002, 603), waar de Hoge Raad expliciet heeft gesteld dat dit niet betekent dat [naam getuige 2] in casu niet als getuige gehoord kon worden. De motivering van de rechters is derhalve in strijd met geldend recht.

2.1.3.

De verdediging wijst op de weigering het onderzoek Mariani te voegen zonder behoorlijke onderbouwing. Het staat in het geheel niet vast dat het VN-verdrag tegen sluikhandel in verdovende middelen geen ruimte biedt dit onderzoek aan het dossier toe te voegen. De rechters hebben dit verzoek op onjuiste gronden ten gunste van het Openbaar Ministerie weggemotiveerd. Maar zelfs al zou de beslissing deugen, dan gaven de rechters opnieuw blijk van vooringenomenheid ten gunste van het Openbaar Ministerie, door de verzochte getuigen ter compensatie van het ontbreken van het Mariani onderzoek vrijwel ongemotiveerd af te wijzen, terwijl het de rechters bij het nemen van deze afwijzende beslissingen duidelijk moet zijn geweest dat het de verdediging onmogelijk wordt gemaakt te onderzoeken of en zo ja, hoeveel cocaïne in Belem werd verzonden. De verdediging meent dat ook dit ten voordele van het Openbaar Ministerie strekt, van welk voordeel de rechters zich bewust moeten zijn, althans behoren te zijn.

2.1.4.

De verdediging wijst op het bij herhaling afwijzen van gemotiveerde verzoeken van de verdediging om alle onderzoeken als één onderzoek door één kamer van de rechtbank te doen behandelen. Zelfs al zou die beslissing te rechtvaardigen zijn, dan is de weigering het dossier Doussie aan het dossier van verzoeker toe te voegen, toegeven aan de wens van het Openbaar Ministerie de zaken gescheiden aan verschillende kamers te presenteren. De aan de verdediging door het Openbaar Ministerie verleende ‘gunst’ en de door de rechters overgenomen beslissing Doussie op het politiebureau in te zien is naar het oordeel van de

verdediging een gotspe, nu een advocaat zijn zaken niet op het politiebureau voorbereidt, maar op zijn kantoor. Niet valt vast te stellen bij dat inzien op het politiebureau of dat dossier compleet is, geen vergelijking met het wel ter beschikking gestelde dossier op het

politiebureau is mogelijk en ‘last but not least’, geen inzicht wordt verkregen in de positie van verzoeker in het geheel van verdachten die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan medeplegen van invoer van cocaïne in de haven van Rotterdam.

2.1.5.

De verdediging meent dat ook het voortduren van de voorlopige hechtenis van verzoeker bijdraagt aan de stapeling van het vermoeden van vooringenomenheid van de rechters,

nu immers vrijwel alle verdachten in vrijheid zijn en een aanbod van borgstelling door de rechters in één zaak werd gehonoreerd. Dat verzoeker de borgsom niet kon betalen doet daar niet aan af. Ook hier blijkt dat de rechters ten aanzien van verzoeker vooringenomen zijn, nu immers de verdachten in de ‘3000 kilo’ zaak zijn geschorst, zodat daaruit naar het oordeel van de verdediging blijkt dat de rechters vooringenomen zijn omdat: was de zaak van verzoeker bij een andere kamer van de rechtbank aangebracht, hij al lang in vrijheid zou zijn. De verdediging vreest dat de rechters zich in de zaak Focus laten leiden door niet onderbouwde suggesties van het Openbaar Ministerie en in het dossier aanwezige vermoedens van levensdelicten. De verdediging wijst alleen al op de in het dossier gevoegde, overigens door [naam getuige 1] ontkende, verklaring in de zaak Aalbes, waarin geen begin van bewijs tegen verzoeker voorhanden is maar kennelijk een hypotheek op de zaak legt, zoals ook de inmiddels ontkrachte suggestie als zou verzoeker iets te maken hebben met de vergismoord op [naam 1] .

2.1.6.

De weigering van het voegen van het dossier Stekelbaars is volgens de verdediging onbegrijpelijk. Immers, hoe zou het mogelijk zijn dat de verdediging ‘relevante delen’ van het dossier Stekelbaars zou kunnen inzien zonder het dossier te kennen. Daarbij komt dat de verdediging ter zitting expliciet heeft aangegeven welke delen in ieder geval aan het dossier Focus dienen te worden toegevoegd, nu immers sprake is van de weergave van een gesprek waaraan de verdachte [naam 2] en mogelijk vier of vijf andere douaniers deelnemen, waaruit blijkt dat [naam 2] doende is zijn diensten aan te willen bieden aan criminelen.

De verdediging acht het onbegrijpelijk dat de rechters deze enkele mededeling niet voldoende verontrustend vinden om te menen dat het dossier Stekelbaars niet alleen ter kennis van de verdediging, maar ook van rechters dient te komen.

2.1.7.

Dezelfde verontrusting van de verdediging volgt evenzeer uit de beslissing om TGO
Dokkum niet toe te voegen, “bij gebrek aan enige connectie met het onderzoek Focus en daarmede geen verdedigingsbelang”. De verdediging is van oordeel dat de rechters en de officieren van Justitie méér weten van deze zaak dan de verdediging, nu zij kennelijk TGO

Dokkum kennen. Immers, indien de rechters het dossier TGO Dokkum niet zouden kennen, is de mededeling dat er geen enkele connectie bestaat met het onderzoek Focus onbegrijpelijk. Derhalve concludeert de verdediging dat die mededeling geen ander doel dient dan koste wat het kost TGO Dokkum aan de verdediging te onthouden. Mochten de rechters wel over het dossier TGO Dokkum beschikken, dan is de verdediging van oordeel dat hier sprake is van een situatie die in strijd is met het systeem van het recht. De rechter, de officier van Justitie en de verdediging dienen allen over dezelfde informatie te beschikken. Dit zijn tevens de grondbeginselen van ‘fair hearing’, ‘equality of arms’ en ‘fair trial’.

2.1.8.

Gelet op de beslissing van de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:6949), van welke beslissing de rechters kennis droegen toen zij hun beslissingen op 22 september 2016 en 6 oktober 2016 namen, hadden de rechters de verzoeken tot toevoeging van de dossiers Doussie, Stekelbaars en TGO Dokkum niet mogen afwijzen. De rechters zijn voorbij gegaan aan deze beslissing van de rechter-commissaris en de status van de AMVB, die als richtinggevend gezien kan worden voor de bedoelingen van de wetgever.

2.1.9.

De verdediging acht het onbegrijpelijk dat de rechters het verzoek tot het aanhouden van de verdere behandeling van de strafzaak Focus, in ieder geval tot de uitkomst van het onderzoek naar de verdenking van meineed van [naam getuige 1] bekend is, heeft afgewezen. Deze uitkomst is van essentieel belang voor de voortgang in Focus, nu immers uit dit onderzoek zal blijken wie nu de waarheid spreekt, [naam getuige 1] of de verbalisanten [naam getuige 3] en [naam getuige 4] . De rechters nemen met hun afwijzing voetstoots aan dat een veroordeling tot meineed van [naam getuige 1] uit het onderzoek zal volgen, waarmee de rechters zich tevens impliciet uitspreken over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam getuige 3] en [naam getuige 4] .

2.1.10.

De beslissingen van 6 oktober 2016, strekkende tot afwijzing van de gedane verzoeken ter

zitting van 4 oktober 2016, geven, in samenhang met bovengenoemde stapeling, een geobjectiveerd vermoeden van vooringenomenheid van de rechters.

2.2.

De rechters hebben niet in de wraking berust.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

2.2.1.

De rechters hebben op 6 oktober 2016 een aantal instructiebeslissingen uitgesproken ten aanzien van verzoeken van de verdediging. Die beslissingen waren afwijzend en die beslissingen waren op een begrijpelijke wijze gemotiveerd. Er is geen sprake van dat die beslissingen zodanig onbegrijpelijk zijn dat daaraan een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechters ontleend kan worden.

2.2.2.

Het verzoek om [naam getuige 1] opnieuw als getuige te horen is door de rechters afgewezen. [naam getuige 1] is op zitting als getuige gehoord. Daarbij beriep hij zich op zijn verschoningsrecht. Hij was reeds eerder gehoord bij de rechter-commissaris. Daar verklaarde hij iets waarvan de officier van justitie zei: dat is niet juist en daarop baseer ik een verdenking van meineed.

2.2.3.

Door verzoeker is verzocht de verbalisanten [naam getuige 3] en [naam getuige 4] te horen. Zij zijn gehoord op de zitting. Vervolgens kwam het verzoek tot het andermaal horen van [naam getuige 1] . Dat stond de rechtbank toe, maar zij gaf aan wat het kader was, namelijk de contacten tussen [naam getuige 3] en [naam getuige 4] enerzijds en [naam getuige 1] anderzijds. Mr. Zilver - de advocaat van een medeverdachte van verzoeker - wilde dat getuigenverhoor veel breder maken en [naam getuige 1] over al zijn contacten met de politie horen. Dat was niet de bedoeling en daar was niet om gevraagd. De rechters beperkten het verhoor tot de politiecontacten, want in dat opzicht was sprake van een novum en bestond een verdedigingsbelang. Er was eerder voldoende gelegenheid geweest [naam getuige 1] te horen bij de rechter-commissaris over andere onderwerpen en daarover kon hij ter zitting alleen nog worden gehoord als dat noodzakelijk was. Dat is ook zo aangegeven. Op basis daarvan ging mr. Zilver vragen stellen en beriep [naam getuige 1] zich telkens op zijn verschoningsrecht. Dat heeft de rechtbank driemaal gehonoreerd en daarna wilde [naam getuige 1] zich beraden.

2.2.4.

Daarna kwam de verklaring van [naam getuige 2] aan de orde. Hij zei ook iets over TGO Dokkum. Hij weet van TGO Dokkum; dat wist hij van [naam getuige 1] . Hij had niet eerder van TGO Dokkum vernomen. Dat is waar [naam getuige 1] ooit over is ondervraagd.

Ten onrechte klaagt verzoeker erover dat de rechters in strijd met geldende jurisprudentie bezwaar zouden hebben gemaakt tegen het verhoor van [naam getuige 2] . De rechters hebben [naam getuige 2] gehoord en hij heeft volmondig bevestigd dat hij de hele dag op de zitting aanwezig was. De vraag is dan of dat wat hij heeft gezegd, in een onderzoek naar de betrouwbaarheid van [naam getuige 1] - waar verzoeker om vroeg - kan worden gebruikt. Moeilijk zal zijn vast te stellen of hetgeen hij vertelt, uit eigen wetenschap wordt verklaard. Dat oordeel is mede gebaseerd op eerdere verklaringen uit het verleden, waarover verzoeker in zijn wrakingsverzoek niets zegt. De advocaat heeft ter zitting en in aanwezigheid van [naam getuige 2] meermaals gesproken over [naam getuige 1] en over de contacten die hij heeft gehad met de politie.

2.2.5.

De rechters achten het niet onbelangrijk om te kijken naar wat er aan onderzoekswensen van de verdediging wel is toegekend, met verwijzing naar de eerdere beslissing van 23 september 2016 (de wrakingskamer begrijpt: 21 september 2016). Er is in de zaak tegen verzoeker ruimhartig verwezen naar de rechter-commissaris; er zijn diverse regiebijeenkomsten geweest; de verdediging heeft alles kunnen verzoeken wat men wilde; er was een hele batterij aan onderzoekswensen voorafgaande aan de zitting, van diverse advocaten, ook die van verzoeker en daarop is gemotiveerd beslist. Het is niet zo dat alle onderzoekswensen van tafel zijn geveegd. Er is hier en daar afgewezen en dat is gemotiveerd gebeurd. Daar kun je het niet mee eens zijn, maar de wrakingskamer is niet de instantie om daarover te klagen. Dat moet te zijner tijd bij een andere instantie worden aangevoerd.

2.2.6.

Bij de laatste zittingen is niet gesproken over de voorlopige hechtenis. Er is eerder gemotiveerd beslist op een verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker.

2.2.7.

De rechters hebben beslist ten aanzien van het verzoek om het dossier Stekelbaars toe te voegen aan de processtukken, evenals een jaar geleden ten aanzien van het dossier Doussie. Dat heeft niets te maken met het dossier Focus. De rechters hebben inzagerecht toegekend en zij hebben beslist dat gemotiveerd kon worden verzocht om toevoeging van stukken. In een zaak van een medeverdachte is dat gebeurd en dat is toegewezen. Diezelfde lijn is gehanteerd ten aanzien van het dossier Stekelbaars. Dat is de vaste lijn en dat is conform Europese jurisprudentie.

TGO Dokkum betreft geheel andere feiten dan aan verzoeker ten laste zijn gelegd. Daarvan hebben de rechters geoordeeld dat het geen connectie heeft met de zaak Focus. Dat oordeel is gebaseerd op wat [naam getuige 2] heeft verklaard over waar het dossier TGO Dokkum over gaat. De rechters hebben geen kennis van stukken uit het dossier TGO Dokkum Stukken uit dit dossier kunnen niet als relevante processtukken worden aangemerkt.

2.2.8.

In de beslissing van de rechter-commissaris, die verzoeker aanhaalt, gaat de discussie over afgifte van transcripten van getuigenverhoren in de zaak waar het in dat geval om gaat. In het onderhavige geval gaat het om stukken die niet op deze zaak zien. Het gaat om een ander onderzoek en die beslissing heeft om die reden hier geen relevantie.

2.2.9.

Verzoeker meent dat de verdere behandeling van zijn zaak moet worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de meineedprocedure jegens [naam getuige 1] . Verzoeker meent dat de rechtbank opdracht moet geven aan het OM om binnen een bepaalde termijn ter zake van die vervolging een beslissing te nemen. Daarvan is door de rechters gezegd: dat maakt inbreuk op de eigen bevoegdheid van het OM. De artikel 12 Sv bevoegdheid wordt op die manier bij de rechtbank neergelegd. Dat kan niet en daarom is het verzoek om aanhouding afgewezen.

Verzoeker klaagt erover dat de rechters geen vragen stelden aan [naam getuige 1] . Hij was een getuige van de verdediging en dan is het aan de verdediging om de getuige vragen te stellen. Dat geldt ook voor [naam getuige 2] . De rechters behoeven aan de verdediging geen verantwoording af te leggen waarom zij al dan niet vragen stellen.

2.2.10.

Verzoeker wijst op de stapeling van argumenten die aan de wraking ten grondslag worden gelegd. Verzoeker refereert daarbij kennelijk aan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2010 in de zaak tegen Wilders. Die uitspraak is nogal bekritiseerd, ook door advocaat-generaal Diederik Aben in De Pers van 8 november 2010. De wrakingskamer in de Amsterdamse rechtbank hanteerde in die uitspraak een verkeerde maatstaf. De motivering: “… in het licht van voorgaande incidenten ….” is een gotspe, aldus Aben.

2.3.

De officier van justitie mr. Boheur heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek staat het volgende voorop.

Op grond van artikel 512 Sv kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan

dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn,

tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen

opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert,

althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees

voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk,

maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de

onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

3.3.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing

inhoudelijk te toetsen, ook niet indien een beslissing op het oog onjuist zou kunnen worden

geacht. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of

onjuiste beslissingen.

De vrees voor vooringenomenheid kan, indien het wrakingsverzoek zich richt op (de

motivering van) een gegeven beslissing, alleen objectief gerechtvaardigd zijn indien in het

licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft

genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te

geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

3.4.

Daarnaast kan zich het geval voordoen dat de motivering van de aangevochten beslissing

erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem

reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij

eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke)

beslissing niettemin kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees

daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

3.5.

De wrakingskamer is van oordeel dat van het vorenstaande in de onderhavige gevallen geen

sprake is en overweegt daartoe het volgende:

3.6.

de beslissing ten aanzien van de getuige [naam getuige 1]

3.6.1.

De wrakingskamer stelt vast dat de getuige [naam getuige 1] - voorafgaande aan de beslissing van de rechters op het verzoek van de verdediging om deze getuige andermaal te doen horen - reeds tweemaal als getuige was gehoord; eenmaal bij de rechter-commissaris en eenmaal ter terechtzitting. Verzoeker meent dat hetgeen [naam getuige 2] heeft verklaard over [naam getuige 1] voldoende reden is om laatstgenoemde opnieuw als getuige te horen.

3.6.2.

De afwijzing van deze onderzoekswens vormt een procesbeslissing. Rechters moeten tussentijds aan hen gevraagde procesbeslissingen kunnen nemen en motiveren opdat het proces voortgang kan vinden. Met het nemen van dergelijke beslissingen blijkt onvermijdelijk van een standpunt van de rechters, maar dat levert niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing op dat een vrees voor partijdigheid voor andere door de rechters te nemen beslissingen objectief gerechtvaardigd is.

3.6.3.

Indien het verzoek wordt gedaan tot het opnieuw horen van een getuige, dient sprake te zijn

van enig aanwijsbaar houvast voor de verwachting dat die getuige nu wel of (wezenlijk)

anders of meer zal gaan verklaren over in het kader van het strafrechtelijk onderzoek relevante zaken.

3.6.4.

De afwijzing van deze onderzoekswens is door de strafkamer van een uitgebreide motivering voorzien en niet gezegd kan worden dat die beslissing onbegrijpelijk is en dat daarvoor geen andere verklaring te geven is dan dat die beslissing door vooringenomenheid is ingegeven.

Vooropgesteld moet worden dat de rechters hun beslissing niet alleen hebben gebaseerd op hetgeen de getuige [naam getuige 2] heeft verondersteld over betrokkenheid van [naam getuige 1] bij een melding in 2014 in de zaak TGO Dokkum, doch tevens op diverse uitlatingen van deze getuige over gedragingen van [naam getuige 1] in een verder verleden. Die omstandigheden tezamen vormden voor de rechters - zoals blijkt uit de bewoordingen van hun motivering - reeds voldoende grond voor de conclusie dat er onvoldoende reden was [naam getuige 1] opnieuw te horen.

De rechters maken daarna nog melding van de omstandigheid dat [naam getuige 2] - naar eigen zeggen - (vrijwel) alle dagen van het onderzoek ter terechtzitting heeft bijgewoond als bezoeker van de publieke tribune en dat het daarom moeilijk zal zijn vast te stellen in hoeverre [naam getuige 2] uit eigen wetenschap over de zaak verklaart. Blijkens de opbouw van de motivering hebben de rechters dit slechts als bijkomende omstandigheid in hun beslissing meegewogen, terwijl de eerder genoemde omstandigheden de dragende elementen vormden.

Anders dan verzoeker aanvoert, is de motivering van de rechters op dit punt niet in strijd met de door hem genoemde uitspraak van de Hoge Raad, nu de rechters [naam getuige 2] wel degelijk als getuige hebben gehoord.

Voorts is van belang dat de verdediging de beslissing van de rechters onbegrijpelijk vindt mede vanwege hetgeen de getuigen [naam getuige 3] en [naam getuige 4] hebben verklaard. Echter, die verklaringen hebben de rechters niet aan hun beslissing mede ten grondslag gelegd.

De afwijzende beslissing van de rechters en de daaraan gegeven motivering, zijn naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet onbegrijpelijk. Deze beslissing leidt derhalve niet tot wraking.

3.7.

de beslissing ten aanzien van het dossier Stekelbaars

3.7.1.

De rechters hebben beslist dat verzoeker en zijn raadsman - evenals medeverdachten en hun raadslieden - het dossier Stekelbaars mogen inzien en mogen aanwijzen welke stukken zij relevant vinden en toegevoegd willen zien aan het dossier van de strafzaak tegen verzoeker.

3.7.2.

Een beslissing van de rechters als door hen ten aanzien van het dossier Stekelbaars is gegeven, vraagt van de verdediging een actieve opstelling teneinde te bewerkstelligen wat door de verdediging wordt beoogd en wellicht ook - zoals de raadsman van verzoeker heeft benadrukt - een inspanning op een minder gebruikelijke plek om de verdediging voor te bereiden, zoals een politiebureau of een kantoor van het Openbaar Ministerie. De rechters zijn kennelijk van oordeel dat dit van de verdediging mag en kan worden verlangd als het gaat om het toegevoegd willen krijgen van stukken uit een ander onderzoeksdossier aan het dossier van de strafzaak tegen verzoeker. Eén van de collega-advocaten heeft dat ook gedaan; er is gevraagd om toevoeging van stukken en dat verzoek is ook toegewezen; zover is het bij verzoeker en zijn raadsman nog niet gekomen.

De beslissing is om deze redenen niet onbegrijpelijk.

3.8.

de beslissing ten aanzien van het dossier TGO Dokkum

3.8.1.

Het verzoek van de verdediging om toevoeging van het dossier TGO Dokkum aan het dossier van de strafzaak tegen verzoeker hebben de rechters afgewezen bij gebrek aan enige connectie met het onderzoek Focus en derhalve bij gebrek aan verdedigingsbelang. Ter zitting hebben de rechters toegelicht dat deze beslissing is gebaseerd op hetgeen [naam getuige 2] over TGO Dokkum heeft verklaard en dat zij niet over nog andere informatie over of uit het dossier TGO Dokkum beschikken.

3.8.2.

De wrakingskamer gaat er van uit dat juist is hetgeen de rechters hieromtrent hebben meegedeeld en vindt geen houvast voor de conclusie van de verdediging dat de rechters over meer wetenschap zouden (moeten) beschikken dan zij hebben aangegeven. Daarvan uitgaande, is de beslissing niet zodanig onbegrijpelijk, dat daaraan een naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd vermoeden van partijdigheid kan worden ontleend.

3.9.

de overige wrakingsgronden

3.9.1.

Door verzoeker wordt in het wrakingsverzoek teruggegrepen op de beslissingen van de rechters op eerdere verzoeken van de verdediging tot het verrichten van nader onderzoek, welke verzoeken door de rechters werden afgewezen en om welke redenen de rechters eerder zijn gewraakt en welke wrakingsverzoeken werden afgewezen.

Mede gelet op hetgeen is bepaald in artikel 513, lid 4 Sv kunnen feiten en omstandigheden, die voor verzoeker in een eerder stadium aanleiding zijn geweest de rechters te wraken, in beginsel geen rol meer spelen bij een volgend wrakingsverzoek. Dit kan slechts anders zijn, indien er sprake is van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid, waardoor het eerdere wrakingsverzoek en de daarop gegeven beslissing in een ander licht komen te staan en welk nieuw feit of nieuwe omstandigheid zeer waarschijnlijk tot een andere beslissing van de wrakingskamer had geleid.

De wrakingskamer is van oordeel dat van dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden niet is gebleken, zodat de eerdere beslissingen van de rechters in dit verband geen rol kunnen spelen en verder buiten beschouwing worden gelaten.

3.9.2.

De rechters waren niet gehouden bij de motivering van hun beslissingen van 6 oktober 2016 in te gaan op een door de rechter-commissaris in strafzaken eerder in een andere strafzaak gegeven beslissing ex artikel 34 Sv en de daarop gebaseerde Algemene Maatregel van Bestuur. Dat zij dat niet hebben gedaan kan dan ook geen grond zijn voor wraking.

3.9.3.

Verzoeker is van mening dat de rechters de behandeling van zijn strafzaak hadden moeten aanhouden totdat het onderzoek naar de verdenking van meineed jegens [naam getuige 1] zou zijn afgerond.

In beginsel kunnen rechters het Openbaar Ministerie verzoeken ter zake van een verdenking van enig strafbaar feit onderzoek te doen indien de resultaten van dat onderzoek een rol van enig gewicht kunnen spelen in een door de rechters behandelde zaak. De rechters kunnen de door hen behandelde zaak aanhouden in afwachting van wat het Openbaar Ministerie met dat verzoek gaat doen. De rechters kunnen aan het einde van hun onderzoek in de onderhanden zaak ook beslissen dat het onderzoek moet worden heropend teneinde de hiervoor bedoelde resultaten af te wachten.

Niet is gesteld dat de verdediging op enig moment expliciet heeft verzocht de verdere behandeling van de strafzaak tegen verzoeker aan te houden totdat het onderzoek naar de vermeende meineed van [naam getuige 1] is afgerond. Van een dergelijk verzoek blijkt ook niet uit de beslissingen van de rechters en de motiveringen daarvan van 21 september 2016 en 6 oktober 2016.

Het wrakingsverzoek mist derhalve op dit punt feitelijke grondslag.

3.9.4.

Tenslotte heeft verzoeker in zijn wrakingsverzoek gerefereerd aan de omstandigheid dat zijn voorlopige hechtenis nog altijd voortduurt, terwijl de meeste van zijn mede-verdachten op vrije voeten zijn.

De wrakingskamer gaat hieraan voorbij, nu niet naar behoren is toegelicht om welke reden deze omstandigheid de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid naar objectieve maatstaven zou rechtvaardigen.

3.10.

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. J. van der Groen, mr. N. Doorduijn en mr. S. Jordaan.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. H.J.M. van der Kaaij en mr. A.I. van Strien, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2016 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. J.B. Boone

- mr. J. van der Groen

- mr. N. Doorduijn

- mr. S. Jordaan

- mr. M. Boheur

- mr. J. Spaans