Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:7999

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 574
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is onvoorwaardelijk ontslag verleend wegens ernstig plichtsverzuim. Hij was medewerker van een milieupark en heeft zonder toestemming goederen meegenomen. Eerder was hij schriftelijke berispt.

Het plichtsverzuim is toerekenbaar en het ontslag is niet onevenredig. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/574

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2016 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. L.E.J. Vleesenbeek,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang, zonder toevoeging van het woord eervol, ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 31 oktober 2014 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het besluit van 31 oktober 2014 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 23 juni 2015 een tussenuitspraak gedaan.

Bij uitspraak van 25 augustus 2015 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 31 oktober 2014 vernietigd.

Bij besluit van 18 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit opnieuw ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [a], P&O adviseur.

Overwegingen

1.1.

Eiser was met ingang van 1 augustus 1988 werkzaam bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk als 1e medewerker milieupark (fsk 4) bij het milieupark aan de Melanchtonweg.

1.2.

Bij besluit van 23 mei 2006 is aan eiser een schriftelijke berisping opgelegd, omdat hij zonder toestemming goederen had meegenomen. Daarbij is aan eiser het volgende medegedeeld:

“Bij herhaaldelijk plichtsverzuim zal ik overwegen aan u een zwaardere disciplinaire maatregel op te leggen. Ontslag is hierbij de zwaarste mogelijkheid.”

Eiser heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Naar aanleiding van een melding dat medewerkers van het milieupark Hekendorp daar mogelijk goederen hadden weggenomen uit een container op dat milieupark, heeft verweerder op 18 juni 2013 een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat diverse medewerkers van dat milieupark zonder toestemming goederen hebben meegenomen. Dit vormde voor verweerder in augustus 2013 aanleiding ook de camerabeelden van andere milieuparken, waaronder het milieupark aan de Melanchtonweg (het milieupark), te bekijken. Hierop is te zien dat eiser op 26, 27, 29 en 30 juli, 1, 5, 6, 7 en 8 augustus 2013, soms meerdere keren op een dag, goederen uit een container op het milieupark wegneemt en/of goederen in zijn auto legt. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport integriteit van 6 januari 2014.

1.4.

Verweerder heeft bij het primaire besluit, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

31 oktober 2014, aan eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. Verweerder werpt eiser tegen dat hij een tasje, schilderijlijstjes, kleine schilderijtjes, speelgoed, een radio, een beeldscherm en een koffertje zonder toestemming voor eigen gebruik heeft meegenomen van het milieupark, zodat hij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

1.5.

Bij uitspraak van 25 augustus 2015 heeft de rechtbank eisers beroep gegrond verklaard en het besluit van 31 oktober 2014 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is overwogen dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld, te weten dat hij ten onrechte niet heeft gemotiveerd in hoeverre de persoonlijke omstandigheden van eiser, waaronder zijn stelling dat hij ten tijde van het meenemen van de goederen in de war was, van invloed zijn op de toerekenbaarheid van de als plichtsverzuim verweten gedraging en dat, wanneer verweerder tot de conclusie komt dat de als plichtsverzuim verweten gedraging geheel of gedeeltelijk aan eiser kan worden toegerekend, hij de persoonlijke omstandigheden van eiser vervolgens kenbaar moet meewegen in het kader van de evenredigheid van de opgelegde straf van ontslag.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 oktober 2015, het primaire besluit gehandhaafd.

Verweerder stelt dat eiser zijn betoog over zijn psychische toestand op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt, zodat het plichtsverzuim eiser is toe te rekenen. Nu sprake is van herhaald gedrag en ernstig plichtsverzuim is verweerder van mening dat de opgelegde straf niet onevenredig zwaar is. Het belang van verweerder om integere ambtenaren in dienst te hebben weegt in dit geval zwaarder dan de financiële en persoonlijke situatie van eiser.

3. Eiser betoogt dat geen sprake is van plichtsverzuim.

3.1.

In haar tussenuitspraak van 23 juni 2015, die deel uitmaakt van de einduitspraak van 25 augustus 2015, heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser de door verweerder genoemde goederen zonder toestemming heeft meegenomen vanaf het milieupark en dat dit is aan te merken als plichtsverzuim. Dit betekent dat, nu eiser tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens de zogeheten Brummen-jurisprudentie het plichtsverzuim thans niet meer ter beoordeling voorligt. Wat eiser hierover in deze procedure heeft aangevoerd kan daarom niet meer aan de orde komen.

4. Eiser voert aan dat hem het plichtsverzuim niet kan worden toegerekend. Het betoog faalt.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:BJ6222, en van 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1275) is bij de beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid niet alleen van belang of de betrokkene ten tijde van zijn gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien (de “gewetensfunctie”), maar ook of de betrokkene in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen en derhalve de gedraging achterwege te laten.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van psychische klachten rondom zijn echtscheiding ten tijde van de hem verweten gedragingen niet in staat was de ontoelaatbaarheid van die gedragingen in te zien en overeenkomstig dat inzicht te handelen. Weliswaar blijkt uit de rapportages van de bedrijfsarts dat eiser in het verleden last heeft gehad van spanningsklachten en beperkingen in verband met de scheiding, maar vanaf november 2012 - dus ruim voordat de gedragingen in juli en augustus 2013 plaats vonden - is hij volledig hersteld verklaard en heeft hij zijn werkzaamheden weer volledig hervat. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij in de periode van het plichtsverzuim (en daarna) niet werd behandeld voor zijn psychische klachten en nooit contact met een psycholoog heeft gezocht. Eiser heeft ook geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn geestelijk functioneren ten tijde van de hem verweten gedragingen zodanig verminderd was dat hem de gedragingen niet kunnen worden toegerekend. Voor het oordeel dat verweerder gehouden was nader onderzoek in te (doen) stellen naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, bestaat dan ook geen grond. Voor de toerekenbaarheid acht de rechtbank mede van belang dat het niet gaat om een eenmalige gedraging, maar om meerdere gedragingen die op verschillende tijdstippen hebben plaatsgevonden.

4.3.

Nu sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim was verweerder bevoegd eiser disciplinair te straffen.

5. Eiser voert aan dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is. Het betoog faalt.

5.1.

De opgelegde disciplinaire straf van ontslag is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren binnen de dienst en de terecht gestelde eisen aan de integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Dat oordeel wordt niet anders doordat, zoals eiser heeft gesteld, binnen het milieupark onder medewerkers een cultuur bestond waarbij het meenemen van goederen tot op zekere hoogte gebruikelijk was. Uit het dossier blijkt dat verweerder sinds 2006 extra aandacht besteedde aan het belang van integriteit van zijn medewerkers. Verweerder heeft aan eiser reeds in 2006 een disciplinaire maatregel opgelegd wegens het zonder toestemming wegnemen van goederen van het milieupark, waarbij hij eiser er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat bij herhaling mogelijk ontslag zou volgen. Eiser was dus onmiskenbaar een gewaarschuwd man. Daarnaast ontvingen alle medewerkers van het milieupark eind 2008 een brief met het integriteitsbeleid van Roteb. Uit de verklaringen van eiser en zijn collega’s blijkt dat iedereen wist dat de goederen van het milieupark niet zonder toestemming mochten worden meegenomen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de regels voor eiser duidelijk waren, ongeacht wat hij heeft aangevoerd over zijn opleidingsniveau en beheersing van de Nederlandse taal. Bij het bepalen van de strafmaat heeft verweerder mee mogen laten wegen dat de eerdere lichte straf eiser er niet van heeft weerhouden het negatieve gedrag meermaals te herhalen. De langdurige staat van dienst van eiser, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn functioneringsniveau en de gevolgen die het ontslag financieel voor hem hebben, doen niet af aan de ernst van het plichtsverzuim en maken het ontslag niet onevenredig.

5.2.

Evenmin slaagt het betoog van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan bij het verlenen van het disciplinair ontslag. Na het onderzoek is eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op het rapport in een verantwoordingsgesprek op 12 februari 2014. Na dit gesprek is aan hem op 20 maart 2014 een ontslagvoornemen bekendgemaakt, waarna op 20 juni 2014 het ontslagbesluit volgde.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.